Week 1 Geen literatuur
Week 2 Demonstratierecht
Het betogingsrecht/demonstratierecht in Nederland is een fundamenteel
grondrecht waarmee iedereen in het openbaar zijn of haar mening kan
laten horen (artikel 10 en 11 EVRM). Personen die hun betogingsrecht
uitoefenen, kunnen in beginsel worden gestraft voor de strafbare
gedragingen die zij daarbij begaan. Bijvoorbeeld voor opruiing (artikel 131
Sr), huis-,lokaal- en erfvredebreuk (artikel 138 Sr) en groepsbelediging en
aanzetten tot haat en geweld tegen groepen en discriminatie van groepen
(artikel 137c en artikel 137d Sr) etc.
Lokaalvredebreuk (artikel 138 Sr)
Lokaalvredebreuk is het zonder recht binnendringen in, of blijven in, een
woning, besloten lokaal of erf van een ander.
ECLI:NL:HR:2022:126
De verdachte demonstreert tijdens een bouwvakbeurs op de RAI in
Amsterdam bij een stand van een bedrijf dat voorzieningen voor
uitgeprocedeerde vluchtelingen bouwt. De demonstranten weigeren om
op vordering van de securitymanager van de RAI de beurs te verlaten en
hun demonstratie bij de ingang van het RAI-gebouw voort te zetten.
Na cassatie en terugverwijzing door de Hoge Raad oordeelt het
gerechtshof Amsterdam in lijn met dit arrest dat de gedraging van de
verdachte wel strafbaar is, maar dat op grond van artikel 9a Sr geen straf
moet worden opgelegd vanwege de disproportionele inbreuk op het
demonstratierecht door de aanhouding en ophouding voor verhoor. Er
bestond een minder vergaande maatregel namelijk de demonstranten
verwijderen uit het gebouw van de RAI. De reprehensible act bestond uit
het belemmeren van de activiteiten van anderen in de RAI en het
vervolgens weigeren om het gebouw te verlaten, ondanks herhaalde
vorderingen. Daardoor pleegden de demonstranten lokaalvredebreuk. Het
chilling effect bleef beperkt, omdat het hof wel tot een schuldigverklaring
kwam, maar geen straf of maatregel oplegde.
Kudrevičus e.a./Litouwen (reprehensible act en chilling effect)
Het EHRM benadrukt dat iemand niet mag worden bestraft voor deelname
aan een vreedzame demonstratie, zolang die persoon zelf geen
reprehensible act (verwijtbare handeling) pleegt. Een reprehensible act
is meer dan alleen aanwezig zijn bij een demonstratie. Denk aan gedrag
waarmee iemand bewust en serieus de normale gang van zaken of
rechten van anderen verstoort.
Bij Kudrevičius ging het om demonstranten die wegen blokkeerden en
daarmee het normale verkeer en de activiteiten van anderen ernstig
verstoorden. Zo’n opzettelijke ernstige verstoring kan als een
reprehensible act worden gezien. Daardoor ontstaat er meer ruimte voor
de staat om op te treden en eventueel te sanctioneren.
,Chilling effect (afschrikwekkend effect) gaat erom dat overheidsoptreden
zó zwaar kan zijn dat niet alleen de betrokken demonstranten, maar ook
anderen in de toekomst worden ontmoedigd om nog gebruik te maken van
hun demonstratierecht. De overheid moet terughoudend zijn met zware
strafrechtelijke sancties tegen vreedzame demonstranten. Een groot
chilling effect is problematisch voor artikel 10/11 EVRM, terwijl een klein
chilling effect eerder aanvaardbaar is.
Conclusie
De conclusie van bovenstaande arresten is dan ook dat de strafrechter bij
een beroep op het demonstratierecht moet beoordelen of er sprake is van
disproportionele inbreuk op het demonstratierecht door aanhouding,
ophouding voor verhoor, vervolging en bestraffing van de verdachte. Als in
een specifiek geval kan worden volstaan met verwijdering van een
bepaalde plaatst waarna demonstranten buiten het gebouw de
demonstratie kunnen voortzetten, kunnen aanhouding, ophouding voor
verhoor, vervolging en bestraffing disproportioneel worden geacht, dat wil
zeggen: deze strafvorderlijke handelingen zijn niet noodzakelijk in een
democratische samenleving ter bescherming van de rechthebbende op
het gebouw waar de lokaalvredebreuk wordt gepleegd.
Wanneer demonstranten geen gevolg geven aan een opdracht om zich
terstond te verwijderen, worden volstaan met politieoptreden ter
handhaving van de rechtsorde op grond van artikel 3 en 7 Politiewet.
Wanneer strafvorderlijke handelingen wel noodzakelijk worden geacht
(bijvoorbeeld ter bescherming van de rechthebbenden) kan vervolgens
worden geoordeeld dat geen straf of maatregel moet worden opgelegd ter
voorkoming van een chilling effect op de uitoefening van het
demonstratierecht.
Als de politie kan volstaan met verwijdering van de demonstranten, wat
bijvoorbeeld ook het geval kan zijn bij wegblokkades, is strafvorderlijke
aanhouding disproportioneel. De verwijdering is geen strafvorderlijke
handeling, maar een handeling ter handhaving van de rechtsorde in de zin
van artikel 3 Politiewet. De politie mag daarbij geweld of
vrijheidsbeperkende middelen gebruiken, mits dat voldoet aan de eisen
van proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 7 Politiewet) en de
vrijheidsbeperkende middelen niet zover gaan dat er sprake is van
vrijheidsontneming (artikel 5 EVRM jo artikel 15 Gw).
Het is duidelijk dat bestraffing geen chilling effect mag hebben op de
rechtmatige uitoefening van het demonstratierecht. Het is echter
verdedigbaar dat bestraffing wel een chilling effect mag hebben op het
begaan van laakbaar gedrag (reprehensible acts) dat een disproportionele
inbreuk maakt op de rechten van anderen. De strafrechter zou de
oplegging van een straf, bijvoorbeeld een voorwaardelijke taakstraf of
geldboete, daarom kunnen rechtvaardigen met de motivering dat de straf
uitsluitend is gericht op de preventie van reprehensible acts en de
,bescherming van de rechten en daarbij de belangen van anderen en niet
op vreedzame demonstratie als zodanig.
Kári Orrason e.a./IJsland
In die zaak worden enkele actievoerders na sluitingstijd van het ministerie
van Justitie in Reykjavik door de politie uit het gebouw verwijderd,
aangehouden en enkele uren vastgehouden op het politiebureau voor
verhoor.
De strafrechter legt de demonstranten een boete op in IJslandse valuta ter
waarde van 74 euro wegens verstoring van de openbare orde. Naar het
oordeel van het EVRM is die boete niet disproportioneel. Een dergelijke
boete valt binnen de margin of appreciation van staten om te beoordelen
of een strafrechtelijke sanctie noodzakelijk is in een democratische
samenleving ter bescherming van de belangen van anderen.
De oplegging van een proportionele straf, zoals een boete in de
bovenstaande zaak, richt zich tot actievoerders die gebouwen bezetten en
weigeren om deze te verlaten op vordering vaan de rechthebbende. Het
chilling effect slaat dan niet op het demonstreren op zich, maar op de
weigering om weg te gaan uit het gebouw waardoor politieoptreden
noodzakelijk kan zijn ter bescherming van de rechten van rechthebbende.
Daarbij is blijkens de uitspraak van het EHRM in deze zaak niet vereist dat
sprake is van reprehensible act. De bescherming van de rechten van
rechthebbende op het gebruik van een gebouw kan een rechtvaardiging
zijn voor strafrechtelijk optreden. Het is aan het OM om hierover op zitting
een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in te nemen, waarop de
strafrechter gemotiveerd dient te reageren wanneer de rechter dat
standpunt niet volgt. Het OM heeft op grond van de artikelen 167 en 242
Sv beleidsvrijheid om te beslissen of vervolging wel of niet wenselijk is en
de strafrechter heeft bij de beslissing over de strafbaarheid en de
strafoplegging een bepaalde beoordelingsvrijheid.
De politie heeft op grond van artikel 180 Sr de mogelijkheid om woningen,
maar ook gebouwen en terreinen af te zetten ter voorkoming van huis-,
lokaal- of terreinvredebreuk of bedreiging van personen die zich in de
woning of lokalen of op de terreinen bevinden. Wanneer demonstranten
met geweld de afzetting met politielinten en politiewagens rond de woning
doorbreken, plegen zij het strafbare feit van verzet tegen ambtenaren in
de zin van artikel 180 Sr.
Geweld tegen en beschadiging van goederen (artikelen 141 en 350 Sr).
Het onbruikbaar maken van goederen is strafbaar gesteld in artikel 350 Sr,
dat ook beschadiging en vernieling strafbaar stelt.
ECLI:NL:HR:2023:1742 (violent intentions)
Een activist van Extinction Rebellion, die samen met anderen een op olie
lijkende vloeistof over een trap bij een gebouw van Shell heeft gegoten
wordt vervolgd voor het onbruikbaar maken van een goed in de zin van
, artikel 350 Sr, en wordt veroordeeld voor een geldboete van 350 euro. Het
Hof wijst het beroep van de verdachte op vrijheid van meningsuiting en
het demonstratierecht (artikel 10 en 11 EVRM) af. Volgens het hof had het
uitgieten van de vloeistof de trap onbruikbaar gemaakt, omdat het
gevaarlijk was om eroverheen te lopen en de trap moest worden afgezet.
Laurijsen e.a./Nederland
In Laurijsen e.a./ Nederland Komt het EHRM tot het oordeel dat Nederland
het demonstratierecht heeft geschonden, omdat de Hoge Raad niet had
onderzocht of de rol van Laurijsen en anderen bij een demonstratie tegen
de ontruiming van een kraakpand in feite vreedzaam was.
ECLI:NL:HR:2023:1742 (vervolg)
De Hoge Raad overweegt daarbij dat de protestactie vreedzaam is, waarbij
hij erop wijst dat ook blokkades, sit-ins en bezettingen vallen onder artikel
11 EVRM. De Hoge Raad besteedt daarbij echter niet expliciet aandacht
aan het feit dat de demonstranten niet alleen de trap onbruikbaar
maakten, maar daardoor ook gevaar voor anderen veroorzaakten, en ook
niet aan de vraag in hoeverre daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de
demonstranten die dat deden violent intentions hadden in de betekenis
die het EHRM daaraan toekent in zijn rechtspraak.
De aanwezigheid van violent intentions kunnen met zich mee brengen dat
de demonstranten zich ten aanzien van die gedraging niet op de artikel 10
en 11 EVRM kunnen beroepen en dat het aspect van het chilling effect van
bestraffing op het demonstratierecht ook geen rol speelt voor zover het
die gedragingen betreft. Een alternatief is dat het uitgieten van een op olie
lijkende vloeistof wel onder het demonstratierecht valt in de zin van artikel
11 EVRM, maar dat bestraffing via artikel 350 Sr gerechtvaardigd is op
grond van lid 2: bescherming van de rechten van anderen (bescherming
lichamelijke integriteit van de gebruikers van de trap, artikel 8 EVRM).
Wanneer de intenties van de daders niet als gewelddadig kunnen worden
aangemerkt, kan er nog wel sprake zijn van een reprehensible act in de
zin van de rechtspraak van het EHRM, waardoor strafrechtelijke beperking
van het demonstratierecht gerechtvaardigd kan zijn op grond van het
tweede lid van de artikelen 10 en 11 EVRM.
Het OM zou in een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (artikel 359 lid 2
Sv) kunnen aanvoeren: 1) dat geweld tegen goederen en met name
waardevolle kunstvoorwerpen vanwege de violent intentions van daders
niet valt onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en het
demonstratierecht, dan wel 2) dat sprake is van reprehensible acts en dat
bestraffing daarom zodanig van aard moet zijn dat de verdachten en
andere activisten worden afgeschrikt van vergelijkbare gedragingen tegen
goederen en kunstvoorwerpen. Het is aan de rechter om dan gemotiveerd
uit te leggen waarom hij het standpunt wel/niet volgt (359 lid 2 Sv).
Een argument voor strafbaarheid bij dit soort zaken kan ook zijn dat de
openbare orde wordt verstoord door het besmeuren van een gebouw,