Oefententamen – 50 meerkeuze vragen
Bachelor jaar 3: major Klinische Psychologie, Medische
Psychologie, Ontwikkelingspsychologie en Levenslooppsychologie,
Cognitieve Neuropsychologie, Forensische Psychologie
,1. Een diagnosticus onderzoekt een cliënt met complexe angst- en stemmingsklachten en
past hierbij de netwerkbenadering toe. Welke van de onderstaande redeneringen geeft
de meest accurate toepassing van het concept “centraliteit” weer, rekening houdend met
de psychometrische en methodologische beperkingen van netwerkmodellen?
A. Het centraal geplaatste symptoom activeert de overige nodes in het netwerk
causaal, waardoor de behandeling zich uitsluitend op dit specifieke symptoom
moet richten om het hele netwerk te laten klappen.
B. Een hoge centraliteitsscore indiceert dat een node sterk verbonden is met andere
nodes, maar dit symptoom is niet per definitie de causale oorsprong en kan
eveneens het effect zijn van overige symptomen.
C. Symptomen met een hoge centraliteit weerspiegelen de onderliggende
eenduidige disfunctie van de stoornis, waardoor groepsspecifieke netwerken
naadloos vertaald kunnen worden naar de individuele casus.
D. Centrale symptomen functioneren als bruggen tussen afzonderlijke
stoornisclusters, waardoor activatie van een centraal symptoom automatisch leidt
tot comorbiditeit tussen twee spectra.
2. In het kader van het herziene concept “Problem-Sustaining Patterns” (Voerman et al.,
2025) wordt de klinische en morele normativiteit van mentale stoornissen bekritiseerd.
Wat is de kern van het verschil tussen problem-sustainment en het traditionele concept
van harmful dysfunction (Wakefield)?
A. Problem-sustainment veronderstelt dat een biologische of psychologische
disfunctie noodzakelijk is, maar richt zich uitsluitend op de maatschappelijke
schade die hierdoor ontstaat.
B. Problem-sustainment stelt dat geestelijke gezondheidszorg geïndiceerd is
wanneer een dynamisch patroon het zelfstandig oplossen van een alledaags
probleem duurzaam blokkeert, ongeacht of individuele factoren intrinsiek
dysfunctioneel zijn.
C. Problem-sustainment vervangt alle empirische diagnostiek door een puur
handelingsgericht normativisme waarbij uitsluitend het subjectieve oordeel van
de cliënt bepaalt of er sprake is van een stoornis.
D. Problem-sustainment ziet psychische klachten als uitdrukking van afzonderlijke,
objectief meetbare ziekte-entiteiten die gradueel verschillen van de normale
populatie.
3. Stel dat een diagnosticus het concept “real patterns” (Dennett) gebruikt om reification bij
psychiatrische diagnostiek te voorkomen. Welke uitspraak sluit het beste aan bij deze
benadering?
A. Diagnostische categorieën zijn fysiek aanwezige entiteiten in het brein die met
geavanceerde neuro-imaging objectief en causaal vastgesteld kunnen worden.
B. Diagnostische patronen zijn handige ficties die geen enkele relatie hebben met de
onderliggende werkelijkheid, maar uitsluitend administratief nut dienen.
C. Diagnostische patronen vormen een vorm van mild realisme; ze beschrijven echte
regelmatigheden in gedrag en proces die het verklaren en voorspellen efficiënter
maken, maar bestaan niet als zelfstandige entiteiten.
D. Diagnostische patronen zijn strikt categorische klassen die overlappende
symptoomstructuren uitsluiten om de externe validiteit te waarborgen.