Dit is je samenvatting van HC1–3 en de literatuur van week 1–3, omgezet naar wat je op 30
september letterlijk moet kunnen opschrijven. Per onderwerp staat wat je moet kunnen, welke
begrippen punten opleveren en bij wie ze horen.
Zo scoor je punten
Het antwoordmodel geeft een punt per genoemd element. Je scoort dus door de juiste begrippen
letterlijk te noemen en ze te koppelen aan een auteur of casus.
Gebruik bij elke vraag deze formule (3 tot 5 zinnen):
1. Definitie van het begrip in eigen woorden.
2. Bij wie of welke stroming het hoort (bijv. DN-model = Hempel, logisch positivisme).
3. Toepassing op de casus in de vraag (Comte, Freud, Langeveld, de cursus OdG zelf).
4. Kernwoorden uit het antwoordmodel expliciet opschrijven (tijdschriften, leerstoelen,
erkenning, grensbewaking).
Let op bij vraagwoorden:
“Leg uit” = definitie + waarom/hoe.
“Pas toe” of “is X hiervan een voorbeeld?” = neem een standpunt in (vaak: “in zekere mate”)
en geef argumenten vóór en tegen.
“Bij welke stroming hoort het?” = aparte punt, vergeet hem niet.
1. Filosofische basis (HC1)
Kernboodschap: opvattingen over werkelijkheid, kennis en methode hangen samen en bepalen
welke conclusies een wetenschapper mag trekken.
Moet je kunnen: de drie kernvragen uitleggen en laten zien hoe ze samenhangen; positivisme en
hermeneutiek vergelijken (doel, methode, voor- en nadeel).
De drie filosofische kernvragen
Begrip Vraag Onthoud
Ontologie (zijnsleer) Waaruit bestaat de werkelijkheid? Monisme/dualisme,
reductionisme/holisme
Epistemologie (kennisleer) Wat is kennis en wanneer is die Epistemische claim +
waar en betrouwbaar? rechtvaardiging
Methodologie Met welke methoden verzamel je Elke methode veronderstelt een
kennis? ontologie en epistemologie
ODG Deeltentamen 1 · pagina 1 van 12
, Ontologie
Monisme: één substantie. Spinoza (lichaam en geest zijn vormen van één substantie, geen
vrije wil), Marx (maatschappij = historisch materieel proces), Swaab (denken =
hersenprocessen, geen vrije wil).
Dualisme: lichaam en geest zijn twee substanties. Descartes (contact via pijnappelklier, wél
vrije wil), Chalmers (bewustzijn niet te herleiden tot fysieke processen).
Reductionisme: verklaren vanuit kleinere delen (gedrag vanuit neuronen).
Holisme: verklaren vanuit het grotere geheel (relaties, instituties, cultuur).
Durkheim, social facts: manieren van handelen, denken en voelen die buiten het individu
bestaan en het individu beïnvloeden. De maatschappij is niet te reduceren tot individuen (=
holistisch, anti-reductionistisch).
Paradox van Searle: hoe kan iets objectief bestaan terwijl het alleen bestaat doordat mensen
het samen erkennen? Voorbeeld: geld, huwelijk.
Epistemologie
Epistemische claim = uitspraak die aanspraak maakt op waarheid; heeft rechtvaardiging
nodig, en die rechtvaardiging is zelf weer een claim. Voorbeeld: “vrijwilligerswerk maakt
gelukkig”.
Positivisme vs hermeneutiek
Positivisme Hermeneutiek
Doel Verklaren en voorspellen Begrijpen (Verstehen)
Zoekt naar Causale verklaringen, algemene Intenties, betekenissen,
wetten historische processen
Uitgangspunt Observeerbare feiten, Contingentie: het had anders
natuurwetenschap als voorbeeld kunnen lopen
Methode Experiment, DN-model (frustratie- Casestudy, klinische psychologie,
agressie, bystandereffect) antropologie, discourseanalyse
Voordeel Precisie, controle, vooruitgang Sluit aan bij belevingswereld,
ruimte voor verandering
Nadeel Gedrag is misschien niet volledig Moeilijk controleerbaar, intenties
gedetermineerd niet volledig kenbaar
Methodenstrijd = debat positivisme vs hermeneutiek. Behaviorisme (gedrag volledig
gedetermineerd) tegenover fenomenologie (mens begrijpen vanuit relatie tot de wereld). Weber
en Freud combineerden causaal en historisch. Abma: de tegenstelling wordt overdreven,
combineer beide en werk interdisciplinair.
ODG Deeltentamen 1 · pagina 2 van 12