Intro
1. Doel biomechanica
Geen leerstof, maar goed om doel van examen te weten
- begrijpen welke krachten op het lichaam werken
- begrijpen hoe weefsels daarop reageren
- begrijpen waarom blessures ontstaan
- begrijpen waarom bot, kraakbeen, pees, spier en ligament verschillende
eigenschappen hebben
beweging bestaat uit:
- kinematics: beschrijft beweging (snelheid, versnelling, positie), zonder
naar krachten te kijken
- kinetics: bestudeert de krachten die de beweging veroorzaken
2. Wiskundige achtergrond
2.1. Scalar vs vector
Scalar: alleen grootte, bv: massa, energie, temp…
Vector geeft grootte (amplitude), richting en aangrijpingspunt van kracht
Vb vector: kracht, snelheid, versnelling, moment
Massa is dus geen vector, want heeft enkel een grootte, geen richting
3. Kracht
3.1. Kracht
Kracht op lichaam wordt weergegeven als vector.
Kracht: iets wat duwt/trekt aan iets -> kan beweging veranderen, vervorming
veroorzaken…
Een kracht kan opgedeeld worden in x- en y-component: F=√ F x + F y
Stelling van Pythagoras: c 2=a2+ b2
overstaande zijde a
sin α= =
schuine zijde c
aanliggende zijde b
cos α= =
schuine zijde c
, sin α overstaande zijde a
tan α=¿ ¿ = ¿
cos α aanliggende zijde b
Uitwendige krachten: gewicht=W =m∙ g
g= 9.81 m/s2
Σ F=0 --> krachtenbalans is in evenwicht om ervoor te
zorgen dat het zijn bewegingspatroon niet veranderd (en
dus niet versneld)
= 1ste wet van Newton
3 krachten die inwerken op systeem:
- Reactiekracht: staat schuin, dus x en y component
- Spierkracht van biceps, ook schuin
- Gewicht: alleen in y richting, dus geen x component
Σ F x =Fbx + R x =0
Σ F y =F by + R y +W =0
2e wet van Newton: F=m∙ a
(som van krachten leidt tot beweging)
Zwaarder voorwerp --> acceleratie kleiner (minder versnelling)
Lichter voorwerp --> acceleratie groter
Meer kracht --> meer versnelling
3.2. Moment
Moment= kracht * momentarm = impact van kracht rond rotatie as.
Moment arm: loodrechte afstand van kracht W tot rotatiepunt, en afstand van
spierkracht tot rotatiepunt
Rotatiepunt= punt waarrond gewricht scharniert
Geen moment door reactie kracht, want die gaat door rotatiepunt, dus heeft geen
moment arm.
M =F ∙ d
M b=F b ∙d 1
ΣM =( Fd ∙ d 1 )−( W ∙ d 2 ) =0
Die reactie kracht moet aanwezig zijn, want er moet een horizontale
tegenwerkende kracht zijn om horizontale component bicepskracht tegen te
werken --> als er geen tegenwerkende kracht zou zijn, dan zou voorwerp
bewegen
,Hoe groter momentarm --> hoe groter moment --> hoe minder spierkracht nodig
Biceps moet vaak enorme krachten leveren om klein gewicht op te tillen. Omdat:
gewicht ver van elleboog zit en biceps dicht bij elleboog aanhecht --> kleine
moment arm spier en grote momentarm gewicht
Uit artikel: Waarom gebruik je een wandelstok aan de tegenovergestelde zijde?
- Voor linker heuppijn: wandelstok rechts, niet links
- Want wandelstof creëert extra momentum dat lichaamsgewicht helpt
compenseren --> daardoor lagere heupkracht (minder heupbelasting)
3.3. Hefbomen
Uitwendige moment= inwendige moment= spierkracht *
hefboomsarm
Hefboom: rotatiepunt in enkel. Kracht van grond F, kracht van
achillespees AF. Die krachten moeten in evenwicht zijn. Als
afstand van achillespees tot enkel korter is dan van afstand
grondkracht F tot enkel, dan weet je dat kracht van achillespees
groter moet zijn bij die kleine hefboom om een evenwicht te
vinden.
3.4. Types krachten
- Gravitationele kracht, bv gewicht
- Reactie (normaal) kracht: loodrecht op grond (beter dan shear)
- Wrijvings of shear kracht: parallel met grond
- Elastiche Kracht: afh van afstand erover iets uitgerekt/ingedrukt is,
belangrijk bij pees (zodat die kan uitrekken, belangrijk voor
schokabsorptie)
4. Spanning= ‘stress’
Kracht ≠ schade
Hoe meer kracht, hoe meer kans op schade.
MAAR: als er kracht inwerkt op lichaam, is er niet altijd schade => of er al dan
niet schade is, wordt bepaald door spanning
Dus eig oorzaak van schade is spanning en niet kracht (meestal doordat kracht
inwerking niet verdeeld kan worden over bepaalde opp)
Spanning= stress= maat voor belasting van materiaal, afh van kracht en opp
wrop kracht inwerkt
F
σ=
A
, Eenheid: N/m^2 = Pa
Als opp kleiner wordt => wordt spanning groter
Als kracht groter wordt => wordt spanning groter
Bv: met schoen vs naaldhak op zachte grond staan: met naaldhak grotere kans
dat je in de grond drukt, want: zelfde kracht op kleiner opp, dus hogere stress/
spanning
Inwerking van kracht wordt verdeeld over opp => schade wordt verdeeld
Stress is een weefselkarakteristiek, eerder dan een structurele karakteristiek
Examenvragen chat:
Wrom heeft dikke tibia minder kans op breuk dan dunne tibia.
Dikker => grotere doorsnede => groter oppervlak => lagere stress
(NIET omdat er minde kracht is!!)
Heup normaal: groot contact opp, lage stress.
Als contactopp kleiner wordt => stress stijgt enorm
Misvormingen van gewricht veroorzaken sneller artrose
Voorbeeld:
Man van 75 kg
Grondreactiekracht= 5x lichaamsgewicht = 5 x 9.81 m/s^2 * 75
kg
Want gewicht W = m * g
Massa van voet verwaarlozen
Beschouw tibia als holle cilinder
Hoe groot is opp wrop spanning komt= opp buitenschijf – opp
binnenschijf (holte)
Hoe groot is spanning op tibia= totale kracht die op tibia inwerkt/
A
Als dwarsdoorsnede klein is, zal spanning zeer groot zijn
5. Rek= ‘strain’
L−L0
Strain= rek= ε = , met L0: onbelaste lengte (originele lengte)
L0
Eenheid: dimensieloos
Mate wrin object in staat is te vervormen bepaalt mate wrin object in staat is te
breken
Door vervorming kan je deel van kracht wegwerken => hoe meer het kan
vervormen, hoe beter het instaat is om weerstand te weerstaan
Stijve structuren (zoals botten) hebben beperkte vervorming