LES 1 – INLEIDING IN DE PSYCHOLOGIE
Het begrip psychologie omschrijven
Etymologie: psyché (geest) + logos (wetenschap) = de wetenschap van de geest/het brein.
Definitie: psychologie is de wetenschappelijke studie van het gedrag én de mentale activiteiten van het individu.
Psychologie richt zich niet alleen op afwijkend gedrag (zoals psychose, depressie of crimineel gedrag), maar op
gedrag in de brede zin. Als gedragswetenschap kijkt de psychologie zowel naar de persoon zelf als naar zijn
omgeving – factoren bij het individu én de directe omgeving spelen allebei een rol.
Verschil met intuïtieve kennis:
Intuïtieve kennis Psychologie als wetenschap
Basis Ervaringen uit het dagelijks leven Objectieve, empirische data
Methode Informeel, subjectief Wetenschappelijke methodes
Geldigheid Persoonlijk, cultureel bepaald Intersubjectief controleerbaar
Verwante wetenschappen:
- Biologie: hoe lichaamsprocessen gedrag bepalen (bv. neurologie)
- Sociologie: hoe gedrag samenhangt met de maatschappelijke context
- Psychologie: focust op het individu, op de grens van biologie en sociologie
Klassieke voorbeeld: Phineas Gage (1848) – een staaf doorboorde zijn schedel en veranderde zijn persoonlijkheid
drastisch, wat aantoonde dat de hersenen gedrag bepalen.
De psychologie als wetenschap definiëren
Psychologie is een empirische wetenschap: kennis wordt opgebouwd via gemeten data, niet via intuïtie of
meningen.
Kernprincipes:
Principe Uitleg
Objectiviteitsbeginsel Geen persoonlijke interpretatie; iedereen kan
hetzelfde vaststellen
Intersubjectiviteit Verschillende waarnemers komen tot dezelfde
conclusie
Systematische observatie Representatieve steekgroepen, voldoende aantal
observaties
Gecontroleerde experimenten Stoorzenders worden uitgeschakeld door
omstandigheden te controleren
Methodes om gedrag te bestuderen:
Observatie (naturalistisch, participerend), interview (gestructureerd, semi-gestructureerd, ongestructureerd),
vragenlijsten, fysiologische metingen (hersenscans, bloeddruk, pupilverwijding), gestandaardiseerde
psychologische tests, gebruik van databanken.
Wetenschap vs. pseudo-wetenschap:
Echte wetenschap is toetsbaar, haalbaar en weerlegbaar. Pseudo-wetenschap (bv. astrologie, grafologie) mist
deze eigenschappen – claims kunnen niet empirisch worden getest of weerlegd.
,Mijlpaalonderzoeken en bevindingen
Periode Stroming Kernfiguur(en) Centrale idee
1879 Structuralisme Wilhelm Wundt Eerste psychologisch
laboratorium;
bewustzijn analyseren
via introspectie
Eind 19e eeuw Functionalisme William James Niet wát het
bewustzijn is, maar
waarvoor het dient
(functie, aanpassing)
~1900 Psychoanalyse Sigmund Freud Onbewuste drijfveren,
vroegkinderlijke
ervaringen, driften (id,
ego, superego)
~1913 Behaviorisme John B. Watson, B.F. Alleen waarneembaar
Skinner gedrag telt; leren via
conditionering
~1950s Humanistische psychologie Abraham Maslow, Vrije wil,
Carl Rogers zelfactualisatie, de
mens als geheel
~1960s Cognitieve psychologie Ulric Neisser Mentale processen;
denken, geheugen,
taal,
probleemoplossing
~1980s Biologische/Neurowetenschappelijke Diverse Gedrag verklaren
benadering vanuit hersenfuncties,
genetica,
neurochemie
Mijlpaalonderzoeken:
- Pavlov (klassieke conditionering): honden gaan speeksel produceren bij een bel na koppeling met
voedsel
- Skinner (operante conditionering): gedrag wordt gevormd door beloning en straf
- Marshmallow-experiment (Mischel, 1960s): kinderen die beloning kunnen uitstellen, presteren later
beter in het leven → link tussen zelfcontrole en uitkomsten
Hedendaagse stromingen en subdisciplines
Stroming Focus
Biologische benadering Hersenen, genetica, neurochemie als basis voor
gedrag
Psychodynamische benadering Onbewuste processen, vroegkinderlijke ervaringen
(voortbouwend op Freud)
Gedragsmatige benadering Waarneembaar gedrag, conditionering, leren
Cognitieve benadering Mentale processen: denken, geheugen, taal,
besluitvorming
Humanistische benadering Vrije wil, persoonlijke groei, zelfactualisatie
Socioculturele benadering Invloed van cultuur, maatschappij en sociale
omgeving op gedrag
Evolutionaire benadering Gedrag als resultaat van evolutionaire aanpassing
(overleving en voortplanting)
Biopsychosociale benadering Integratie van biologische, psychologische én sociale
factoren
,Psychotherapie = de praktische toepassing van psychologische kennis om psychisch lijden te behandelen.
voorbeelden: cognitieve gedragstherapie (CGT), psychoanalyse, cliëntgerichte therapie.
Subdisciplines binnen de psychologie benoemen
Subdiscipline Studiedomein
Klinische psychologie Diagnostiek en behandeling van psychische
stoornissen
Neuropsychologie Verband tussen hersenfuncties en gedrag
Ontwikkelingspsychologie Psychologische ontwikkeling over de levensloop
Sociale psychologie Invloed van anderen en groepen op gedrag
Gezondheidspsychologie Psychologische factoren bij gezondheid en ziekte
Arbeids- en organisatiepsychologie Gedrag op de werkvloer
Forensische psychologie Psychologie in juridische context
Schoolpsychologie Leren en ontwikkeling in onderwijscontext
Kort onthouden:
Psychologie is de wetenschappelijke studie van gedrag én mentale activiteiten. Het onderscheidt zich van
intuïtieve kennis door objectiviteit, intersubjectiviteit en empirische methoden. De geschiedenis verloopt van
structuralisme (Wundt, introspectie) over behaviorisme (Watson, Skinner, conditionering) en psychoanalyse
(Freud, onbewuste) naar de hedendaagse biopsychosociale benadering. Moderne psychologie integreert
biologische, cognitieve, gedragsmatige en sociale invalshoeken.
, LES 2 DEEL 1 – WAARNEMEN
De kenmerken van de waarneming beschrijven en toepassen
Waarnemen is een complex proces dat plaatsvindt in de hersenen, niet in de zintuigen zelf. Er wordt een lange
weg afgelegd tussen het moment waarop prikkels de zintuigen bereiken en het moment van de eigenlijke
waarneming.
Cognitieve illusies tonen aan dat jouw beeld van de werkelijkheid niet gelijk is aan dé werkelijkheid. Waarnemen
is dus altijd een interpretatie, geen objectieve registratie.
Drie basiskenmerken van waarnemen:
Kenmerk Uitleg Voorbeeld
Adaptatie We nemen iets waar bij het begin Een horloge aan de pols voel je na
en bij het stoppen – een constante een tijdje niet meer
prikkel verdwijnt naar de
achtergrond
Relativiteit We nemen iets altijd waar ten Donker vs. licht; een geluid is luid
opzichte van iets anders – relaties of zacht relatief aan de omgeving
tussen aspecten zijn wat we
eigenlijk waarnemen
Selectiviteit We selecteren uit de stroom van Zwangere vrouwen zien ineens
prikkels wat van belang is – niet baby’s overal; je merkt een nieuwe
alles wordt opgemerkt auto meer op nadat je er zelf een
hebt gekocht
Het proces van de waarneming uitleggen en toepassen
Elk zintuig is anders, maar heeft drie gemeenschappelijke processen:
1. Transductie
Het omzetten van één vorm van energie naar een andere: van zintuiglijke prikkelinformatie naar neurale
impulsen (zenuwimpulsen). Dit gebeurt via sensorische receptoren – gespecialiseerde neuronen in een
zintuig die worden geactiveerd door stimuli.
Belangrijk onderscheid:
Term Definitie Voorbeeld
Gewaarwording (sensatie) Passieve, onbewuste opname van “Het ruikt hier lekker”
zintuiglijke prikkels – op niveau van
de zintuigen
Waarneming (perceptie) Actieve interpretatie en “Wat ruik ik?”
betekenisgeving aan prikkels – in
de hersenen
2. Sensorische adaptatie
Receptorcellen worden minder gevoelig als een stimulus een bepaalde tijd op hetzelfde niveau blijft. Doel:
niet overspoeld worden door alle binnenkomende prikkels.
- Bv: je ruikt de geur in een aula niet meer na een tijdje
- Uitzondering: hoogsensitiviteit – sommige mensen hebben een lager adaptatievermogen en worden wél
overspoeld door prikkels
3. Drempels
Drempel Definitie
De minimale hoeveelheid stimulatie die nodig is om
Absolute drempel een prikkel op te merken