Alle tentamen stof
HC1
Bewegingsapparaat = het orgaansysteem waardoor de mens zich kan
voortbewegen. Te verdelen in:
• Passieve bewegingsapparaat:
- Skelet
- Bindweefselkapsels
- Gewrichten
• Actieve bewegingsapparaat:
- Skeletspieren
Biomechanica = toepassen van de natuurkunde mechanica bij het
bestuderen van bewegingen van levende wezens
Problemen bij meten:
• Gemiddelde (zegt iets over de groep, niet het individu)
• Variatie (maakt vergelijken van metingen lastig)
Uitlijning tijdens operatie
• Navigatie
- Instrumenten op baseren
- Door ervaring
• Computernavigatie (niet echt beter dan traditioneel)
• Menselijke factor speelt een rol (chirurg en patiënt)
HC2
De anatomische positie: Anatomische vlakken:
• Sagitta betekent pijl (pijl van avatar, hier dus doorheen)
,Richtingen en posities:
Bewegingen:
• Flexie = hoek aan buikzijde wordt kleiner
Botverbindingen
• Synoviaal gewricht: bevat een eigen membraan en is gevuld met
synoviaal vloeistof
- Synoviaal vloeistof zorgt ervoor dat het gewricht soepel kan
bewegen en voor voedingsstoffen in het kraakbeen
- Gewrichtskapsel = fibreus kapsel + synoviaal membraan
• Fibreus gewricht: tussen de twee stukjes bot ligt een laagje
bindweefsel
• Kraakbeen gewricht: tussen de wervels zit kraakbeen (zorgt voor
meer flexibiliteit)
,Soorten gewrichten:
• Elleboog gewricht bestaat uit 3 gewrichten (2 scharnier, radius en
ulna en humerus, en 1 rol, radius en ulna)
• Scharniergewricht: 1 bewegingsas, 2 hoofdbewegingen
• Kogelgewricht: 3 bewegingsassen, 6 hoofdbewegingen
• Zadelgewricht: 2 bewegingsassen, 4 hoofdbewegingen
• Ellipsoid gewricht: 2 bewegingsassen, 4 hoofdbewegingen
Bovenste extremiteit
• Schouder: clavicula, scapula, humerus, sternum
• Elleboog: humerus, radius, ulna
• Pols: radius, carpalia
• Hand: carpalia, metacarpalia, phalangen
HC3
Skelet
• Bestaat voornamelijk uit: bot, kraakbeen, gewrichten & ligamenten
(= bindweefsel verbinding tussen 2 botdelen)
Overzicht weefsels
• Epitheelweefsel (epithelium)
- Bedekt lichaamsoppervlakken en bekleedt lichaamsholtes
- Vormt klieren
- Beschermt onderliggende weefsels
• Spierweefsel
- Bestaat uit contractiele cellen (kan samentrekken)
- Zorgt voor beweging van het lichaam en organen
• Zenuwweefsel
- Ontvangt en transporteert prikkels (impulsen)
, - Bestaat uit neuronen en steuncellen (gliacellen)
• Bindweefsel (connective tissue)
- Ondersteunt en verbindt de andere 3 weefsels
- Speelt rol bij voeding, bescherming en herstel van weefsels
- Indeling n.a.v. extracellulaire matrix
➔ Losmazig bindweefsel: klein beetje cellen, klein beetje vezels
➔ Dens bindweefsel: klein beetje cellen, heel veel vezels
➔ Vloeibaar (bloed, lymfe)
Stamcellen
• = ongedifferentieerde cellen → gaan vernieuwen een differentiëren
• Soorten:
- Hematopoietische stamcel: bloed
- Mesenchymale stamcel: bot/kraakbeen/vet
- Neurale stamcel: zenuwweefsel
Kraakbeen
• Bestaat voor het grootste gedeelte uit water, maar is wel een vrij
vaste structuur om te zien
• Komt op heel veel plekken voor (trachea, ribben, gewrichten, etc)
• Standaard structuur:
- Veel matrix, relatief weinig cellen
- Cellen liggen in uitsparingen in de matrix: lacunae
- Voeding door diffusie: geen bloedvaten
- Geen zenuwvoorziening
- Kraakbeen omgeven door perichondrium (m.u.v.
gewrichtskraakbeen)
• Functie:
- Volwassenen: structuur en flexibiliteit, drukopvang, glad glijvlak
- Tijdens groei: deling van kraakbeencellen in epifysair schijf
• Te onderscheiden in 3 typen:
- Hyalien kraakbeen (in gewrichten): zorgt voor glad oppervlak
(goed glijden) maar ook druk opvang (door water los te laten en
op te nemen)
➔ Opperlvak in synoviale gewrichten
➔ Functies: opvangen van piekbelasting, verdelen belasting, lage
wrijvingsweerstand
- Fibreus kraakbeen: bindweefselig kraakbeen, zorgt voor
drukopvang
- Elastisch kraakbeen: veel elastine vezels, heel flexibel
• Kraakbeen bevat vezels en proteoglycanen