Kenmerken van de moderne wetenschap
Inhoudstafel?
•Het beeld van de moderne wetenschap
•Verklaring
•Theorieën
•Veranderingen in de wetenschap
•Reductie en vervanging
•wetenschap als een visie op de wereld
1. Achtergrond van de psychologie: Wetenschap, geschiedenis en psychologie
•Verwondering als basis van filosofie (over vragen) en wetenschap (over natuur)
•Psychologie komt als één v/d laatste wetenschappen los van de filosofie: 19de eeuw
(alle wetenschappen komen voort uit filosofie)
•Psychologie komt voort uit filosofie: wetenschappelijk antwoord op filo vragen
•Menselijke nieuwsgierigheid (iedereen pasgeborenen nieuwsgierig)
•Psyche-logos: studie van de ziel (geest)
•aard van de ziel? functies? relatie met lichaam?
•Eerst filosofische vragen nu empirisch wetenschappelijk = heel ruim
•Ook al kunnen we niet het exacte antwoord weten altijd mee bezig geweest
•Studie van geest >< studie van gedrag = beide deze vraag proberen beantwoorden
•Hoe kennen we de wereld? epistemologie (kennis) = hoe kennis over de wereld tot stand
komt heeft te maken met gewaarwording, perceptie, geheugen, denken
= verschillende domein van w psychologie (cognitieve, motivatie) + toepasbare psychologie
→ raakvlak van psychologie en filo
•Top-down: Deductie, verwachtingen
•Bottom-up: Inductie
•Ethiek/moraalfilosofie: hoe moeten we ons gedragen?
→ afhankelijk van de visie op menselijke aard
•Zijn mensen goed van nature uit?
•JA: Rousseau
•NEE: Puriteinen (opvoeding)
= geen wetenschappelijke vraag, kunnen er wetenschappelijk geen antwoord op
geven, deels beantwoord worden door psychologisch onderzoek
•Wat zijn de menselijke motieven: welke heilzaam, welke te onderdrukken?
•Therapie: impulsen onder controle leren houden vs uiten (vrije expressie),
keuzes die niet sterk wetenschappelijk ondersteunen zijn, DUS cultureel of
context afhankelijke antwoorden (invalshoeken obv smaak, wat je belangrijk
vindt)
→ psycholoog hanteert deontologische/ethische principes (ingaan cliënt)
→ w-neutraal maar moet op juiste doelen worden ingezet: “kennis is macht”
1
, •Zijn mensen van nature sociaal?
•Hoe leiden we een ‘goed’ leven?
= normatieve vragen
•Ethiek in psychologie: gebruiken kennis om gedrag of gevoelens te sturen in bepaalde
richting (soms niet wat client wilt) + hanteert ethisch/deontologische principes
•Wetenschappelijke psychologie: motivatie, emotie, sociaal en seksueel gedrag
•Toegepaste psychologie: overheid, bedrijven, klinisch
•Biologie: inspiratie voor ontstaan van onafhankelijke psychologie
= via fysiologie een meer status van natuurwetenschappen aan psychologie
•Geest wordt gedragen door hersenen, maar ons lichaam doet er ook toe
= embodied cognition (ook lichaam, niet alleen brein)
•Evolutieleer: wat is aanpassingswaarde van de geest? Darwin enorme impact op
wetenschappelijke psychologie → functie geest bij selectie?
•Cognitieve neurowetenschappen boost! Nu vlakt het af maar nog steeds belangrijk
→ want vroeger geen mogelijkheid tot onderzoeken van het brein
2. Beeld van de moderne wetenschap
A) De Newtoniaanse stijl (kijk op w)
•beperkt aantal wetten waarvan geobserveerde regelmatigheden in natuur kunnen
afgeleid worden
•Observeren van feiten
Bv. Zwaartekracht: hoop van empirische feiten
•Newton weigert een verklaring (mechanisme) te verzinnen voor wet van de
zwaartekracht
•Verschil met nu: NU achterliggend mechanisme achterhalen voor zoals waarom,
TOEN metafysische of theologische speculaties zijn geen feiten maar dan moet je
dingen verzinnen (stick to the facts)
•“Ik verzin geen hypothese/hypothese non fingo” = kern positivisme
B) Positivisme (gegeven rechtstreek observeerbaar)
•Comte: observeerbare feiten (descriptie), geen hypothetische verklaringen
= akkoord met positivisme (wetenschap enige bron van ware kennis)
•wetten zijn samenvattingen van observaties, geen essenties of diepere
achterliggende oorzaken van natuur (wetten pas NA observatie)
•Predictie en controle
•Als je wetmatigheden kent kan je bepaalde fenomenen voorspellen of
controleren
bv. social engineering: tussenkomen om werkelijkheid te verbeteren
(= maatschappij kan en moet wetenschappelijk worden georganiseerd
volgens objectieve wetten van sociaal gedrag)
= lijkt op skinner zijn behaviorisme (pragmatische: bruikbaarheid ipv theorie)
•Niet bezig met achterliggende fenomenen, niet causaal wel correlatie
•Comte: ook toepassen op samenleving (sociologie: social engineering)
•We kunnen sociale werkelijkheid manipuleren met een hoger doel
•Populair bij het ontstaan van psychologie (Psychologie toepassen op maatschappij)
2
, Wetenschapsfilosofie 2 benaderingen (allebei belangrijk)
- Context of discovery: Rekening houden met andere zaken (spontaan, creatief, hoe
doen anderen het?) bv. ontdekken hoe wetenschappers te werk gaan speelt een
rol, dus disponetiele termen gebruiken mag
- Context of justification: rechtvaardigen wat goede en slechte w is, regels opleggen
waaraan voldaan moet worden, wetenschappelijke benadering
Bv. Big data: hoe meer je weet en inzicht je hebt = fundamentele fout (je hebt meer nodig net
zoals theorieën en verklaringen
3. Soorten verklaringen
A. Deductief-nomologische verklaring/model (eerder beschrijving dan verklaring)
B. Hermeneutisch begrijpen (kwalitatief vanuit context: valt vanuit wetenschap, maar
belangrijk voor psychologie en geschiedenis want breder denken)
C. Functionele (in biologie en psychologie onmisbaar) en teleologische verklaringen (doel)
D. Causale benadering: achterliggende mechanismen
A. Deductief-Nomologische verklaring (D-N)
= Deductief: Afleiden
= Nomologisch: wetmatigheden
→ enkel beschrijven
•Logisch Positivisme: Wiener Kreis stichters (wfilo in wenen)
•Winterstein en popper onder anderen
•Demarcatie van wetenschap vs. non-wetenschap = “wat is w” duidelijk onderscheid
•Strikte voorwaarden voor theorieën en verklaringen
•Hempel-Oppenheim model (2 LP als opvolging): Deductief model (D-N)
= w verklaringen kunnen gezien worden als logisch argument
•Verklaren (in brede zin) = gebeurtenis onder algemene wet onderbrengen
•Explanans (wat het fenomeen verklaart) vs explanandum (wat verklaart wordt)
→ “explains concludeert tot explanandum"!
•Syllogisme/logische redenering: twee stellingen (premissen) die als absolute
waarheid worden beschouwd + specifieke stellingen + conclusie die daaruit
voortvloeit
bv. WE: metaal zet uit bij hitten, WE: koper is een metaal , Specifiek:
ik heb koper , Specifiek: ik ga het verhitten, Conclusie: het zet uit
bv. WE: Frustratie kan leiden tot agressief gedrag, WE:
voetbalsupporters wie verliezen zijn gefrustreerd
•Explanandum mag niet geïmpliceerd zijn in explanans: circulariteit
•Anders cirkel redenering
Bv. Piet leest zwak omdat hij dislectisch is, afleiden uit leesgedrag of iemand
dyslexie heeft = dus met de zin zeg je dat iemand slecht leest omdat die
slecht leest
Bv. Ze gedraagt zich teruggetrokken omdat ze introvert is
3
, •Verklaren = voorspellen (correlatie vs. Oorzaak voor D-N hetzelfde)
•Pearson zij wetenschap gaat over correlaties/verband
→ Huidige stand van w denkt dit niet
bv. Correlatie van pijnstillers, we kenden niet bijeffecten en achterliggend
mechanisme van hoe het werkten = verschil tussen voorspellen en iets
verklaren
•Volledige vertaalbaarheid van theoretische termen in operationele definities
bv. Intelligentie: meetbaar maken, dus testen maken
bv. behaviorisme wou niet weten van begrip die niet kan operationaliseren
•Verificatieprincipe → confirmatie principe (later uitgelegd)
•alles wat we beweren in w moet geverifieerd kunnen worden a.d.h.v.
empirische data, maar deze eis is onmogelijk vol te houden =
geherformuleerd tot het confirmatie principe
•Instrumentalisme/Operationalisme = heel verwant maar niet hetzelfde
•I: theorie niks meer dan een middel/instrument om werkelijkheid te
beschrijven (D-N) ; het is maar een instrument en niet echt een verklaring =
bv. Skinner → niet kijken naar cognitieve = achterliggend proces
•O: Operationele termen bepalen begrip! probleem want het begrip zal altijd
ruimer zijn dan 1 operationele meting (specifieke meting), dus dan moet je
zeggen alsof je meerdere begrippen hebt (apart, maar het is eigenlijk 1 groot
begrip)
Volledige vertaalbaarheid van theoretische term in operationele definitie
bv. niet D-M = een keuze maken voor een bepaalde iq test: meerde
mogelijkheden/testen die een gelijkenis hebben qua meting
→ de testen concurreren met elkaar om hetzelfde achterliggende
begrip te meten
→ Je moet operationaliseren om aan w te doen, maar besef dat
achterliggende net iets anders is = geen reductionismen (operationalismen
gebeurt dit wel + deel van nomologische)
A.1 Probleem met D-N model (hierdoor ontstaan andere benaderingen)
1) Hoe vinden we algemene wetten(staan centraal)? Inductie?
•Maar inductieprobleem niet opgelost (alle kraaien zijn zwart): 1 falsificatie voldoende
•Via observaties wetten ontdekken via inductie
•Deductie: je leidt een specifieke hypothese af van theorie en dan een nog
specifieke
•Inductie: Veel observaties waar je iets uit veralgemeend
•Inductieprobleem “alle kraaien zijn zwart”: een wetmatigheid ontdekt, je mag het niet
uitsluiten dat je er geen witte gaat vinden,
•Je hebt geloof nodig in een achterliggende wetmatigheid
•Je hebt meer nodig dan observatie, anders inductieprobleem nooit opgelost
2) Geen onderscheid tussen echte wetmatigheden en accidentele veralgemeningen (alle
munten in mijn zak zijn van koper = munten zijn van koper)
•We missen noodzakelijkheid, veroorzaking = achterliggende veroorzaking
4