• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 16 pagina's
Tentamen (uitwerkingen)

Oefenexamen 2 | DSI Effectenhandelaar | 32 vragen | 2026

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 16 pagina's

Dit oefenexamen bevat 32 meerkeuzevragen voor de DSI Effectenhandelaar cursus, ontworpen ter voorbereiding op het officiële examen. De vragen behandelen kernonderwerpen zoals economische groei, rentebeleidsmaatregelen van de ECB, emissies, order-driven markten, aandelen, obligaties, opties, en beleggingstheorie. Met de uitgebreide antwoordsleutel aan het einde van het document kun je zelf je kennis toetsen en de meest gestelde examenonderwerpen oefenen.

Voorbeeld van de inhoud

DSI Effectenhandelaar 2026 - Oefenexamen 2
Instructies:
- Dit examen bestaat uit 32 meerkeuzevragen.
- Kies bij elke vraag het meest juiste antwoord (A, B, C of D).
- De antwoordsleutel met uitgebreide toelichtingen bevindt zich aan het einde van dit
document.

Vragenoverzicht

Vraag 1
Een land ervaart een constante bevolkingsgroei. Om de welvaart per hoofd
van de bevolking op peil te houden, is het noodzakelijk dat:
A. De inflatie hoger is dan de economische groei.
B. De economische groei minstens gelijk is aan de bevolkingstoename.
C. De productiecapaciteit wordt verlaagd om de schaarste te beperken.
D. De wisselkoers de waarde van de eigen valuta versterkt.

Vraag 2
De Europese Centrale Bank (ECB) kan de inflatie indirect beïnvloeden via de
rente. Welk instrument gebruikt de ECB om banken te dwingen de
rentetarieven van de ECB te volgen?
A) Het vaststellen van de kapitaalmarktrente.
B) Het opleggen van een reserveverplichting.
C) Het manipuleren van de Euribor.
D) Het direct verhogen van de consumptieprijsindex.

Vraag 3
Wanneer een bank besluit een emissie te ‘overnemen’, wat is dan het directe
gevolg voor de uitgevende instelling?
A. Het risico op een mislukte plaatsing wordt vergroot.
B. De bank fungeert enkel als betaalkantoor zonder risico.
C. Het risico van de uitgevende instelling wordt verkleind.
D. De koers van de effecten wordt direct na de emissie gestabiliseerd.

Vraag 4
In een order-driven marktsysteem wordt de koers primair bepaald door:
A. De bied- en laatprijzen die door professionele dealers worden afgegeven.
B. Het tegen elkaar uitvoeren van de orders van beleggers op basis van vraag
en aanbod.
C. De prijsstelling van een centrale tegenpartij.
D. De adviezen van de toezichthouder.

Vraag 5
In de dagbladen wordt gemeld dat de beurs de vorige dag ‘flauw’ was
gestemd. Wat betekent deze term voor de koersontwikkeling?
A. De koersen waren over het algemeen gestegen ten opzichte van de dag
ervoor.
B. De koersen waren over het algemeen gedaald ten opzichte van de dag
ervoor.
C. De koersen bleven gedurende de hele dag exact gelijk.

,C. De koersen bleven gedurende de hele dag exact gelijk.
D. Er was een zeer grote handelsomzet, maar de prijzen waren onzeker.

Vraag 6
Wat is een essentieel verschil tussen een bankdeposito en een
geldmarktpapier?
A. Een deposito is verhandelbaar op de beurs, een geldmarktpapier niet.
B. Een geldmarktpapier is verhandelbaar, terwijl een deposito niet
verhandelbaar is.
C. Deposito‘s hebben altijd een looptijd van meer dan twee jaar.
D. Geldmarktpapier wordt alleen uitgegeven door de centrale overheid.

Vraag 7
Een belegger heeft een bedrag C uitgezet tegen een rendement r. Wat is de
formule voor de eindwaarde na n jaar, uitgaande van samengesteld
rendement?
A. eindwaarde = C x (r x n)
B. eindwaarde = C x (1 + r)^n
C. eindwaarde = C / (1 + r)^n
D. eindwaarde = C x (1 + n x r)

Vraag 8
Een belegger zet €100.000 in tegen een rendement van 5% per jaar. Wat is
de eindwaarde van dit vermogen na 3 jaar, uitgaande van samengesteld
rendement?
A. €115.000
B. €115.500
C. €115.762,50
D. €116.250

Vraag 9
Een vennootschap geeft nieuwe aandelen uit. De nominale waarde van één
aandeel bedraagt € 2,50, maar de uiteindelijke uitgiftekoers wordt vastgesteld
op € 6,00. Hoe wordt het verschil van € 3,50 per aandeel op de balans van de
onderneming verantwoord?
A. Als nettowinst in de winst-en-verliesrekening.
B. Als agioreserve onder het eigen vermogen.
C. Als kortlopende schuld aan de nieuwe aandeelhouders.
D. Als goodwill aan de actiefzijde van de balans.

Vraag 10
Wat is het effect van een zeer lage rente op de kapitaalmarkt op de
aantrekkelijkheid van aandelen met een hoog dividendrendement?
A. Het dividendrendement wordt minder aantrekkelijk vergeleken met de
rente.
B. Het dividendrendement wordt relatief aantrekkelijker vergeleken met de
rente.
C. De koers van het aandeel zal direct dalen door de lage rente.
D. Er is geen verband tussen de kapitaalmarktrente en het
dividendrendement.

, D. Er is geen verband tussen de kapitaalmarktrente en het
dividendrendement.

Vraag 11
Een onderneming verhoogt haar pay-out-ratio aanzienlijk. Welk signaaleffect
kan dit hebben op de markt?
A. De markt interpreteert dit als een teken dat het management de toekomst
minder goed ziet aankomen.
B. De markt interpreteert dit als een teken dat de onderneming niet meer kan
groeien.
C. De markt interpreteert dit als een teken dat het management vertrouwen
stelt in de toekomst.
D. De markt interpreteert dit als een teken dat er een tekort aan kapitaal is.

Vraag 12
Een belegger bezit een lening met een nominale waarde van € 1.000,-. De
conversieverhouding is vastgesteld op 50 aandelen per obligatie. Wat is de
conversiekoers per aandeel?
A. € 5.000,-
B. € 1.000,-
C. € 20,-
D. € 0,05

Vraag 13
Een optie op het aandeel Heineken heeft een noteringseenheid van € 2,50.
De handelseenheid van deze optie is 100 aandelen. Wat is the totale premie
die een koper moet betalen voor één optiecontract?
A. € 2,50
B. € 25,00
C. € 250,00
D. € 2.500,00

Vraag 14
Wat is het theoretische effect van een stijging van de rentestand op de
optiepremies?
A) De premie van de calloptie stijgt en de premie van de putoptie daalt.
B) De premie van de calloptie daalt en de premie van de putoptie stijgt.
C) Beide premies stijgen.
D) Beide premies dalen.

Vraag 15
Een belegger heeft een portefeuille van 1.000 aandelen ABC met een huidige
koers van € 23. Hij koopt tien putopties met een uitoefenprijs van € 20 om zijn
koersrisico te beperken. De premie voor deze opties bedraagt € 0,15 per
noteringseenheid (totaal € 150). Op de uitoefendatum is de koers van het
aandeel gezakt naar € 18. Wat is het totale vermogen van de belegger na
uitoefening van de opties (inclusief de aandelen, de waarde van de opties en
de betaalde premie)?
A) € 18.000
B) € 19.850
C) € 20.150

Documentinformatie

Geüpload op
3 oktober 2026
Aantal pagina's
16
Geschreven in
2026/2027
Type
Tentamen (uitwerkingen)
Bevat
Vragen en antwoorden
€14,95

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
ezx
Verkocht
0
Volgers
0
Items
2
Laatst verkocht
-


Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen