WEEK 5: ONTSTEKING (CHOLELITHIASIS)
HC: Ontsteking I & II
1. Rubor = roodheid
2. Tumor = zwelling
3. Calor = warmte
4. Dolor = pijn
5. Functio laesa = gestoorde functie
Ontsteking
1. Stimulus = antigenen/necrotisch weefsel
- Lokale reactie op beschadiging
- Door een onderbreking van de epitheliale barrière dringen zij de
het lichaam in
2. Productie van ontstekingsmediatoren = amines/cytokinen
- Lokale reactie op beschadiging
- Worden geproduceerd door macrofagen, dendritische cellen
(als de PAMPs binden aan de PPRs dan gaan zij naar de weefsel
drainerende lymfeknopen voor activatie van het adaptieve
immunsysteem) en mestcellen (histamine, bradykinine)
- Vasculaire component: Zorgen voor de vasodilatatie ->
hyperemie (versterkte doorbloeding): zorgt voor de rubor,
tumor, calor, dolor -> functio laesa
- Stimulering fibroblasten -> matrix productie, celdeling
, 3. Exsudatieve component
- “lekkage” van eiwit-rijk vocht vanuit vaten
- Onder invloed van histamine en bradykinine
- Door de verhoging van de permeabiliteit van de venulen
4. Cellulaire component = complement systeem wordt
geactiveerd
- Door de vasodilatatie wordt de permeabiliteit van de arteriën
verhoogt: verhoogde doorlaatbaarheid
Complement systeem = eiwitten die leukocyten aantrekken tot het
ontstekingsgebied
- Chemotaxis
- Altijd op de achtergrond aanwezig
- Aspecifieke afweersysteem
- C3 convertase is gebonden aan de oppervlakte van antigenen
(pathogenen)
- C3 convertase valt uiteen in C3a (kleiner) en C3b
- C3a gaat naar de bloedbaan en rekruteert neutrofielen en
monocyten
- C3b kan 2 dingen: 1) antigenen markeren voor fagocytose 2) kan
een porie maken op een pathogeen, waardoor die helemaal
wordt afgebroken
, - Influx van leukocyten/plasma proteïnen
- In gevasculariseerd weefsel
- Doel van de cel = neutraliseren, opruimen en herstellen
- Voornamelijk neutrofiele granulocyten in de acute fase
- Voornamelijk lymfocyten in de chronische fase
(Het volgende stuk is geen vaste volgorde)
1) Neutrofielen
- Scheiden mediatoren uit
- Eosinofiele granulocyten = bestrijden multicellulaire parasieten
door degranulatie van toxische moleculen (major basic protein)
➔ Brengt schade aan omringende weefsel
- Basofiele granulocyten = parasieten
- Eosinefiele + basofiele -> voor allergische reacties
- Neutrofiele granulocyten = professionele killers van
extracellulaire bacteriën en schimmels dmv enzymen in de
lysosomen (kunnen die spinnenwebben maken, het enzym:
lysozym is wel zo agressief dat andere “gezonde” cellen ook
dood kunnen gaan)
2) Macrofagen/dendritische cellen
- Fagocyteren de antigenen
- Scheidt ook cytokines en chemokines uit om andere
immuuncellen te signaleren (TNF-alpha & IL-1beta)
, 3) Macrofaag/dendritische cel reist door bloedbaan naar
aanliggende weefsel
- Wordt antigeen presenterende cel
4) APC (kan macrofaag zijn of dendritische cel) zoekt naar de
juiste T-lymfocyt
- Sleutel slot principe
- T-lymfocyt wordt geactiveerd -> delen -> differentiëren tot
verschillende types
a) cytotoxische T-cellen = killer cellen, gaan direct richting
ontsteking
b) T-helpercellen = gaan de juiste B-lymfocyten zoeken
c) T-geheugen-cellen = voor snelle afweer in de toekomst tegen
een specifiek antigeen
d) Supressor T-cellen = rem op dit systeem, om te zorgen dat het
lichaam niet doodgaat aan de ontstekingsreactie
5) T-helpercellen gaan op zoek naar de juiste B-lymfocyt
(thuisbasis: lymfeklier)
- B-lymfocyt wordt geactiveerd -> delen -> differentiëren tot 2
types
a) B-geheugen-cellen = voor sneller afweer in de toekomst
tegen een specifiek antigeen
b) plasma-cellen = maken specifieke antilichamen aan tegen de
antigenen
-IgA, IgD, IgE, IgG en IgM
-ze neutraliseren de toxinen van de antigenen
-binden aan de antigenen als een soort knipperlichten, zodat de
antigenen sneller uitgeschakeld kunnen worden