7.3 – De wetenschappelijke revolutie
- Met de wetenschappelijke revolutie een fase in de geschiedenis waarin de
houding van wetenschappers ingrijpend veranderde in de 17 e eeuw. Veel
wetenschappers vonden dat de wereld alleen kon worden verklaard door
logisch te redeneren of systematisch te observeren en experimenteren.
Wetenschap op twee manieren
- Descartes beschouwde het verstand en het vermogen tot logisch redeneren
als de meest zuivere bron van kennis. We noemen dat rationalisme.
Waarneming door middel van zintuigen is het beginpunt van onze kennis.
- Bacon daarentegen stelde dat juist waarneming door middel van zintuigen het
beginpunt van onze kennis is. De wetenschappelijke stroming die vanuit deze
gedachte werkt, noemen we het empirisme.
De eerste voorbeelden (16e eeuw)
- De eerste voorbeelden ontstonden toen mensen ervan uit durfde te gaan dat
dingen niet klopte en gingen dit onderzoeken. Voor Niels Stensen had de
Vlaamse arts Andres Vesalius (1514-1564) al lichamen onderzocht om te
kijken of dat wel klopte met de bevindingen van de Grieks-Romeinse arts
Galenus die in de 2e eeuw na Chr. over anatomie had geschreven.
- Een ander voorbeeld is Nicolaus Copernicus (1473-1543) die hemellichamen
observeerde en tot de conclusie kwam dat de aarde om de zon draaide. De
twee stromingen rationalisme en empirisme, ontstaan in de 17e eeuw,
vormden de basis van de moderne wetenschap.
- In de 17de eeuw ontstond de wetenschappelijke revolutie pas echt. De
Italiaanse natuur- en sterrenkundige Galileo Galilei (1564-1642) was de eerste
die met behulp van een telescoop de hemellichamen bestudeerde en
Copernicus ondersteunde. Wiskundigen ontwikkelden de differentiaal- en
integraalrekening waarmee ze versnelling en vertraging konden berekenen.
- De natuurkundige Isaac Newton legde met zijn boek 'Wiskundige principes
van de natuurfilosofie (1687) de grondslag voor de moderne natuurkunde.
Een kosmos zonder god?
- Deze ontdekkingen gaven steun aan een nieuwe visie op God en de wereld.
Descartes zag de wereld als een machine, die ooit door God in beweging was
gezet, maar die nu zelfstandig functioneerde volgens natuurwetten. Dit
mechanische wereldbeeld ging in tegen de oude, kerkelijke aanname dat God
direct ingreep in de wereld.
- Terwijl Descartes uitging van een scheiding tussen God en werkelijkheid,
kwam Nederlands filosoof Spinoza (1632-1677) tot de slotsom dat er buiten
God geen werkelijkheid was. Wie God wilde kennen, zo stelde Spinoza, moest
de natuurwetten bestuderen, niet de Bijbel. De Heilige Schrift was dan ook
niet het woord van God, maar geschreven door mensen.
Een langzame revolutie
- In het Europese denken deden zich dus grote en ingrijpende veranderingen
voor. Hoewel het gods- en wereldbeeld sterk veranderde, stapten 17 e-eeuwse
, wetenschappers niet van hun geloof af. Bovendien waren zij niet altijd zo
modern als hun wetenschappelijke bijdragen suggereren. In de 17 de eeuw
bestond die grote scheiding tussen geloof, bijgeloof en wetenschap nog niet.
Oorzaken
- Op de vraag waarom zich juist in de 17de eeuw zo’n uitbarsting aan
wetenschappelijke inzichten voordeed, hebben historici nog geen sluitend
antwoord. Er wordt gekeken naar 4 aspecten:
Ten eerste wordt er gekeken naar de vrijheid die wetenschappers hadden om
hun onderzoeksresultaten te publiceren. Die was in de 17de eeuw niet overal
verzekerd: in sommige landen kon de kerk de publicatie van
wetenschappelijke resultaten zelfs verbieden. De Nederlandse Republiek was
wat dat betreft een uitzondering. De relatieve vrijheid om te publiceren
trokken veel onderzoekers aan.
Ten tweede kijken historici naar de geschiedenis van wetenschappelijke
instituties. Als hoogleraren onderzoek deden, deden ze dat op eigen initiatief.
Op sommige plaatsen begon dat in de 16e en 17de eeuw te veranderen. Zo
stonden de pas opgerichte universiteiten in de Republiek bekend om hun
opvallende openheid ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen. En werden er
steeds meer wetenschappelijke verenigingen opgericht.
Ten derde was er sprake van een wisselwerking tussen geleerden en
ambachtslieden. Onderzoekers uit de 16e en 17e eeuw maakten dankbaar
gebruik van ambachtelijke kennis voor de vervaardiging van hun eigen
instrumenten zoals sterrenkijkers, microscopen en uurwerken.
Ten slotte keken ze ook of economische en maatschappelijke
omstandigheden hebben bijgedragen aan de wetenschappelijke revolutie.
Opvallend is bijvoorbeeld het feit dat in de Republiek grote hoeveelheden
patenten werden aangevraagd door kooplieden, artsen en zelfs edelen.
Tijdvak 8
8.1 – De verlichting
- De meeste mensen in de 18de eeuw geloofden dat God een directe invloed op
hun leven had. Ze geloofde in de rituele van de kerk en kregen er een gevoel
van zekerheid van.
- Voltaire vond dit gevoel van zekerheid misplaatst, want voor de werking van
rituelen was geen bewijs. Hij nam niet zomaar aan wat de Kerk vond, maar
zocht naar bewijzen en onderbouwde standpunten met logische redeneringen.
- Sinds de enorme wetenschappelijke revolutie was het vertrouwen in het eigen
verstand (ratio) enorm gegroeid. Wetenschap werd zelfs een hobby van de
adel en van velen uit de burgerij. We noemen dit maatschappelijke
verschijnsel van deze nieuwe, kritische manier van denken de Verlichting.
Kritiek op de kerk en samenleving
- Verlichte denkers hielden zich niet alleen bezig met de relatie van God tot de
natuur. Ze waren ook heel kritisch over de samenleving en de rol van de kerk.
Veel verlichte denkers vonden dat er onnodig veel onderdrukking, armoede en
uitbuiting in de samenleving bestond.
- Opvoeding en scholing zagen de verlichte denkers als de belangrijkste manier
om de samenleving als geheel te verbeteren: mensen moesten worden
opgevoed tot verantwoordelijke en kritische burgers. Beter onderwijs en
steeds meer onderzoek zou ook leiden tot steeds meer kennis.