STATISTIEK VOOR BEDRIJFSKUNDE
Complete Samenvatting & CheatSheet — inclusief
Onderzoeksmethoden
Doel van deze studiegids: na het bestuderen hiervan moet je niet alleen
formules kunnen toepassen, maar vooral kunnen herkennen welke statistische
methode je nodig hebt, waarom je die gebruikt en hoe je de uitkomst
interpreteert.
INHOUD
1. Onderzoeksmethoden: van onderzoeksvraag naar statistische analyse
2. Beschrijvende statistiek
○ Variabelen en meetniveaus
○ Centrummaten
○ Spreidingsmaten
○ Boxplots en uitschieters
3. Kansrekening & waarschijnlijkheid
○ Kansregels
○ Normale verdeling
○ Z-scores
○ Empirische regel
4. Toetsende statistiek
○ Populatie en steekproef
○ H₀ en H₁
○ Significantieniveau
○ p-waarde
○ Eenzijdig en tweezijdig toetsen
○ Type I en type II fouten
5. t-toetsen
○ One-sample t-toets
○ Independent samples t-toets
○ Paired samples t-toets
6. ANOVA
7. Chi-kwadraattoets
8. Correlatie
9. Lineaire regressie
10. Onderzoeksmethoden & onderzoeksdesign
11. Hoe kies ik de juiste statistische toets?
12. Veelgemaakte fouten
13. 30 belangrijkste statistiekbegrippen
14. Ultieme formule-CheatSheet
15. Tentamenstrategie
, 2
1. ONDERZOEKSMETHODEN: VAN
VRAAG NAAR ANALYSE
Statistiek staat nooit los van onderzoek. Je begint normaal gesproken niet met:
"Welke toets kan ik gebruiken?"
Je begint met:
"Welke onderzoeksvraag wil ik beantwoorden?"
Daarna bepaal je welke gegevens je nodig hebt en pas daarna welke statistische methode
geschikt is.
1.1 Populatie versus steekproef
Populatie
De populatie is de volledige groep waarover je iets wilt weten.
Voorbeeld:
Je wilt weten hoeveel uur studenten gemiddeld per week studeren.
● Populatie = alle studenten waarover je een uitspraak wilt doen.
Steekproef
Een steekproef is een deel van de populatie dat je daadwerkelijk onderzoekt.
Bijvoorbeeld:
● Populatie = alle Nederlandse studenten.
● Steekproef = 500 Nederlandse studenten die je enquêteert.
Je gebruikt de steekproef om iets te zeggen over de populatie.
Belangrijk onderscheid
Een waarde uit de populatie heet meestal een parameter.
Een waarde uit de steekproef heet een statistiek.
Bijvoorbeeld:
● μ = populatiegemiddelde
● x̄ = steekproefgemiddelde
● σ = populatiestandaardafwijking
● s = steekproefstandaardafwijking
, 3
2. VARIABELEN EN MEETNIVEAUS
Voordat je een statistische toets kiest, moet je weten wat voor soort variabele je hebt.
2.1 Kwalitatieve versus kwantitatieve variabelen
Kwalitatieve variabele
Geeft een categorie aan.
Voorbeelden:
● geslacht
● opleiding
● merk
● woonplaats
● ja/nee
Kwantitatieve variabele
Heeft een numerieke waarde waarmee je kunt rekenen.
Voorbeelden:
● leeftijd
● inkomen
● lengte
● omzet
● aantal aankopen
3. MEETNIVEAUS
Dit is belangrijk omdat niet iedere statistische bewerking op iedere variabele logisch is.
3.1 Nominaal
Categorieën zonder natuurlijke volgorde.
Voorbeelden:
● kleur
● woonplaats
● merk
● land
Je kunt bijvoorbeeld tellen hoe vaak elke categorie voorkomt.
Je kunt echter niet zeggen dat "blauw groter is dan rood".
, 4
3.2 Ordinaal
Categorieën mét een volgorde.
Voorbeelden:
● slecht / voldoende / goed
● opleidingsniveau
● tevredenheid: zeer ontevreden → zeer tevreden
Je weet de volgorde, maar niet noodzakelijk de exacte afstand tussen categorieën.
3.3 Interval
Numerieke schaal waarbij verschillen betekenisvol zijn, maar waarbij nul niet noodzakelijk
een absoluut nulpunt is.
Voorbeeld:
● temperatuur in °C.
20 °C is 10 graden warmer dan 10 °C, maar 20 °C is niet "twee keer zo warm" als 10 °C.
3.4 Ratio
Numerieke schaal met een absoluut nulpunt.
Voorbeelden:
● inkomen
● gewicht
● leeftijd
● omzet
● afstand
● aantal producten
Hier kun je alle normale rekenkundige bewerkingen uitvoeren.
4. BESCHRIJVENDE STATISTIEK
Beschrijvende statistiek beschrijft wat er in je dataset staat.
, 5
Je probeert nog geen conclusies over een grotere populatie te trekken.
De belangrijkste vragen zijn:
1. Waar ligt het midden?
2. Hoe verspreid zijn de waarden?
3. Zijn er uitschieters?
4. Hoe ziet de verdeling eruit?
5. CENTRUMMATEN
De drie belangrijkste centrummaten zijn:
● gemiddelde
● mediaan
● modus
5.1 Gemiddelde
Het rekenkundig gemiddelde bereken je door alle waarden op te tellen en te delen door het
aantal waarden.
Formule
Steekproefgemiddelde:
xˉ=∑xin
Waarbij:
● xᵢ = individuele observatie
● n = aantal observaties
● Σ = "tel alles bij elkaar op"
Voorbeeld
Gegevens:
4, 6, 8, 10, 12
Dan:
xˉ=4+6+8+10+125=8
Het gemiddelde is dus 8.
Voordeel
, 6
Het gemiddelde gebruikt alle waarnemingen.
Nadeel
Het gemiddelde is gevoelig voor uitschieters.
Bij:
5, 6, 6, 7, 100
wordt het gemiddelde sterk omhooggetrokken door 100.
6. MEDIAAN
De mediaan is de middelste waarde nadat je de gegevens van klein naar groot hebt gezet.
Voorbeeld:
2, 4, 5, 7, 9
Mediaan = 5
Bij een even aantal waarden neem je het gemiddelde van de twee middelste waarden.
Voorbeeld:
2, 4, 7, 10
mediaan=4+72=5,5
Wanneer gebruik je de mediaan?
Vooral wanneer:
● de data scheef verdeeld zijn;
● er duidelijke uitschieters zijn;
● je bijvoorbeeld inkomens of huizenprijzen onderzoekt.
7. MODUS
De modus is de waarde die het vaakst voorkomt.
Voorbeeld:
2, 3, 3, 3, 5, 8
Modus = 3