Sociaal zekerheidsrecht bevat de volgende onderwerpen:
1. Ziekte
2. Arbeidsongeschiktheid
3. Gezondheid
4. Werkloosheid
5. Kinderen
6. Behoeftigheid ouderdom en overlijden
In het sociale zekerheidsrechtsstelsel zijn er ontwikkelingen geweest:
Betekenis sociaal zekerheidsrecht
De betekenis van sociaal zekerheidsrecht is vanaf je geboorte tot je graf garantie hebben van
inkomen en verzorging, maar ook het hebben van bestaanszekerheid. Er zijn vangnetten
gecreëerd die de schade dekt, maar ook kwetsbare mensen helpen te anticiperen in de
samenleving.
Functie sociaal zekerheidsrecht
Het sociaal zekerheidsrecht heeft een aantal functies:
1. Waarborgfunctie (art 11 lid 1 PW): deze functie betekent dat de sociale zekerheid
een minimum bestaansniveau garandeert en schade tegen inkomensverlies
beschermt. Als iemand ziek wordt, zorgt het stelsel voor een gegarandeerd inkomen
2. Activeringsfunctie (art 9 PW): deze functie richt zich op het stimuleren van de
deelname aan arbeid, uitkeringen zijn vaak gekoppeld aan verplichtingen
Het socialezekerheidsrecht is in Nederland ook grondwettelijk en internationaal verankerd,
dit zorgt voor juridische basis van bescherming. Het staat in de volgende dingen vast:
Art 20 GW: bepaalt dat de overheid zorgt voor bestaanszekerheid en spreiding van
de welvaart
Internationale verdragen (zoals Europees sociaal handvest en internationaal verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten)
De grondgedachte van het sociaal zekerheidsrecht is solidariteit (iedereen
betaald premies en belastingen voor op het moment dat één van de
Nederlandse burgers meer zorg of hulp nodig heeft)
,Indeling sociaalzekerheidsstelsel
Het sociaal recht wordt traditioneel opgesplitst in twee onderdelen:
1. Sociaal zekerheidsrecht: dit gaat over inkomensbescherming wanneer iemand niet (meer)
kan werken, bijvoorbeeld de WW. Dit heeft de focus op uitkeringen en bestaanszekerheid.
Hierbij is er geen contractuele verhouding
2. Arbeidsrecht: het arbeidsrecht regelt de relatie tussen werkgever en werknemer. Dit heeft de
focus op rechten en plichten op de werkvloer. Hierbij is er een contractuele verhouding
Vervolgens wordt het sociaal zekerheidsrecht opgesplitst in twee grote groepen:
1. Sociale verzekeringen: de regelingen waarvoor je premie betaalt, een kenmerk
hiervan is dat het is gebaseerd op een verzekering en premiebetaling en hierbij moet
je een werknemer zijn (voorbeeld: werknemersverzekering, zoals WW, ZW, WIA). Dit
is toevertrouwd aan het UWV
2. Sociale voorzieningen: dit zijn regelingen voor ingezetene die niet (voldoende)
verzekerd zijn of onvoldoende inkomen hebben, hierbij betaal je vooraf geen premie
en wordt dus gefinancierd vanuit de belasting en is daarmee vaak afhankelijk van
inkomen (er wordt dus gekeken naar inkomen en vermogen). Dit is toevertrouwd
aan de SVB
Om te kijken van welke sprake is, kan je de volgende stappen afgaan:
1) Personele werkingssfeer: voor wie geldt de regeling, iedereen of alleen werknemers?
2) Uitvoerder: wie voert het uit?
3) Wetten: welke wet hoort erbij
4) Wijze van financiering: het kan gefinancierd worden door premies (verzekeringen) of
belastingen (voorzieningen)
5) Uitkeringssystematiek: hoe wordt de uitkering berekend?
Sociale domein van socialezekerheidsstelsel
Het sociale domein omvat alle overheidsregelingen die gericht zijn op ondersteuning van
burgers in het dagelijks leven (zoals zorg, jeugdhulp en participatie). Dit is een beleidsterrein
dat ondersteuning en zorg biedt voor belanghebbende die dat vanwege hun belemmeringen
en beperkingen nodig hebben, hierbij moet je wel rekening houden met wat die persoon zelf
kan. Hierachter zit een basisgedachte:
De basisgedachte van het sociale domein houdt in dat de kern zelfraadzaamheid en
participatie is. Dit betekent dat mensen eerst zelf verantwoordelijk zijn, hierna komt
hulp van de omgeving en hierna pas overheidsondersteuning
Bij het sociale domein is het volgende relevant:
1. Het doel ervan: mensen die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien te
ondersteunen met financiële middelen, er geldt dus een minimumbehoefte regeling
voor deze mensen (den haag stelt vast wat de minimum is)
2. Doelgroep: de mensen die ondersteuning nodig hebben (denk aan mensen met een
beperking, werklozen etc.). Vaak is er sprake van Multi-problematiek (een situatie
waarin iemand tegelijkertijd op meerdere leefgebieden met problemen kampt, wat
vaak versterkt wordt door financiële nood. Zij zijn vaak afhankelijk van een uitkering)
3. Verantwoordelijkheid: sinds 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor
het uitvoeren van de zorg, het leveren van maatwerk. Dit komt mede doordat zij
dichter bij de burger staan, zij leveren dus de zorg aan inwoners van hun gemeente
, Wetgeving
Er zijn drie sociaaldomeinwetten waarin het sociale domein van het socialezekerheidsrecht is
vastgesteld, dit zijn tevens de hoofdvormen van ondersteuning:
1. De participatiewet: werk, inkomen en re-integratie
2. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: ondersteuning bij zelfredzaamheid
(bijvoorbeeld hulp thuis)
3. Jeugdwet: jeugdhulp en opvoedondersteuning
Je hebt volgens deze wetten een aantal spelers in het sociale domein:
1. Burgers: mensen die in het sociale domein ondersteuning nodig hebben of ontvangen
2. Gemeenten: zij regelen en organiseren de hulp en voorzieningen binnen het sociale domein
(benoem altijd een specifiek orgaan van de gemeente)
3. Aanbieders: organisaties die de daadwerkelijke hulp en zorg uitvoeren (bijvoorbeeld
zorginstellingen)
4. Werkgevers: bieden werk of kansen op participatie aan mensen met een afstand tot de
arbeidsmarkt
Rechtsbescherming sociale domein
Bij het sociale domein heb je met rechtsbescherming een link met het bestuursrecht, er is
namelijk een verticale verhouding (overheid – burger)
Bestuursprocesrecht: bezwaar -> beroep -> hoger beroep
In enkele geschillen na hoger beroep is cassatie bij de Hoge Raad mogelijk,
afhankelijk van het geschil wordt bepaald welke rechtsbescherming mogelijk is
Participatiewet
De participatiewet is een wet die ervoor moet zorgen dat iedereen die kan werken, ook
meedoet in de samenleving (met voorkeur via werk), wanneer dit niet lukt moet de overheid
zorgen voor ondersteuning en inkomen. De participatiewet heeft 2 hoofddoelen:
1. (Zicht op) werk of participatie: de focus ligt op activeren en dus mensen te helpen
(weer) mee te doen, dit gebeurt via begeleiding naar werk en scholing en begeleiding
op de werkplek. Het doel hiervan is zoveel mogelijk mensen te laten werken/
participeren
2. Financiële ondersteuning: als iemand geen/ te weinig inkomen heeft, hierbij heb je 2
soorten bijstand: (1) bijstandsuitkering: basisinkomen om van te leven, en (2)
bijzondere bijstand: extra hulp voor specifieke kosten
Bijstandsuitkering
De overheid moet niet alleen helpen bij arbeidsparticipatie, maar ze moeten ook een
vangnet bieden voor mensen die niet zelfstandig zichzelf kunnen voorzien in hun
bestaansminimum (ook wel behoeftigheid, dit houdt in dat iemand niet genoeg middelen
heeft om de noodzakelijke kosten van bestaan de betalen).
Op dat moment komt bijstand in beeld: een uitkering vult aan tot het sociale
minimum. Dit is geregeld in art 20 lid 3 Gw regelt dat de overheid via de wet bijstand
moet regelen voor mensen die niet hun bestaan kunnen voorzien, de overheid moet
behoeftigheid voorkomen en zorgen voor bestaanszekerheid
De gemeente weegt de persoonlijke situatie van een betrokkene mee bij de
uitvoering van de bijstand (ookwel maatwerk). De bijstand is niet alleen een
passieve inkomenssteun, maar ook gericht op terugkeer naar werk of
participatie