BARTELINK H4
Er is recent steeds meer aandacht voor manieren om ouders en jeugdigen te betrekken in het proces van
indicatiestelling.
Indicatiestelling in dialoog → cliënt en hulpverlener gaan in gesprek over wat de mogelijkheden zijn om de
problemen van de cliënt aan te pakken, zodat zij tot overeenstemming komen over wat de beste hulp is.
Er zijn verschillende redenen waarom het belangrijk is om een indicatiestelling in dialoog uit te voeren:
- De uitkomsten van een behandeling zijn beter als cliënten bij de besluitvorming betrokken zijn en de
behandeling van hun voorkeur krijgen
- De uitkomsten van diagnostisch onderzoek goed terug te koppelen en met elkaar over eens zijn wat de
problemen zijn heeft een effect op het behandelproces en behandelresultaten.
- De relatie van de hulpverlener en de cliënt heeft invloed op de uitkomsten van de behandeling. Een slechte
relatie heeft een negatieve invloed op de uitkomsten.
o Relatie met de ouders beïnvloed de mate waarin het kind naar de behandeling komt
o Relatie met het kind beïnvloed de motivatie van het kind
- Cliënten die betrokken zijn en zich actief inzetten tijdens de behandeling hebben betere uitkomsten.
Het betrekken van de cliënt en ouders tijdens de indicatiestelling is belangrijk, maar is nog geen gemeengoed. De
indruk bestaat dat hulpverleners zelf bepalen wat het meest geschikte hulpaanbod is en dit vervolgens aan ouders
ter goedkeuring te leggen. Er lijkt alleen discussie te ontstaan wanneer ouders een duidelijk andere mening hebben
dan de hulpverlener over de hulp die zij willen.
Hulpverleners blijken ook niet de vaardigheden en technieken in huis te hebben om cliënten te betrekkingen in de
besluitvorming. Het hangt af van de vaardigheden van de ouders en hulpverleners of kinderen de kans krijgen hun
stem te laten horen in de besluitvorming.
Een belangrijk aandachtspunt inde dialoog is de machtsverdeling. Het kan gebeuren dat hulpverleners een beslissing
maken zonder overleg. Er zijn vier criteria voor de beoordeling van een goede samenwerking:
1. Alle partijen waarop de beslissing invloed heeft, moeten betrokken zijn
2. De ontmoeting moet zodanig zijn vormgegeven dat de zorgvuldige afwegingen gemaakt kunnen worden
3. De onbalans in mach tussen de partijen moet verminderd worden
4. Het moet mogelijk zijn om te controleren of de beslissingen gegrond zijn op relevante argumenten en
acceptabele waarden en normen.
WAT IS DE INDICATIESTELLING IN DIALOOG MET DE CLIËNT?
Indicatiestelling in dialoog met de cliënt houdt in dat de cliënt en hulpverlener tot overeenstemming komen over
wat de vraag van de cliënt is, de probleemanalyse, wat de doelen van de hulp moeten zijn en hoe deze doelen bereikt
kunnen worden. Het is een gezamenlijk proces.
Kenmerkend voor indicatiestelling is dat
1. Er tenminste twee gesprekspartner betrokken zijn
2. Beide gesprekspartners stappen in het delen van een behandelbeslissing nemen
3. De gesprekspartners informatie delen over verschillende behandelmogelijkheden
4. Ten einde overeenstemming te bereiken over de gewenste behandelmogelijkheden
Het is belangrijk dat de cliënt voldoende informatie krijgt van de hulpverlener om een keuze te maken.
1
, Literatuur behandeling – Week 8
De veronderstelling is dat indicatiestelling in dialoog vraaggericht, motiverend, oplossingsgericht en activerend is.
Vraaggericht → hulpverlener gaat na wat als probleem ervaren wordt en laat de hulp daarop aansluiten
Motiverend → er expliciet aandacht voor de motivatie van de cliënt en de manier van werken werkt
motiverend.
Oplossingsgericht → versterken van de positieve krachten in het gezin en in het sociale netwerk
Activerend → voorop staat wat ouders zelf kunnen doen om een opvoedingssituatie te realiseren waarin een
kind veilig kan ontwikkelen
DIALOOG MET OUDERS EN JEUGDIGEN
PARTICIPATIELADDER
De participatieladder maakt inzichtelijk op welk niveau ouders en kinderen invloed hebben op de besluitvorming.
Het model bestaat uit vijf niveaus van participatie:
1. Informeren; hulpverlener informeert de ouders en kinderen wat zijn beslissing is
2. Raadplegen; de hulpverlener praat met ouders en kinderen als informatiebron, maar houdt er geen of
weinig rekening mee in de besluitvorming
3. Adviseren; de hulpverlener vraag ouders en kinderen welke hulp zij menen dat nodig is, maar neemt
vervolgens zelf een beslissing over welke hulp daadwerkelijk ingezet wordt.
4. Coproduceren; de hulpverlener vraag ouders en kind welke hulp zij menen dat nodig is en kan alleen
beargumenteerd afwijken van hun inbreng
5. Meebeslissen; ouders en kinderen bepalen welke hulp zij nodig hebben en de hulpverlener stemt in met
hun besluitvorming
Bij indicatiestelling in dialoog is er sprake van meebeslissen. Alleen in extreme gevallen wordt hiervan afgeweken.
PARTICIPATIE VAN OUDERS
Er zijn verschillende factoren van invloed op de mate waarin volwassenen in het algemeen betrokken zijn bij de
besluitvorming. Een belangrijke voorwaarde is de vaardigheid van hulpverleners om hen in de besluitvorming te
betrekken. Het is vooral van belang dat hulpverleners in staat zijn om relevante informatie op zo’n manier met hun
cliënten te delen dat cliënten zich een evenwichtig oordeel kunnen vormen over wat de beste behandelmogelijkheid
is.
Een zorgvuldige maar begrijpelijke discussie over relevante informatie kan de samenwerking op verschillende
manieren versterken.
1. Het helpt om toetsbaar en transparant te werken
a. Voorkomen van weestand
2. Het heeft invloed op de machtsverhouding tussen hulpverleners en cliënten; een goede uitleg verkleint de
onbalans
3. Het helpt om realistische verwachtingen van de behandeling te hebben
4. Ouders zijn meer geneigd hun kind te ondersteunen in het besluitvormingsproces
PARTICIPATIE VAN KINDEREN EN JONGEREN
Kinderen en jongeren worden vaak nauwelijks betrokken bij de besluitvorming.
Participatie van kinderen betekend dat hulpverleners op zijn minst naar kinderen en jongeren luisteren en hun kijk
op de zaak serieus nemen bij de beslissingen die gevolgen hebben voor het leven van de kinderen. De mogelijkheid
tot participatie is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van kinderen.
2
, Literatuur behandeling – Week 8
De belangrijke factoren die de participatie van kinderen in de weg staan, zijn de communicatiestijl en het gedrag van
de hulpverlener. Hulpverleners gaan er vaak vanuit dat kinderen niet in staat zijn om belangrijke beslissingen te
nemen.
Ouders hebben ook een invloed op de mate waarin kinderen betrokken zijn in het besluitvormingsproces. Ouders
kunnen kinderen belemmeren in de hoeveelheid informatie. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn.
De participatie van jongeren is essentieel. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van hun zelfwaardering en
relationele vaardigheden. Daarnaast is het ook belangrijk voor hun socialisatie. Ze worden voorbereid op de
toekomst waarin zij ook andere beslissingen zullen moeten nemen. Ze zien hoe anderen beslissingen nemen en
krijgen de mogelijkheid om er zelf mee te oefenen. Als laatste blijkt dat de plaatsingen in residentiele en pleegzorg
stabieler lijken als kinderen invloed hebben gehad op de beslissing waar ze geplaatst worden.
Kinderen kunnen participeren op vijf niveaus:
1. Er wordt naar kinderen geluisterd, maar er is nog niets georganiseerd om kinderen tot participatie te
stimuleren
2. Kinderen worden ondersteund in het geven van hun mening
3. In de overwegingen wordt rekening gehouden met de mening van kinderen
4. Kinderen zijn betrokken bij het besluitvormingsproces, maar hebben geen feitelijke macht over de
genomen beslissing
5. Kinderen delen in de macht en verantwoordelijkheid voor de besluitvorming
Kinderen moeten toegang hebben tot relevante informatie om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Deze
informatie moet op een leeftijdsadequaat manier gepresenteerd worden. In de meeste gevallen heeft een kind een
mentor nodig voor ondersteuning.
Er moet een zekere balans zijn in de machtsverdeling tussen partijen. Het is altijd nodig om kinderen ondersteuning
te geven tijdens bijeenkomsten waarin beslissingen over noodzakelijke hulp worden genomen.
Hulpverleners moeten de vaardigheden hebben om besluitvormingsprocessen met ouders en kinderen te k unnen
leiden en gespreksvaardigheden met kinderen.
METHODEN VOOR GEZAMENLIJKE BESLUITVORMING
Er zijn verschillende methoden bekend waarmee hulpverlenend de motivatie van cliënten kunnen stimuleren en hen
betrekken bij de besluitvorming. De veronderstelling is dat dergelijke werkwijzen ook een hulpmiddel kunnen zijn
in de dialoog over welke hulp in een gezin het meest gewenst is.
VRAAGGERICHT WERKEN
Vraaggericht werken betekend dat de hulpverlener nagaat wat de ouders en kinderen als probleem ervaren.
Vervolgens probeert hij de hulp daar zo goed mogelijk op aan te laten sluiten. Vraaggericht werken wordt bepaald
oor twee elementen:
1. De basishouding van de hulpverlener; respect, bescheidenheid en oprechtheid in het gesprek en gebruiken
van methoden en instrumenten die aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden
2. Een vraaggerichte hulpverleningsorganisatie, waarin hulpverleners ruimte en flexibiliteit krijgen om in te
gaan op de hulpvraag.
Bij vraaggericht werken stelt de hulpverlener zich op als procesbegeleider zen adviseur en neemt de cliënt
beslissingen. Het vraagt van de organisatie om flexibel en op maat hulp te bieden
OPLOSSINGSGERICHT WERKEN
Oplossingsgericht werken is gericht op het versterken van positieve krachten in het gezin en in het sociale netwerk
van het gezin. Het uitgangspunt is de situatie zoals de cliënt zich die wenst. Er wordt gezocht naar een oplossing die
de cliënt al in huis heeft en haalbaar is.
3