Ondernemingsrecht
RECHTSPRAKTIJK
VERLINDEN SELINA
,Inhoudstafel
Hoofdstuk I Begrippen en algemene regelen ...........................................................................................2
1.1 Ondernemingsrecht en economisch recht ........................................................................................................... 2
1.2 handelaars en ondernemingen ............................................................................................................................ 2
1.3 Bronnen van het ondernemingsrecht .................................................................................................................. 4
1.4 Algemene beginselen van economisch recht ....................................................................................................... 7
1.5 Algemene regels voor ondernemingen ................................................................................................................ 8
Hoofdstuk II: Vennootschappen en verenigingen .................................................................................. 20
2.1 Vennootschap .................................................................................................................................................... 21
2.2 Vereniging .......................................................................................................................................................... 27
2.3 Stichting.............................................................................................................................................................. 27
2.4 Geschillenregeling voor vennoten...................................................................................................................... 28
Hoofdstuk III Enige handelsovereenkomsten ......................................................................................... 32
3.1 Handelstussenpersonen en distributiecontracten ............................................................................................. 32
3.2 Overeenkomsten met betrekking tot de handelszaak ....................................................................................... 62
3.3 Handelshuur ....................................................................................................................................................... 72
3.4 Elektronische handel .......................................................................................................................................... 80
Hoofdstuk VI — Recht van de intellectuele eigendom ........................................................................... 84
6.1 Begrip en algemene kenmerken ........................................................................................................................ 84
6.2 Auteursrecht ...................................................................................................................................................... 85
6.3 Naburige rechten ............................................................................................................................................... 87
6.4 Auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma’s............................................................................ 88
6.5 Bescherming van databanken ............................................................................................................................ 88
6.6 Octrooirecht ....................................................................................................................................................... 88
6.7 Merkenrecht....................................................................................................................................................... 91
6.8 Tekeningen- en modellenrecht .......................................................................................................................... 94
6.9 Specifieke beschermingsregimes ....................................................................................................................... 95
6.10 Handhaving van intellectuele eigendomsrechten ............................................................................................ 97
Hoofdstuk VIII Belgisch economisch recht ............................................................................................. 98
8.1 Algemene situering ............................................................................................................................................ 98
8.2 Belgisch mededingingsrecht............................................................................................................................... 98
8.3 Marktpraktijken en consumentenbescherming ............................................................................................... 105
8.4 Prijsreglementering in België ........................................................................................................................... 135
8.5 Belgisch vestigingsrecht ................................................................................................................................... 141
Hoofdstuk IX: Einde van de handelsactiviteit ....................................................................................... 147
9.1 Boek XX WER: algemene begrippen ................................................................................................................. 147
9.2 Gerechtelijke reorganisatie en overdracht onder gerechtelijk gezag .............................................................. 152
9.3 Besloten gerechtelijke reorganisatieprocedures ............................................................................................. 162
9.4 Overdracht van de onderneming onder gerechtelijk gezag ............................................................................. 163
9.5 Buitengerechtelijk minnelijk akkoord............................................................................................................... 164
9.6 Besloten voorbereiding van het faillissement .................................................................................................. 165
9.7 Faillissement..................................................................................................................................................... 166
9.8 Internationale insolventieprocedures .............................................................................................................. 168
9.9 Collectief akkoord voor grote ondernemingen ................................................................................................ 170
1
,Hoofdstuk I Begrippen en algemene regelen
1.1 Ondernemingsrecht en economisch recht
Ondernemingsrecht regelt de activiteiten van ondernemingen. Het vormt soms een aanvulling op het burgerlijk
recht en wijkt er soms van af.
Economisch recht organiseert de economische activiteit als geheel. Het omvat zowel:
• Economische ordening: rekening houden met het algemeen belang en met de belangen van
concurrenten, tussenpersonen, consumenten en uitvinders.
• Economische sturing: onder meer prijsbeleid en mededingingsbeleid.
De wettelijke definitie van een onderneming is belangrijk voor:
• de toepassing van de insolventiewetgeving in Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht;
• het bewijs in ondernemingszaken volgens artikel 8.11 BW;
• de materiële bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank volgens artikel 573 Ger.W.
1.2 handelaars en ondernemingen
1.2.1 Evolutie van het ondernemingsbegrip
De vroegere begrippen koopman, handelaar en handelsvennootschap kwamen vooral uit het Wetboek van
Koophandel. Deze begrippen zijn grotendeels vervangen door het algemene begrip onderneming in het
Wetboek van Economisch Recht.
De oorspronkelijke definitie van artikel I.1, 1° WER omschreef een onderneming als iedere natuurlijke persoon
of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, evenals zijn verenigingen. Daarbij
waren de volgende elementen van belang:
• de activiteit moest duurzaam of regelmatig zijn;
• een occasionele of sporadische handeling volstond in beginsel niet;
• de rechtsvorm was niet doorslaggevend;
• het was niet noodzakelijk dat er winst werd gemaakt.
De huidige definitie werkt vooral met een formeel en een materieel criterium.
2
, Huidige definitie volgens het WER
Volgens artikel I.1, 1° WER is een onderneming:
• iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
• iedere rechtspersoon;
• iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
Voorbeelden van rechtspersonen zijn onder meer een VOF, CommV, BV, CV, NV en VZW.
Bepaalde organisaties worden echter uitgesloten, tenzij een specifieke wettelijke bepaling anders bepaalt:
• organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk hebben en in feite ook geen
uitkeringen verrichten aan hun leden of aan personen die beslissende invloed uitoefenen op het
beleid;
• publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten op een markt aanbieden;
• de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, provincies, hulpverleningszones, prezones, de
Brusselse agglomeratie, gemeenten, meergemeentezones, binnengemeentelijke territoriale organen,
de Franse, Vlaamse en Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de OCMW’s.
1.2.2 Formeel en materieel criterium
Bij natuurlijke personen is vooral het materiële criterium van belang: de persoon moet zelfstandig een
beroepsactiviteit uitoefenen. Een duurzame of regelmatige activiteit onderscheidt zich van een eenmalige of
sporadische verrichting.
Bij rechtspersonen volstaat in beginsel het formele criterium: het bestaan van de rechtspersoon maakt de
organisatie tot onderneming.
Bij organisaties zonder rechtspersoonlijkheid is belangrijk of er in feite uitkeringen worden verricht. Er moet
een onderscheid worden gemaakt tussen:
• normale voordelen die verbonden zijn aan het lidmaatschap;
• vermomde of andere uitkeringen die wijzen op een uitkeringsoogmerk.
Bij bestuurders moet worden nagegaan of zij persoonlijk een beroepsactiviteit uitoefenen. Het verwerven van
inkomen is niet altijd doorslaggevend. Zo kan een bezoldigde bestuurder van een vennootschap anders worden
beoordeeld dan een onbezoldigde bestuurder van een VZW.
3