HC1 – overzicht immunologie
Afweer – immuunsysteem
• Afweer tegen pathogene micro-organismen
en schadelijke stoffen
• Belangrijk voor onderhouden en herstellen
van homeostase
• Niet alleen het immuunsysteem reageert op
(elke vorm van) stress maar ook het
endocrien systeem en zenuwstelsel
- Verschillende vormen van communicatie
tussen deze systemen
- Immuunsysteem gebruikt vooral cytokines
- Endocrien systeem gebruikt vooral hormonen
- En zenuwstelsel gebruikt vooral neurotransmitters
Triggers van afweer
• Exogene factoren:
- Infectie met micro-organismen
- Schadelijke stoffen
- UV straling
- Lichaamsvreemd weefsel (transplantaat, zwangerschap)
• Endogene factoren:
- Trauma, brandwond, dode cellen
- Kristallen
• Dit alles noemen we schade
Immuunherkenning
• Immuunsysteem moet allemaal dingen herkennen (bv het verschil
tussen een gezonde lichaamscel (niet reageren) en een dode
lichaamscel en tumorcel (wel reageren))
• De vraag is dus of het immuunsysteem moet reageren (aanvallen:
doden, opruimen, afschermen) of negeren
Barrières tegen infectie
• Mechanisch:
- Epitheel
- Beweging: lucht, vloeistof
• Chemisch:
, - Vetzuren, zout, lage pH, enzymen, antimicrobiële peptiden
(defensines)
• Microbiologisch:
- Microbiotica
Reactie op problemen
• Innate (aangeboren) en adaptieve
(verworven) afweer
- Innate (afweer beschikbaar): insult
→ effectors → resolutie (0-4 uur)
- Innate (afweer geïnduceerd): insult → ontsteking → effectors →
resolutie (4-96 uur)
- Adaptief: insult → ontsteking → activatie lymfocyten →
proliferatie → resolutie (> 96 uur)
• Dit leidt allebei tot acute ontsteking
• Bij adaptieve systeem vooral B-cellen en T-cellen belangrijk
• Bij innate systeem vooral alle andere cellen belangrijk (macrofagen,
dendrieten, mest cellen, granulocyten, etc.)
• Bijna alle cellen aangemaakt in beenmerg behalve de T-cellen, die
worden in de thymus aangemaakt
Leukocyten/witte bloedcellen
• Meest voorkomend is de neutrofiele
granulocyt
• Ook heb je eosinofiele granulocyt en
monocyt
• Binnen de lymfocyten heb je
verschillende subtypes (die kan je
niet onderscheiden onder de
microscoop)
• Immunofenotypering met
flowcytometrie (door eiwitten op de cellen)
- Met behulp van monoklonale antistoffen (kunnen 1 bepaald
eiwitten herkennen)
- Hangt een kleurtje aan de cellen
- Zo kunnen de cellen onderscheiden worden
- De kleuren kun je meten op basis van fluorescentie
Overzicht afweer
• In eerste instantie een trigger (bv infectie)
, • Hierdoor komt innate
immuunrespons (deze remt
infectie maar zet ook het
adaptieve immuunrespons aan)
• Adaptieve immuunrespons remt
infectie en stimuleert innate
immuunsysteem zodat die ook nog
sterker infectie remt
• Deze systemen remmen elkaar
ook weer
• Verschil tussen cellulaire respons (heeft met cellen te maken) en
humorale respons (met stoffen die in het serum aanwezig zijn, bv
anti-stoffen)
Innate vs. adaptieve respons
• Genoom-gecodeerde respons: innate
- niet-klonale respons: meerdere cellen kunnen reageren
- snelle reactie
- altijd in alle individuen
- geen geheugenpopulatie
- patroonherkenning
- herkent groepen pathogenen: PRR (= Pattern Recognition
Receptors) herkennen:
➔ PAMP = Pathogen-Associated Molecular Patterns
➔ DAMP = Damage-/Danger-Associated Molecular Patterns
➔ MAMP = Microbe-Associated Molecular Patterns
• B en T-cellen is gerearrangeerde respons (1 specifieke bacterie
herkennen): adaptief
- Klonale respons: hele specifieke respons
- Heeft tijd nodig
- Verschillend per individu
- Opbouw van geheugenpopulatie (tweede keer in contact met
zelfde pathogeen zorgt voor
snellere en sterkere respons)
- Specifieke herkenning
- Twee typen T-cel receptor: alfa
& beta keten of gamma & delta
keten
- Iedere B-cel en T-cel hebben
variabele domeinen waardoor
, ze bepaalde dingen wel kunnen binden en bepaalde dingen niet
kunnen binden
➔ Deze domeinen ontstaan door AgR genherschikking = V(D)J
recombinatie
➔ V, D en J worden
gekoppeld
➔ Om ervoor te zorgen
dat het domein alsnog
uniek is (zelfs met
dezelfde V, D en J)
vinden er voor het aan
elkaar plakken nog
willekeurige deleties
en inserties plaats
Ontwikkeling en migratie
• Beenmerg en thymus
maken cellen
• Primaire lymfoide
organen: aanmaak van
leukocyten → circulatie
door lichaam
• Secondaire lymfoïde
organen: antigeen
presentatie en
immuunreacties
- Antigeen-presenterende cellen via lymfevaten naar lymfeklieren:
daar vindt de immuunreactie plaats
• Geïnfecteerde cel kan herkend worden door een cytotoxische T-cel
(ontstaat uit T helper cel)
• B-cellen worden geactiveerd door T helper cellen
• T helper cel kan ook macrofagen activeren
Take home messages
• Het afweersysteem kent meerdere lagen: innate – innate-
geïnduceerd – adaptief, die effectief zijn met verschillende kinetiek
• Afweer wordt ingezet bij schade → ontstekingsreactie
• Verschil tussen innate en adaptieve respons: herkenning door
genoom-gedoceerde vs. gerearrangeerde receptor
• Adaptieve repertoire is vrijwel onbeperkt