Wat is strafrechtelijk beleid
1.1 STRAF - EN STRAFRECHTELIJK BELEID
- Begonnen met de ontwikkeling aan het einde van de 19 e eeuw, zodra het
strafrechtbeleid in twijfel wordt getrokken
- ‘Mechanische’ toepassing van het strafrecht (dat het strafrecht rigide, automatisch en
zonder veel oog voor de individuele situatie werd toegepast. Rechters pasten de wet
zoals een machine toe: letterlijk, zonder interpretatie of aandacht voor de persoon van
de dader of de omstandigheden.)
- Het strafrechtelijk beleid begon na te denken over hoe het strafrecht beter op maat van
de persoon en de situatie kon worden toegepast, in plaats van iedereen gelijk te
behandelen (zoals bij de “mechanische toepassing”).
- Het strafrechtelijk beleid is breder: “alle strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke
maatregelen ter bescherming van de samenleving tegen criminaliteit, om het lot van
de overtreders te bepalen en de rechten van slachtoffers (Raad van Europa, 1983)
o Het strafrechtelijk beleid is dus veel meer dan alleen maar straffen
o Het strafrechtelijk beleid gaat niet alleen over straffen en rechters, maar over
het hele systeem dat de samenleving beschermt tegen criminaliteit.
o Rehabilitatie van (potentiële) daders + criminaliteitspreventie + hulpprogramma
voor slachtoffers + RJ (hier gaat strafrechtelijk beleid ook over)
- Maar de handhaving van het strafrecht blijft de ‘harde kern’ van het strafrechtelijk
beleid
o Aanhoudende nadruk op straf, vergeling en afschrikking
1.1 VEILIGHEIDSBELEID EN BEHEER VAN DE VEILIGHEID
- Het veiligheidsbeleid dat in de jaren 1990 in België en andere landen werd
geïntroduceerd om verdere verbreding van het strafrechtelijke beleid (vanaf de jaren
1990 begon men ook te spreken over een veiligheidsbeleid in plaats van enkel een
strafrechtelijk beleid, dus niet alleen meer kijken naar misdaad en straffen, maar ook
naar alles wat het gevoel van veiligheid in de sml beïnvloedt)
o Het heeft tot doen om zowel objectieve (echte, meetbare veiligheid) als
subjectieve veiligheid (veiligheidsgevoel van burgers) te garanderen
Zowel dus bescherming tegen natuurrampen en andere niet-militaire
veiligheidsbedreigingen + het bevorderen van veiligheidsgevoelens (dus
niet alleen criminaliteit, maar ook tegen andere bedreigingen)
o Vaak onderdeel van een breder nationaal veiligheidsbeleid
- Veiligheidsbeheer: (naast het veiligheidsbeleid en strafrechtelijk beleid ook nog dit)
maatregelen genomen door particuliere sectoren, voornamelijk bedrijven en
huishoudens, soms in samenwerking met overheidsinstanties, om hun belangen te
, beschermen (tegen risico’s of criminaliteit). (Dus niet door de overheid, maar door de
privésector of individuen zelf)
Wat zijn theorieën en hoeveel soorten bestaan er binnen de
criminologie? (Theorieën in de criminologie zijn verklaringen of ideeën die proberen te
begrijpen waarom mensen misdaden plegen en hoe criminaliteit in de samenleving ontstaat.
Ze helpen onderzoekers en beleidsmakers te begrijpen de oorzaken van criminaliteit en hoe
men die kan voorkomen.)
2.1 ER IS GEEN EENSGEZINDHEID OVER WAT EEN THEORIE PRECIES IS (DEFINITION )
- “A logically interrelated set of propositions about ampirical reality (Schutt, 2009)
o Een theorie is een samenhangend geheel van ideeën of verklaringen die iets
proberen te zeggen over de echte wereld (empirische wereld = wat je kan
observeren of meten)
- Voor positivisten (wetenschappers die geloven in meten en testen)
o 1) Definities: zinnen die basisbegrippen van de theorie uitleggen
Bv. “Criminaliteit = gedrag dat wet overtredend is”
o 2) Functionele relaties: uitspraken die de verbanden tussen die begrippen
beschrijven, meestal in oorzaak-gevolg-termen
Bv. “Armoede leidt tot meer criminaliteit”
o 3) Operationele definities: uitspraken die uitleggen hoe je de theorie in de
praktijk kan meten of testen
Bv. “We meten armoede aan de hand van inkomen en criminaliteit aan de
hand van aantal veroordelingen”
o Voor positivisten is een theorie pas waardevol als ze getest kan worden met
gegevens (empirisch bewijs)
- Andere wetenschappers (niet-positivisten) hebben een ruimere, minder strikte
opvatting van wat een theorie is. Voor hen hoeft een theorie niet altijd meetbaar of
testbaar te zijn.
o Bv. “Grand theories”: heel brede, abstracte ideeën over menselijk gedrag of
samenleving (niet meetbaar)
,2.1 ER IS GEEN EENSGEZINDHEID OVER HOE BELANGRIJK THEORIEËN EIGENLIJK ZIJN
BINNEN DE CRIMINOLOGIE
- Sommige onderzoekers vinden dat je geen theorie nodig hebt om criminaliteit te
bestuderen
o “We kunnen gewoon feiten verzamelen, meten en analyseren zonder al die
abstracte ideeën”
o Bv. criminaliteitscijfers, risicofactoren, statistische verbanden, …
- “For other, including Bottoms (2008), some engagement with theory is necessary”
o Andere wetenschappers zoals Bottoms, zeggen het tegenovergestelde
o “Je hebt een theorie nodig om criminologie te bestuderen
o Omdat je nooit neutraal naar feiten kunt kijken, je interpreteert ze altijd vanuit
een bepaald denkkader (een theorie).
o Constructivisme (er bestaan geen theorie-neutrale feiten): alles wat je
waarneemt, wordt beïnvloed door je vooronderstellingen, waarden en kennis. Je
kunt dus nooit “puur objectief” naar de werkelijkheid kijken, want je interpretatie
hangt af van je theorie.
o Theory-ladenness of observations (Honderich): de manier waarop je iets
observeert of meet, hangt af van de theorie die je hanteert.
Bv. twee onderzoekers kijken naar jeugdcriminaliteit: de ene ziet het als
een sociaal probleem (door armoede), de andere ziet het als persoonlijk
falen (gebrek aan discipline). Hun waarneming wordt dus gevormd door
hun theoretische bril.
o Theory as tool (Garland): theorie is een hulpmiddel, dus geen doel opzicht,
maar een instrument om de realiteit te interpreteren.
- “Bottoms” other key proposition: “There is a world out there and we can judge which
interpretation is nearer to the truth.” (er bestaat een echte werkelijkheid, ook al
interpreteren we die op verschillende manieren. Sommige interpretaties (theorieën)
komen dichter bij de waarheid dan andere)
o Realisme
- Without commitment to realism and etiology, no crime prevention or other policy
interventions are possible!
o Als je niet gelooft dat criminaliteit echte oorzaken heeft, dan kun je ook niets
doen om ze te voorkomen of te verminderen
2.1 VERSCHILLENDE SOORTEN THEORIEËN
- Substantive theories (inhoudelijke theorieën): theorieën die direct gaan over
criminaliteit en beleid, ze proberen uit te leggen waarom mensen misdaden plegen en
hoe beleid of interventies werken
o 1) Etiological theories on crime: verklaren de oorzaken van criminaliteit
(biologisch, psychologisch, sociologisch, geïntegreerd) + gerelateerd onderzoek
, o 2) (Etiologische) theorieën over strafrechtelijk beleid, specifieke interventies of
hun effecten + gerelateerd onderzoek (verklaren hoe specifieke straffen of
interventies werken en wat hun effect is)
o 3) + Concepten en algemene sociale theorieën (GST) (algemene sociale
theorieën die helpen criminaliteit te verklaren)
- Normative theories on criminal law/policy, punishment and alternative approaches
o Wat zou er moeten gebeuren met criminaliteit, criminaliteit is ontstaan als begrip
voor een verzameling van gedragen die wij als ongewenst zien
o Deze theorieën gaan over waarden en normen in strafrecht en beleid, wat is een
juiste straf?, Wat is rechtvaardig beleid?
- “Background” theories
o 1) Epistemology: filosofie van de aard en kennis (hoe weten we iets, wat kunnen
we meten of begrijpen)
o 2) Ontology: filosofie over het zijn en de menselijke natuur (wat betekend het om
mens te zijn)
o 3) Methodology: filosofie van de wetenschappelijke methode (hoe onderzoek je
iets op de juiste manier) grounded theory
2.1 WAT IS DE RELATIE TUSSEN CRIMINOLOGISCHE THEORIE (EN ONDERZOEK ) EN
STRAFRECHTELIJK BELEID?
2.2 WHAT HAS BEEN THE IMPACT OF CRIMINOLOGY ON CRIMINAL POLICY? FOR
WHICH ISSUES ?
2.3 WHY HAD CRIMINOLOGY HAD IMPACT ON SOME ISSUES AND MUCH LESS ON
OTHERS?
- Zie teksten
Hoe kunnen criminologen het beste bijdragen aan de
ontwikkeling en evaluatie van strafbeleid?
1) Nieuwe, maatschappelijk relevante theorieën en degelijk onderzoek aan te leveren,
zodat beleid wetenschappelijk gefundeerd is.
2) Huidig beleid te evalueren en nieuwe beleidsvoorstellen te doen, met duidelijke doelen
en geschikte evaluatiecriteria.
3) Niet alleen feitelijke resultaten (empirisch) te bekijken, maar ook te beoordelen of
beleid ethisch en maatschappelijk wenselijk is (normatief).
= Policy analysis helpt hierbij door dit proces systematisch te structureren van
probleemdefinitie tot evaluatie.
Wat is beleidsanalyse (policy analysis)?
,3.1 BELEIDSANALYSE
- Een toegepaste sociaal-wetenschappelijke discipline ontworpen voor het verbeteren
van de beleidsvorming
o Het gaat zowel “in” policymaking (het daadwerkelijk ondersteunen van
beleidsmakers)
o Als “about policymaking (het kritisch onderzoeken en evalueren van beleid)
- Doel: het creëren, kritisch beoordelen en communiceren van beleid-relevante kennis
o Ondersteunt evidence-based policy beleid dat gebaseerd is op feiten en
onderzoek, niet alleen meningen
o Evidence betekent hier: kennis over oorzaak-gevolgrelaties
1) Tussen beleid
2) En korte termijn-, middellange- en langetermijnresultaten van dat beleid
o Bv. als je een jongerenprogramma invoert, wil je weten of het crimineel gedrag
vermindert op korte, middellange en lange termijn.
o Ook gaat het om het kritisch uitdagen van argumenten van anderen (dus niet
alles zomaar aannemen)
- Benadering: eclectisch, pragmatisch en multidisciplinair
o Combineert inzichten uit verschillende disciplines, zoals:
Economie
Politieke wetenschappen
Ethiek
- Policy analysis is zowel descriptief als normatief
o Descriptief: beschrijft wat het probleem of beleid is “wat gebeurd er nu”?
Bv. “er is een stijging van jeugdcriminaliteit in deze stad”
o Normatief: geeft aan wat het beleid zou moeten zijn, inclusief doelen en
middelen “wat zou beter zijn”?
Bv. “we moeten beleid ontwerpen dat deze stijging vermindert en
preventie versterkt”
- = Korte samenvatting Policy analysis is:
o Een wetenschappelijke manier om beleid te begrijpen, evalueren en verbeteren
o Ondersteunt evidence-based beslissingen
o Gebruikt een multidisciplinaire aanpak
o Combineert wat er is (descriptief) en wat er zou moeten zijn (normatief)
3.1 IT CONSISTS OF FIVE PHASES TO ADDRESS FIVE TYPES OF QUESTIONS
,= Beleidsrelevante kennis voor 5 soorten vragen met 5 beleid analytische methoden
1) Policy problems:
Dit is het startpunt: je identificeert wat het probleem is dat je wilt aanpakken.
Voorbeeld: stijgende jeugdcriminaliteit.
Problem structuring betekent: het probleem duidelijk definiëren en analyseren,
zodat je weet wat precies moet worden aangepakt.
2) Expected Outcomes (verwachten uitkomsten)
Hier formuleer je wat je denkt dat het beleid zal opleveren als het wordt
ingevoerd
Je maakt een voorspelling
Voorbeeld: “als we een mentorprogramma invoeren, zal jeugdcriminaliteit met
20% dalen
Dit is verbonden met forecasting: voorspellen van resultaten
3) Preferred Policies (voorkeursbeleid)
Dit zijn de beleidsopties of maatregelen die je wilt uitvoeren om het probleem
aan te pakken
Prescription betekent: aanbevelen wat er moet gebeuren
Voorbeeld: mentorprogramma, naschoolse activiteiten, buurtpreventie
4) Observed Outcomes (waargenomen resultaten)
Nadat het beleid is uitgevoerd, kijk je naar wat er daadwerkelijk is gebeurd
Monitoring betekent: het proces volgen terwijl beleid wordt uitgevoerd
Evaluation betekent: het restulaat analyseren en vergelijken met de
verwachtingen
Voorbeeld: na één jaar blijkt dat jeugdcriminaliteit met 15% is gedaald (i.p.v.
20% verwacht)
5) Policy Performance (beleidsresultaat/effectiviteit)
Dit is de beoordeling van het beleid: heeft het gewerkt zoals verwacht?
, Je vergelijkt de verwezenlijkte resultaten met de verwachte resultaten en
beoordeelt of het probleem is opgelost
Feedback kan leiden tot aanpassing van het beleid of nieuwe beleidsinterventies
= Dit is een cyclisch proces (+ problem structuring komt tussentijds steeds terug)
3.1 PROBLEM STRUCTURING IS ESSENTIAL
Problem structuring is het proces waarmee je een complexe maatschappelijke situatie omzet
in een duidelijk gedefinieerd beleidsprobleem, zodat al het verdere beleid (keuze, uitvoering,
evaluatie) effectief en relevant kan zijn. Zonder dit stap wordt alles wat volgt vaak nutteloos
of fout gestuurd.
- “Is central guidance system of policy analysis”
= Problem structuring is het centrale leidende systeem binnen
beleidsanalyse
Alles wat je erna doet (verwachte uitkomsten voorspellen, voorkeuren voor
beleid kiezen, monitoring en evaluatie) wordt geleid door hoe je het
probleem hebt gedefinieerd
o “Governs production and transformation of knowledge produced by other
methods”
= Problem structuring bepaalt hoe kennis die je met andere methoden
verzamelt, wordt gebruikt en geïnterpreteerd
- “Is metamethod to transform ‘problem situation’ in ‘policy problem’”
Problem situation: een complexe situatie in de samenleving (Bv. jongeren
in de wijk vertonen reisicogedrag)
Policy problem: een concreet, handelbaar probleem waarop beleid gericht
kan zijn (Bv. jeugdcriminaliteit stijgt met 15% in deze wijk, vooral door
gebrek aan begeleiding na schooltijd)
o “Defing wrong problem (type III error) is fatal”
Een type III error betekend dat je het verkeerde probleem oplost
Als je het verkeerde probleem adresseert, kan het beleid volledig
ineffectief of zelf schadelijk zijn, daarom is problem structuring zo
essentieel.
3.1 VERSCHILLENDE THEORIEËN SPELEN (KUNNEN) VERSCHILLENDE ROLLEN IN
BELEIDSANALYSE /PROCES
,