Sociale psychologie – uitgebreide samenvatting
Inhoudsoverzicht
• Onderzoeksbasis van de sociale psychologie
• Les 1 – Het zelf, sociale perceptie en attributie
• Les 2 – Attitudes, gedrag en persuasie
• Les 3 – Beslissen, heuristieken en beïnvloeding
• Les 4 – Groepsprocessen, samenwerking en leiderschap
• Les 5 – Sociale categorisatie, stereotypen, vooroordelen en cultuur
• Les 6 en 7 – Verdieping: attitudeverandering, weerstand en gedragsinterventies
• Les 8 – Klassieke sociaalpsychologische experimenten en integratie
Onderzoeksbasis van de sociale psychologie
Sociale psychologie bestudeert wetenschappelijk hoe de werkelijke of denkbeeldige aanwezigheid van
andere mensen invloed heeft op gedachten, gevoelens en gedrag. Centraal staan sociale invloed,
groepsgedrag, waarneming van anderen, attitudes, stereotypen en gedrag in sociale contexten.
Empirisch onderzoek
• Empirisch onderzoek baseert kennis op systematische observatie en metingen.
• Veelgebruikte methoden zijn observatie, experiment en surveyonderzoek.
• Hypothesen worden getoetst aan objectieve data.
Betrouwbaarheid en validiteit
• Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie van meetresultaten. Een herhaalde meting moet
vergelijkbare uitkomsten geven.
• Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid gaat over de mate van overeenstemming tussen verschillende
beoordelaars.
• Interne validiteit is de mate waarin een gevonden effect werkelijk door de onafhankelijke variabele
wordt veroorzaakt.
• Interne validiteit vraagt controle over storende variabelen en randomisatie.
• Externe validiteit is de mate waarin resultaten generaliseerbaar zijn naar andere personen, situaties en
contexten.
• Een meting kan betrouwbaar zijn zonder valide te zijn.
• In onderzoek bestaat een spanning tussen sterke controle van de situatie en generaliseerbaarheid naar
het dagelijks leven.
Experiment en causaliteit
• In een experiment worden deelnemers aselect over condities verdeeld.
• Een onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd.
• Het effect wordt gemeten op een afhankelijke variabele.
• Een causale conclusie vereist manipulatie, controle van andere factoren en randomisatie.
• Correlatie is niet hetzelfde als causaliteit.
Pagina 1
, Sociale psychologie
Hindsight bias
Hindsight bias is de neiging om achteraf te denken dat een uitkomst voorspelbaar of vanzelfsprekend was.
Dit kan de interpretatie van onderzoeksresultaten vertekenen.
Gedragscode en ethiek
• Vrijwillige deelname en geïnformeerde toestemming.
• Bescherming tegen onnodige schade of stress.
• Misleiding alleen wanneer dit noodzakelijk en verantwoord is.
• Debriefing: na afloop uitleg geven over doel en verloop van het onderzoek.
• Onderzoek vraagt steeds een afweging tussen wetenschappelijke waarde en welzijn van deelnemers.
Les 1 – Het zelf, sociale perceptie en attributie
Het zelf
Zelfconcept, zelfschema en zelfcomplexiteit
• Zelfconcept: het geheel van overtuigingen over wie iemand is.
• Zelfsсhema: mentale structuur waarin kennis over het zelf wordt georganiseerd; bevat zowel abstracte
eigenschappen als concrete voorbeelden.
• Zelfbeeld: subjectieve voorstelling van zichzelf; wordt vaak vrijwel hetzelfde gebruikt als zelfconcept.
• Zelfcomplexiteit: mate waarin iemand meerdere, relatief gescheiden zelfaspecten of rollen heeft.
• Hoge zelfcomplexiteit kan de impact van een negatieve gebeurtenis op het totale zelf beperken.
Zelfbewustzijn, zelfkennis en zelfwaardering
• Zelfbewustzijn: bewust zijn van eigen denken, voelen en handelen.
• Publiek zelfbewustzijn richt zich op hoe anderen iemand zien.
• Privézelfbewustzijn richt zich op de eigen innerlijke ervaring.
• Zelfkennis: inzicht in eigen gedachten, gevoelens, eigenschappen en motieven.
• Bronnen van zelfkennis zijn onder andere introspectie en zelfobservatie.
• Zelfwaardering: positieve of negatieve evaluatie van zichzelf.
• Expliciete zelfwaardering is bewust gerapporteerd.
• Impliciete zelfwaardering is minder bewust toegankelijk.
• Zelfwaardering kan relatief stabiel zijn of contingent: afhankelijk van bijvoorbeeld prestaties of
goedkeuring van anderen.
Zelfevaluatiemotieven
• Zelfverheffingsmotief: jezelf zo positief mogelijk zien.
• Consistentiemotief: een stabiel en samenhangend zelfbeeld behouden.
• Accuraatheidsmotief: een zo realistisch mogelijk beeld van jezelf vormen.
• Zelfverbeteringsmotief: jezelf ontwikkelen en verbeteren.
• Zelfverheffing en accuraatheid kunnen met elkaar botsen.
Vertekeningen in zelfbeoordeling
• Illusoire superioriteit / above-average-effect: zichzelf bovengemiddeld inschatten.
• Onrealistisch optimisme: te positieve verwachtingen hebben over de eigen toekomst.
Pagina 2