How to interpret a philosophical text
Om een filosofische tekst te begrijpen moet je twee vragen kunnen
beantwoorden:
1) Wat zegt de auteur? Oftewel: wat wil hij of zij dat je gelooft?
Om deze vraag te beantwoorden, moet je de stelling (thesis) van de
auteur identificeren. Er kunnen ook meerdere stellingen in de tekst staan,
maar behandel er één tegelijk. Een stelling is een bewering over wat de
auteur de lezer wil laten aannemen als de werkelijkheid. De stelling kan
ook meerdere betekenissen/uitleg hebben.
2) Hoe verdedigt de auteur zijn of haar standpunt? Welke
redenen geeft hij of zij om aan te nemen dat dit standpunt
juist is?
Om vraag twee de beantwoorden moet je het argument van de auteur
identificeren. Een argument, in de betekenis die binnen kritisch denken
wordt gebruikt, is een verzameling uitspraken die samen goede redenen
geven om iets te geloven. De redenen worden ‘premissen’ genoemd.
Datgene waarvoor de redenen worden gegeven, is de ‘conclusie’. Elke
uitspraak, premise of conclusie mag niet langer zijn dan één korte zin.
Er zijn twee soorten uitdrukkingen:
Uitdrukkingen die op een conclusie wijzen (CIE)
Uitdrukkingen die op een premisse wijzen (PIE)
Wanneer je een CIE ziet, betekent dit dat er een premisse aan voorafgaat
en dat er een conclusie op volgt.
Wanneer je een PIE ziet, betekent dit waarschijnlijk dat er een conclusie
aan voorafgaat en dat er een premisse op volgt.
H14. Punishment
I. Het probleem van straffen
Wanneer de staat iemand straft die voor een misdrijf is veroordeeld, legt
hij die persoon een vorm van ontbering, lijden of harde behandeling op:
geldboetes, gevangenisstraf of misschien de dood. Dit zou doorgaans
worden beschouwd als een grove schending van diens rechten. Wat maakt
het moreel gerechtvaardigd (toelaatbaar en mogelijk verplicht) voor de
staat om dergelijke harde maatregelen op te leggen aan personen die
voor een misdrijf zijn veroordeeld?
Er bestaat geen algemeen aanvaarde opvatting over wat straf precies is.
In Harts versie wordt ‘het standaard- of centrale geval van straf’
omschreven aan de hand van vijf elementen:
1. De straf moet pijn of andere gevolgen met zich meebrengen die
normaal gesproken als onaangenaam worden beschouwd.
2. De straf moet worden opgelegd aan een daadwerkelijke of
vermeende overtreder vanwege zijn overtreding.
3. De straf moet worden opgelegd aan een daadwerkelijke of
vermeende overtreder vanwege zijn overtreding.
, 4. De straf moet opzettelijk worden opgelegd door andere mensen dan
de overtreder zelf.
5. De straf moet worden opgelegd en uitgevoerd door een autoriteit die
is ingesteld door het rechtsstelsel waartegen de overtreding is
begaan.
Hoewel deze definitie algemeen wordt aanvaard, is zij te ruim. Volgens
deze definitie zou bijvoorbeeld ook uitzetting en aansprakelijkheid uit
onrechtmatige daad wegens nalatigheid per se als straf moeten worden
beschouwd. Noch uitzetting, noch civielrechtelijke aansprakelijkheid wordt
normaal gesproken als straf beschouwd.
Filosoof Joel Feinberg stelt dat Haart een belangrijk bestanddeel van
juridische bestraffing weglaat, namelijk:
6. De straf moet uitdrukking geven aan afkeuring, verontwaardiging,
veroordeling of morele afwijzing door de samenleving van het
strafbare feit van de dader.
De kern van straf bestaat uit het opleggen van gevolgen die in het
algemeen als pijnlijk of belastend worden beschouwd aan iemand van wie
is vastgesteld dat hij de wet heeft overtreden, als een veroordelende
reactie op die overtreding door personen die wettelijk bevoegd zijn om
deze gevolgen op te leggen.
Pogingen om de vraag (wat straf rechtvaardigt) te beantwoorden wordt
verdeeld in twee categorieën: consequentialistische en retributieve
theorieën.
Consequentialisme (aanhangers van de gedachte dat je een handeling
beoordeelt op basis van de gevolgen ervan) is straffen vanwege het effect.
Volgens consequentialisten is straf op zichzelf eigenlijk iets slechts: je doet
iemand bewust pijn, ontneemt vrijheid of legt een boete op. Dat mag
alleen als de straf goede gevolgen voor de toekomst heeft.
Die goede gevolgen kunnen op verschillende manieren ontstaan:
- Algemene afschrikking
Anderen zien dat iemand wordt gestraft en denken ‘dat risico wil ik niet
lopen’. Hierdoor plegen ze hopelijk geen misdrijf.
- Specifieke afschrikking
De dader zelf wordt zo afgeschrikt door zijn straf dat hij niet opnieuw de
fout in gaat.
- Rehabilitatie
De dader wordt veranderd of geholpen, bijvoorbeeld door behandeling of
begeleiding, zodat hij geen criminaliteit meer wil plegen.
- Incapacitatie
Voorkomen dat iemand überhaupt opnieuw een misdrijf kan plegen,
bijvoorbeeld door iemand gevangen te zetten.
- Normatieve validatie
Door iemand te straffen laat de samenleving zien dat een bepaalde norm
nog steeds belangrijk is. Bijvoorbeeld: door geweld streng te bestraffen
bevestigd de overheid dat geweld tegen anderen onacceptabel is.
,Retributivisme is straffen omdat iemand het verdient (een intrinsieke
goede reactie op crimineel gedrag). Zij kijken niet in de eerste plaats naar
de toekomstige gevolgen, maar naar wat de dader in het verleden heeft
gedaan. De gedachte is misdaad schuld verdiende straf. Straf kan
intrinsiek goed zijn, omdat zij bijvoorbeeld:
- Het misdrijf als het ware ‘ongedaan maakt’ of neutraliseert;
- Een juiste balans tussen voordelen en lasten binnen de samenleving
herstelt;
- Een passend moreel oordeel over het handelen van de crimineel
uitdrukt;
- Of de crimineel geeft wat hij of zij verdient.
Volgens deze theorieën wordt straf niet gerechtvaardigd door de
toekomstige gevolgen ervan, maar doordat de straf in een passende
verhouding staat tot het eerder gepleegde strafbare feit van de dader.
II. Consequentialisme en de bezwaren daartegen
De bezwaren van de consequentialistische theorie zijn onder bepaalde
omstandigheden zowel het straffen van onschuldigen als het niet straffen
van schuldigen aanvaarden. Dit zou men het argument van de
slecht/ongelijk verdeelde straf (maldistributed punishment) kunnen
noemen. Ten slotte zouden consequentialistische theorieën ertoe leiden
dat mensen worden ‘gebruikt’ als middel, zonder voldoende rekening te
houden met hun positie als autonome en rationele personen.
Slecht/ongelijk verdeelde straf
Stel dat er een niet-bestraffende methode wordt ontwikkeld die veel
minder kost dan een traditionele straf (zowel in geld als menselijk lijden)
en tegelijkertijd effectiever is in het verminderen van criminaliteit. Een
consequentialist zou dan de traditionele straf moeten willen vervangen
door dit nieuwe systeem, zolang de voordelen ervan maar groot genoeg
zijn. Zo’n verandering zou sterk ingaan tegen de opvattingen van de grote
meerderheid van de mensen, die menen dat de rechtvaardigheid vereist
dat daders van wrede en afschuwelijke misdrijven moeten lijden voor wat
zij hebben gedaan. Een nog verontrustender gevolg van
consequentialistische theorieën is dat er onwaarschijnlijke, maar mogelijke
situaties bestaan waarin het juist zou zijn om bewust een onschuldig
persoon te straffen.
Stel dat een zwarte man een witte vrouw heeft verkracht in een extreem
racistische gemeenschap en dat witte racisten op het punt staan op grote
schaal zwarte mensen te lynchen. Als ik weet dat ik door hem valselijk te
beschuldigen vele levens kan redden, terwijl slechts één persoon wordt
opgeofferd, dan zou het consequentialisme voorschrijven dat ik verplicht
ben ervoor te zorgen dat deze onschuldige man wordt veroordeeld.
Bovendien zou een consequentialistische theorie onder bepaalde
omstandigheden kunnen vereisen dat:
- Extreem wrede straffen worden opgelegd;
, - Straffen worden opgelegd die totaal niet in verhouding staan tot de
ernst van het strafbare feit;
- Of zelfs familieleden van de dader worden gestraft.
Tegenstanders van consequentialisme zal daarin tegenin brengen dat het
al problematisch is om zulke vormen van onrecht als ‘open morele
mogelijkheden’ te beschouwen waarvan de morele aanvaardbaarheid
afhangt van hun verwachte gevolgen.
Reactie van consequentialisten op tegenstanders:
1. Zij betwisten dat we veel waarde moeten hechten aan onze intuïties
over extreem onrealistische en hypothetische situaties; en/of
2. Zij stellen dat de consequentialistische afweging niet moet worden
toegepast op afzonderlijke handelingen, maar op algemene regels of
instituties (rule-consequentialisme). Dus een gewone
consequentialist kan in een extreem geval zeggen: ‘als het straffen
van één onschuldige honderd levens redt, dan kan dat
gerechtvaardigd zijn’. Een rule-consequentialist zegt ‘we moeten
een algemene regel hebben dat onschuldigen nooit worden gestraft,
omdat een samenleving met zo’n regel uiteindelijk betere gevolgen
heeft’.
Het probleem is dat rule-consequentialisme twee ideeën tegelijk wil
vasthouden die kunnen botsen. De regel dat onschuldigen nooit mogen
worden gestraft kan bijvoorbeeld worden gerechtvaardigd omdat die regel
op lange termijn de beste gevolgen heeft voor de samenleving. Toch kan
er theoretisch een uitzonderlijk geval bestaan waarin het straffen van een
onschuldige juist tot betere gevolgen leidt. Als de rule-consequentialist
dan toch vasthoudt aan de algemene regel (onschuldigen nooit straffen),
ontstaat een spanning: de regel is juist gekozen vanwege de gevolgen,
maar leidt in dit specifieke geval tot een slechtere uitkomst. Critici
noemen dit een vorm van “morele schizofrenie”.
Neglecting desert (negeren/verwaarlozen van wat iemand verdient)
Een consequentialist beoordeelt handelingen of praktijken uitsluitend op
basis van hun gevolgen: wat zij in de toekomst zullen of waarschijnlijk
zullen veroorzaken. Wat iemand verdient, wordt daarentegen bepaald
door zijn gedrag in het verleden, los van de toekomstige gevolgen van het
feit dat hij krijgt wat hij verdient.
Of iemand straf verdient, hangt dus af van wat die persoon al heeft
gedaan en niet van de daadwerkelijke of waarschijnlijke gevolgen van het
opleggen van die straf. daarom wordt gesteld: dat wanneer straf
uitsluitend wordt gerechtvaardigd door te verwijzen naar toekomstige
gevolgen, lijkt het begrip ‘verdienen’ zijn betekenis te verliezen.
Volgens Joel Feinberg is het zo dat wanneer we zeggen dat iemand iets
verdient, moet daar een bepaalde grond voor verdienste (desert basis)
voor bestaan. Niet iedere mogelijke reden kan zo’n grond vormen. Dus
niet elke reden waarom je iemand iets geeft of aandoet, betekent dat die