Hoorcollege 1: introductie
Het sociale-netwerkperspectief
Sociale netwerken hebben invloed op vrijwel ons hele leven, ook wanneer we ons daar niet
bewust van zijn. Het belangrijkste idee achter het netwerkperspectief is dat je gedrag en
uitkomsten niet alleen kunt verklaren door naar kenmerken van één persoon te kijken. Je
moet ook kijken naar de relaties van die persoon met anderen en de positie die iemand
inneemt binnen een netwerk.
Sociale netwerken
Sociale netwerken gaan over hoe nodes via ties verbonden zijn, gevisualiseerd in een
network graph, en de onderliggende gegevens kunnen worden weergegeven in een
adjacency matrix of lijst.
Een sociaal netwerk is een sociale structuur waarin
verschillende nodes met elkaar verbonden zijn door ties. Een
node is een actor, bijvoorbeeld een persoon, team,
organisatie of land. Een tie is de verbinding of relatie tussen
twee van die actoren. Denk bijvoorbeeld aan vriendschap
tussen twee personen, samenwerking tussen twee
organisaties of contact tussen twee studenten.
Zo'n netwerk kun je op verschillende manieren weergeven.
De meest herkenbare vorm is een network graph: Dat is de
visuele weergave waarbij de nodes als punten of cirkels worden getekend en de ties als lijnen
of pijlen tussen die punten. Hierachter zit data. Die netwerkdata kunnen onder andere
worden opgeslagen in een adjacency matrix. Dat is een tabel waarin alle nodes zowel in de
rijen als in de kolommen staan. Vervolgens geef je met bijvoorbeeld 0 en 1 aan of twee
nodes met elkaar verbonden zijn.
Stel bijvoorbeeld dat je wilt verklaren waarom de ene docent beter wordt gewaardeerd dan
een andere docent. Vanuit een conventioneel perspectief zou je vooral naar eigenschappen
van de docent zelf kijken. Misschien heeft de docent meer ervaring, een prettiger
stemgeluid, een betere opleiding of training, een lagere werkdruk of meer aandacht voor
studenten. Het uitgangspunt is dan dat verschillen tussen personen worden veroorzaakt door
hun individuele kenmerken.
➔ Het netwerkperspectief voegt daaraan toe: Misschien wordt een docent anders
gewaardeerd doordat diegene contact heeft met vooruitstrevende collega’s, via
anderen toegang heeft tot bepaalde kennis, een goede band heeft opgebouwd met
, studenten, steun krijgt van collega’s of via het netwerk een bepaalde status kan
behouden. De verklaring zit dan dus niet uitsluitend in de persoon, maar ook tussen
personen.
Netwerken bieden daardoor zowel mogelijkheden als limitaties (beperkingen). Via
theorieën over sociaal kapitaal kunnen sociale netwerken bijvoorbeeld helpen verklaren
waarom mensen verschillen in gezondheid, welzijn, sociale cohesie, creativiteit,
carrièremogelijkheden en studiesucces. Tegelijkertijd probeert netwerktheorie te verklaren
waarom bepaalde verbindingen tussen actoren ontstaan. Daarbij zijn onder andere
homofilie, preferential attachment en het balanceren van relaties belangrijk.
Homofilie: “birds of the same feather flock together”: mensen met vergelijkbare kenmerken
hebben een grotere kans om met elkaar verbonden te raken.
Preferential attachment geldt meer het principe “winner takes all”: actoren die al veel
verbindingen hebben, kunnen juist daardoor gemakkelijker nog meer verbindingen krijgen.
Daarnaast proberen mensen hun relaties vaak zo te organiseren dat er een bepaalde balans
of harmonie ontstaat. Het balanceren van relaties, laten we harmonie bewaren.
Een belangrijk probleem bij het bestuderen van overeenkomsten binnen sociale netwerken is
dat clustering verschillende oorzaken kan hebben:
Induction: verbonden personen beïnvloeden elkaar: gedrag, ideeën of normen kunnen zich
als het ware door een netwerk verspreiden.
Homophily: vergelijkbare mensen zoeken elkaar op.
Confounding: mensen hebben overeenkomstige ervaringen of omstandigheden waardoor zij
zowel vergelijkbaar gedrag vertonen als met elkaar verbonden raken. Dat onderscheid is
belangrijk: wanneer vrienden op elkaar lijken, betekent dat dus niet automatisch dat de ene
vriend de andere heeft beïnvloed.
Kernconcepten van netwerken: nodes en ties
,Een sociaal netwerk bestaat uit nodes die met elkaar verbonden kunnen zijn. Een node is
datgene wat je onderzoekt als actor in het netwerk. Andere woorden voor node zijn daarom
actor en vertex. In een network graph worden nodes meestal weergegeven als bolletjes of
punten (zoals de blauwe bolletjes op de dia)
Een node hoeft niet perse een mens te zijn, het kan ook bijvoorbeeld dieren, teams,
organisaties of landen zijn. Stel dat je onderzoek doet naar vriendschappen tussen
studenten. Dan is iedere student één node. Onderzoek je juist samenwerkingen tussen
bedrijven? Dan is ieder bedrijf een node etc.
Node = de actor/eenheid die onderdeel is van het netwerk.
Op zichzelf zegt een verzameling nodes alleen nog niet zoveel. Als je bijvoorbeeld vijf
studenten als vijf bolletjes tekent, weet je alleen dat die vijf studenten bestaan. Je weet nog
niet hoe zij sociaal met elkaar verbonden zijn. Daarvoor hebben we de tweede bouwsteen
nodig: de ties.
Een tie is de verbinding tussen twee nodes. Andere woorden die hiervoor gebruikt worden
zijn relatie, verband en edge. In een network graph zijn de nodes dus de bolletjes en zijn de
lijnen tussen de bolletjes de ties.
Voorbeeld
Lisa en Noah zijn allebei nodes. De vriendschap tussen hen is de tie. Een lijn tussen twee
personen kan allerlei verschillende dingen betekenen. Daarom moet je als onderzoeker
bepalen wat je precies als een tie beschouwt. Ofterwijl → “Ties kan je op verschillende
manieren operationaliseren.”
Operationaliseren betekent hier: precies bepalen wat je in je onderzoek meetelt als een
verbinding tussen twee nodes.
, Hier zijn vier mogelijkheden voor:
1. Gedeelde eigenschap
Twee nodes kunnen verbonden worden omdat ze iets gemeenschappelijk hebben.
Stel dat je studenten onderzoekt. Je zou twee studenten met elkaar kunnen verbinden
wanneer ze dezelfde opleiding volgen. Of je verbindt mensen wanneer ze lid zijn van dezelfde
vereniging. Het hoeft dus niet te betekenen dat
2. Relatie
Een tie kan ook een daadwerkelijke sociale relatie tussen twee actoren voorstellen.
→ Vrienden, familie, romantische relaties, adviesrelaties of conflicten. Welke betekenis de
lijn heeft, hangt af van wat de onderzoeker als relatie heeft gedefinieerd.
3. Interactie
Je kunt mensen ook met elkaar verbinden omdat zij daadwerkelijk iets met elkaar doen of
contact met elkaar hebben.
4. Flow
Bij een flow kijk je naar iets dat van de ene node naar de andere wordt overgedragen, zoals
informatie, kennis of geld dat van persoon A naar persoon B gaat. Het is belangrijk dat er iets
door het netwerk beweegt.
Ties verschillen in hun vorm. De verschillende vormen van Ties:
Directed tie: heeft een richting en is dus asymmetrisch. Actor A kan bijvoorbeeld aangeven
dat B een vriend is zonder dat B hetzelfde over A aangeeft.
Undirected tie: is symmetrisch. De verbinding wordt niet in één specifieke richting
weergegeven.
Reciprocal tie: ontstaat wanneer een directed tie in beide richtingen bestaat. A kiest B én B
kiest A; de relatie is dan wederkerig.
Binary tie: er wordt alleen aangegeven of een verbinding wel of niet bestaat: meestal
weergegeven als 1 of 0.
Valued tie: hier wordt ook de sterkte van de relatie – tie strength – meegenomen. In een
netwerkvisualisatie kan een sterkere relatie bijvoorbeeld met een dikkere lijn worden
weergegeven.
Een tie kan een bepaalde valentie hebben: een relatie kan positief of negatief zijn.
Vriendschap kan bijvoorbeeld een positieve tie zijn, terwijl conflict of vijandschap een
negatieve tie kan vormen.