Radiotherapie is therapie d.m.v. ioniserende straling, dit komt vooral bij
kwaadaardige tumoren voor. Voorafgaand worden er een diagnose gesteld en CT-
scans gemaakt.
Er zijn drie soorten radiotherapie.
- Uitwendige bestraling (teletherapie) dit gebruiken wij (lineaire versneller)
- Inwendige bestraling (brachytherapie)
- Intra Operatieve bestraling (IORT) voor tijdens een operatie.
Radiotherapie werkt met megavolt straling. Radiotherapie wilt kwaadaardige
kankercellen doden (hoge dosis) maar het gezonde weefsel sparen (lage dosis).
Soms heel lastig als de tumor op een complexe plaats ligt.
Behandeling o.a. gebaseerd op TNM-classificatie.
T-Tumor (grootte)
N-Nodus (ofwel lymfeklier)
M-Metastasen (uitzaaiingen)
De N kan ook een waarde hebben N-1, N-2, enz. Hoe hoger het cijfer, hoe meer
lymfeklieren zijn aangetast. M-waarde is altijd 0 of 1.
Opzet van de behandeling:
- Curatief (gericht op genezing)
o Geen tekenen van uitzaaiingen
o Er bestaat een kans dat alle tumorcellen vernietigd kunnen worden
o Meerdere bestralingsbundels
o Behandelen van de tumor en het sparen van gezond weefsel komt
kritischer, vaak met geavanceerdere technieken.
o 20-35x bestralen (vaker kleine beetjes zodat gezond weefsel tijd heeft
om te herstellen)
- Palliatief (behandeling van klachten)
o Tumor of lymfeklier bloedt en/of andere lymfevaten dichtdrukt.
o Tumor is uitgezaaid waardoor genezing niet meer mogelijk is.
o Een of twee bestralingsbundels
o Sparing omliggende organen is minder belangrijk, eenvoudige techniek.
o 1-5x bestralen (hoge dosis in één keer)
De route op een RT-afdeling
- Intake WGBO (wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst),
acties voor arts en patiënt. De diagnose is al gesteld.
- Moulage (optioneel) patiënt krijgt een masker op zodat hij/zij niet beweegt
en daarop staan hulplijntjes voor tijdens de behandeling.
- CT-scan houding moet altijd hetzelfde blijven, wordt met lijntjes voor
gezorgd. Er wordt aangegeven waar de tumor zit, de kritische organen
, - Planning er wordt een planning gemaakt. Wordt er palliatief of curatief
bestraalt. Bepalen van de dosis in tumorgebied, in gezonde weefsel en kritieke
organen.
- Bestraling gebeurd met een lineaire versneller.
- Follow up controleren, bij palliatief vaker telefonisch en bij curatief vaker per
jaar.
Wie werken er?
- MBB’er (je positioneert de patiënt en maakt de scan, plant en overlegt met de
radiotherapeut, voert de behandeling uit, begeleidt de patiënt, biedt een
luisterend oor aan en je bent alert op de klachten/voortgang van de patiënt)
- Radiotherapeut (bepaalt welk plan wordt gekozen, is de
eindverantwoordelijke)
- Klinisch fysicus (technisch, zijn verantwoordelijk voor de apparatuur)
- Doktersassistent (verband of zalfje)
- Diëtiste (krijgen last van eten door de bestraling dus geeft advies)
- Administratief medewerkster (administratie)
- Maatschappelijk werkster (voor extra zorg, praktisch of om hun verhaal kwijt te
kunnen)
https://padlet.com/i_dijckmans/1GHwRT1_OP1
Lineaire versneller:
- Uit de ronde kop komen de fotonen/elektronen.
- In de arm van de lineaire versneller worden de deeltjes versneld.
- Achter de lineaire versneller, achter de muur, vind je de rest van de versneller.
- De kamer die wordt gebruikt tijdens het bestralen is een soort bunker. De
muren zijn heel erg dik, wel 2 meter dik van beton. Dit doen we omdat de
megavolt straling overal doorheen kan, ook door muren.
- Vaak is de uitgang een lange kromme gang, omdat straling niet om een
hoekje kan.
- De patiënt ligt altijd alleen, omdat de laborant anders de straling ook binnen
krijgt.
- Er wordt geen kleding gedragen tijdens het bestralen vanwege de laserlijnen.
- Laserlijnen geven isocentrum (vast punt in de ruimte) aan. Dit isocentrum
wordt uitgedrukt in een x, z en y richting.
- Focus: de plek waar de fotonen uit de kop komen.
- SSD: liniaal om focus en isocentrum te bepalen.
- De afstand tussen je focus en isocentrum is exact 100 cm.
- FHA/SSD: de afstand van de focus tot de huid. (SourceSkinDistance)
- FIA/SAD: de afstand van de focus tot het isocentrum. (SourceAccesDistance)
,1.1cRT2 PDD
Doel radiotherapie:
- Een door de arts bepaald bestralingsdosis afgeven in een bepaald volume
(doelgebied) d.m.v. fotonen en daarmee genezen. Ideaal beeld:
o In tumor komt de gewenste hoeveelheid straling
o Omliggende weefsel blijft gespaard.
Wat is PDD?
- PDD = procentuele dieptedosis langs de centrale as.
- Hoe dieper in het lichaam, hoe minder procent PDD er over blijft. Dus vlak
onder de huis bevindt zich de hoogste dosis straling.
- Dmax = 100% (rood rondje)
o Eerst zal de straling toenemen, tot het
Dmax, daarna zal de straling weer
afnemen.
o Voor Dmax toename dosis =>
elektronenevenwicht
o Na Dmax afname dosis => verzwakking
Verzwakking door weefsel
Kwadratische afname intensiteit
Elektronenevenwicht:
- Fotonen geven niet direct energie af. Omdat er in de lucht geen interacties
zijn, is er in de eerste paar millimeter geen energieafgifte. Daarom komt er aan
het huidoppervlakte van de patiënt geen dosis binnen.
- Door ionisaties via elektronen
- Afstand tussen ionisatie en dosis.
dosis in punt p
PDD (d,r,f ) = × 100
dosis in d max
P is een willekeurig punt in het lichaam in de diepte van de
patiënt.
Bundelas focus --- isocentrum
Centrale as focus --- geometrische midden
Bij asymmetrische velden zijn de bundelas en centrale as
niet hetzelfde. Bij symmetrische velden zijn de bundelas en centrale as hetzelfde.
Diepte patiënt wordt op de x-as gezet en de procentuele diepte dosis die je kan
aflezen wordt op de y-as gezet. De PDD neemt steeds verder af wanneer je dieper in
het lichaam zit.
, Filmdosimetrie:
Zwarting op film omzetten in waardes en getallen. Fantoom van perplex platen met
film: zwarting dosis.
Straling wordt omgezet in zwarting. Hoe zwarter het plaatje, hoe hoger de dosis.
Hoe hoger de energie, hoe dieper de straling komt, hoe minder de straling naar de
zijkant strooit. Elektronen zijn minder sterk dan fotonen, dus komen ook minder diep,
en trekken meer naar de zijkant.
Metingen hebben aangetoond dat de PDD afhankelijk is van:
1. Energie van de straling
• Hogere energie voorwaartse en schuinvoorwaartse strooiing
• Lagere energie zijwaartse en terugstrooiing (backscatter).
Backscatter krijg je als je de breedte ingaat, dan heb je minder
energie om dieper te gaan.
2. Diepte meetpunt
3. Veldgrootte
4. Veldvorm
5. FHA (“kwadratenwet”)
6. Filter
7. Weefsel => dikte en densiteit
Het medium is ook bepalend voor de interactie. De fotonenbotsing is dus verschillend
per medium. Diepte is hiervoor belangrijk, en de locatie van de tumor. Je ziet bijv. bot
niet terug in je dosisberekening, dus je mag er niet vanuit gaan dat bot meer straling
tegenhoudt.
Fotonenbotsing verschillend per medium:
- Vet
- Water
- Bot
- Lucht minder absorptie, minder botsingen, opnieuw elektronen evenwicht
bereiken in achterliggend weefsel. (weinig atomen dus weinig interactie). Als
er veel lucht om een tumor zit, is deze lastig te bestralen.