Graadmeters voor de gezondheid van een economie:
- Output growth: procentuele toename van de totale hoeveelheid
goederen en diensten die een land in een bepaalde periode
produceert
- The unemployment rate: de verhouding tussen het aantal mensen
zonder baan en de totale beroepsbevolking
- The inflation rate: geeft aan hoe snel de prijzen van goederen en
diensten stijgen: het meet hoeveel minder je voor dezelfde euro kunt
kopen vergeleken met een jaar geleden.
Zero lower bound: situatie in het monetaire beleid waarbij de nominale
korte rente van een centrale bank op of nabij de 0% ligt.
Problemen:
- Normaal gesproken: bank verlaagt de rente lenen wordt
goedkoper mensen en bedrijven geven meer uit economie trekt
aan. Bij ZLB: als de rente als 0% is, is dit traditionele gereedschap
‘’op’’.
- Extreme risico’s van investeerders
- Liquiditeitsval: extra geldinjecties door de centrale bank hebben
geen effect meer consumenten houden hun geld vast in plaats
van het uit te geven of te investeren, omdat de beloning vrijwel nihil
is.
Monetair beleid is het geheel van maatregelen en beslissingen van een
centrale bank om de geldhoeveelheid en de rente te beïnvloeden.
Aggregate output: de totale hoeveelheid goederen en diensten die in een
hele economie gedurende een bepaalde periode is geproduceerd.
Maatstaf: BBP
- De productiebenadering: de opgetelde toegevoegde waarde van alle
bedrijven
Toegevoegde waarde: waarde van de output – de waarde van
intermediate goods
- De inkomensbenadering: de som van alle inkomens (lonen, winsten,
pachten) die in de economie zijn verdiend
- De bestedingsbenadering: de som van alle uitgaven in de economie
- Y = C + I + G + (X-M)
Intermediate goods: halffabricaten/tussenproducten goederen die door
een bedrijf worden gekocht om te worden gebruikt als input voor de
productie van andere goederen.
Reëel vs. Nominaal:
- Reëel: de waarde gemeten in constante prijzen (gecorrigeerd voor
inflatie)
- Nominaal: de waarde gemeten in de prijzen van nu
,Periodes van bbp-groei: expansie. Periodes van bbp-afname: recessie.
Beroepsbevolking = de werkenden + de werklozen (die actief op zoek zijn
en direct beschikbaar zijn om te starten)
Werkeloosheidspercentage = (werklozen/ beroepsbevolking) x 100%
Participatiegraad: (beroepsbevolking/ totale bevolking (15-75 jaar)) x
100%
2 maatstaven voor het prijsniveau van alle nieuw geproduceerde, finale
goederen en diensten in een economie:
- BBP-deflator: (nominaal bbp/ reëel bbp) x 100%
Index die we gebruiken om de nominale output (waarde in
huidige prijzen) te transformeren naar de reële output (waarde in
constante prijzen)
- Consumentenprijsindex: CPI kijkt alleen naar een ‘’mandje’’ met
spullen die consumenten kopen. CPI bevat de prijs van
importproducten.
Verschillen:
Kenmerk CPI BBP-deflator
Focus Consumptie Totale productie
Import Telt mee Telt niet mee
Samenstelling Vast mandje goederen Variabel (alles wat
geproduceerd is)
Okun’s law: beschrijving van de sterke, negatieve relatie tussen de
economische groei van een land en de werkloosheid.
- Wanneer de economie hard groeit, daalt de werkloosheid.
- Om meer output te produceren, hebben bedrijven meer arbeid nodig
als bedrijven meer mensen aannemen, daalt de unemployment
rate
- Als de economie niet groeit, stijgt de werkloosheid met 1,5%, 2
redenen: populatie en dus de beroepsbevolking stijgt, output per
medewerker stijgt over tijd.
Phillips curve: beschrijving van de relatie tussen inflatie en werkloosheid.
Trade-off tussen deze 2: als de werkloosheid laag is, is de inflatie meestal
hoog, en omgekeerd.
- Lage werkloosheid: bedrijven hebben moeite om personeel te vinden
ze bieden hogere lonen om mensen te lokken deze hogere
loonkosten worden doorberekend in de prijzen van producten de
inflatie stijgt
- Hoge werkloosheid: er is weinig vraag naar personeel werknemers
hebben weinig onderhandelingsmacht lonen stijggen nauwelijks of
dalen de inflatie daalt
- De korte-termijn Phillips-curve (SRPC): op korte termijn werkt de
trade-off vaak wel.
, - De lange-termijn Phillips-curve (LRPC): volgens de theorie van de
natuurlijke werkloosheid keert de werkloosheid altijd terug naar een
natuurlijk evenwicht, ongeacht hoe hoog de inflatie is. Als mensen
namelijk verwachten dat de prijzen stijgen, eisen ze direct hogere
lonen, waardoor het stimulerende effect van de inflatie verdwijnt.
Ontleding van het BBP:
Y = C + I + G + (X-M)
C = consumptie: duurzame goederen (auto’s, wasmachines), niet-
duurzame goederen (voedsel, kleding), diensten (kapper, netflix-
abonnement, zorg)
I = investeringen: bedrijfsinvestering (nieuwe machines, softwares of
fabrieken), woningbouw (de aankoop van nieuwe huizen door
consumenten valt onder ‘I’, niet onder ‘C’), voorraadmutaties (producten
die wel geproduceerd zijn maar nog niet verkocht)
G = overheidsbestedingen: de uitgaven van de overheid aan goederen en
diensten:
- Salarissen van ambtenaren, politie en leraren
- Defensie-uitgaven en nieuwe wegen
X-M = export – import: alles wat we in het
buitenland verkopen (voegt waarde toe aan
ons BBP) – alles wat we uit het buitenland
kopen
Trade surplus: export > import
Trade deficit: export < import
Inventory investment = productie – verkoop
Productie = verkoop + inventory investment
Verkoop productie – inventory investment
IS-LM model bestaat uit twee lijnen die elkaar kruisen: de IS-curve
(goederenmarkt) en de LM-curve (geldmarkt)
De IS-curve
- Vertegenwoordigt het evenwicht op de goederenmarkt
- Als de rente (i) daalt, wordt het goedkoper voor bedrijven om te
investeren en voor consumenten om geld te lenen
- Gevolg: de totale vraag stijgt, waardoor de productie (Y) toeneemt
- De lijn: de IS-curve loopt dus naar beneden: een lagere rente hoort
bij een hoger inkomen
De LM-curve
- Vertegenwoordig het evenwicht op de geldmarkt
- Als het nationaal inkomen (Y) stijgt, willen mensen meer geld in hun
zak hebben om aankopen te doen
- Gevolg: bij een gelijkblijvend aanbod van geld door de centrale
bank, zal de rente (i) stijgen omdat geld ‘’schaarser’’ wordt
- De lijn: de LM-cuve loopt dus omhoog: een hoger inkomen hoort bij
een hogere rente
, Waar de 2 lijnen elkaar snijden, is de economie in evenwicht. Dit snijpunt
bepaalt de actuele rente en het BBP van een land.
Verschuiving van de IS-lijn:
- Alles wat de vraag verhoogt, verschuift de IS-curve naar rechts
(hoger inkomen Y)
- Alles wat de vraag verlaagt, verschuift de IS-curve naar links (lager
inkomen Y)
- Bij fiscaal beleid (vanuit de overheid) verschuift de IS-curve
Factor Effect op IS-curve
Hogere overheidsuitgaven Verschuiving naar rechts
Hogere belastingen Verschuiving naar links
Meer consumentenvertrouwen Verschuiving naar rechts
Meer export Verschuiving naar rechts
Hogere rente Beweging langs de lijn omhoog
Verschuiving van de LM-curve
- Verschuift door alles wat de balans tussen de vraag naar geld en het
aanbod van geld verandert, behalve een verandering in het
nationaal inkomen
- Bij monetair beleid (vanuit de centrale bank) verschuift de LM-curve
Factor Effect op de LM-curve
Meer geldhoeveelheid Verschuiving naar rechts
Hogere prijzen/inflatie Verschuiving naar links
Minder behoefte aan cash Verschuiving naar rechts
Hoger inkomen Beweging langs de lijn omhoog
Multipliereffect: fenomeen waarbij een initiële verandering in de
bestedingen leidt tot een grotere uiteindelijke verandering in het totale
nationaal inkomen (BBP)
Voorbeeld: stel je voor dat de overheid in 2026 besluit om voor €1 miljard
aan nieuwe dijken te bouwen, wat gebeurt er dan?
- Direct effect: bouwbedrijven ontvangen €1 miljard
- Inkomenseffect: de bouwbedrijven betalen hun werknemers salaris
en maken winst
- Consumptie-effect: de werknemers die nu meer verdienen, gaan een
deel van dat geld uitgeven (bij de kapper, de supermarkt, of aan een
vakantie)
- Vervolgeffect: de kapper en de supermarkteigenaar verdienen nu
ook meer, en gaan dat op hun beurt weer deels uitgeven
Multiplier = – C1
C1 = Marginale consumptiequote hoeveelheid mensen extra uitgeven
als ze een euro extra verdienen
‘’lekken’’ in de cirkel: