Deeltentamen 1: 30 sep
Bestaande uit:
HOORCOLLEGE 1 – 7 sep............................................................1
HOORCOLLEGE 2 – 14 sep..........................................................7
HOORCOLLEGE 3 – 21 sep........................................................12
HOORCOLLEGE 4 – 28 sep........................................................17
LITERATUUR............................................................................ 23
WEEK 1:..................................................................................................23
WEEK 2:..................................................................................................31
WEEK 3:..................................................................................................39
WEEK 4:..................................................................................................46
BEGRIPPENLIJST......................................................................52
QUIZLET LINKS........................................................................ 62
HOORCOLLEGE 1 – 7 sep
INTRODUCTIE
1
,Binnen Over de grenzen van disciplines staan drie onderdelen centraal: de
filosofische veronderstellingen van onderzoek, de geschiedenis van
verschillende disciplines en de relatie tussen wetenschap en
maatschappij.
De sociale wetenschappen willen kennis ontwikkelen over mensen en de
maatschappij. Daarvoor moeten sociale wetenschappers nadenken over
de aard van de werkelijkheid, de mogelijkheid om betrouwbare kennis te
verkrijgen en de methoden die daarvoor geschikt zijn.
GESCHIEDENIS VAN DE SOCIALE WETENSCHAPPEN
(zie Bos, hfst 2 Research Ethics for Students Social Sciences)
Wetenschap is een kennissysteem dat bestaat uit kennis, methoden en
instituties. Een belangrijk uitgangspunt is Take nobody’s word for it. Een
wetenschappelijke uitspraak moet niet worden geaccepteerd omdat een
gezaghebbend persoon haar doet, maar moet worden onderzocht en
onderbouwd.
De sociale wetenschappen ontstonden in de tweede helft van de 19e
eeuw. Zij hebben wortels in zowel de natuurwetenschappen als de
geesteswetenschappen.
1. In de 19e eeuw richtte de politieke economie zich op de beheersing
van het collectief, onderzocht de psychologie de wetten van de
geest en was de antropologie verbonden aan kolonialisme.
2. In de eerste helft van de 20e eeuw ontstonden afzonderlijke
disciplines en specialisaties. Ook ontstond een methodenstrijd over
de juiste manier om mensen en samenlevingen te onderzoeken.
3. In de tweede helft van de 20e eeuw werden de sociale
wetenschappen professioneler en zelfstandiger. Toegepaste
wetenschap, democratisering en de kritische functie van
wetenschap werden belangrijker.
4. In de 21e eeuw raakten wetenschap, maatschappij en politiek
steeds sterker met elkaar verweven. Ook nam de interdisciplinaire
samenwerking toe.
WEBER EN ACADEMISCHE VRIJHEID
Volgens Weber moeten wetenschappers betrouwbare kennis ontwikkelen
en zuivere methoden gebruiken. Tegelijkertijd is wetenschappelijke kennis
altijd tijdelijk, omdat nieuwe inzichten bestaande kennis kunnen
corrigeren.
Wetenschappelijke onafhankelijkheid en waarheidsvinding zijn hierbij
belangrijk. Tegenwoordig bestaat discussie over wetenschappelijke
2
,vrijheid, externe belangen en de bureaucratisering van onderwijs en
onderzoek.
20e EEUW: ROBERT MERTON EN CUDOS
Merton formuleerde vijf normen voor wetenschap.
1. Communalism betekent dat wetenschappelijke kennis gezamenlijk
wordt ontwikkeld en gedeeld.
2. Universalism betekent dat kennisclaims aan universele en
onpersoonlijke criteria worden beoordeeld.
3. Disinterestedness betekent dat wetenschap niet gericht hoort te
zijn op persoonlijk belang, roem of eer.
4. Organized Skepticism betekent dat kennisclaims altijd kritisch
moeten worden onderzocht.
5. Originality betekent dat wetenschap nieuwe kennis moet
voortbrengen.
DRIE FILOSOFISCHE KERNVRAGEN
Binnen de sociale wetenschappen staan drie filosofische vragen centraal.
1. Ontologie gaat over de vraag waaruit de werkelijkheid bestaat.
2. Epistemologie gaat over wat kennis is en hoe we kunnen weten of
kennis waar en betrouwbaar is.
3. Methodologie gaat over de methoden waarmee kennis wordt
verzameld.
Deze vragen hangen samen. Opvattingen over de werkelijkheid
beïnvloeden wat als geldige kennis wordt gezien en welke
onderzoeksmethoden passend worden gevonden.
ONTOLOGIE = zijnsleer
Waaruit of hoe bestaat de (sociale) werkelijkheid?
MONISME EN DUALISME
Monisme gaat ervan uit dat er één substantie bestaat, eventueel met
verschillende verschijningsvormen.
- Volgens Spinoza zijn lichaam en geest verschijningsvormen van
dezelfde substantie. Het handelen van mensen is gedetermineerd,
waardoor geen vrije wil bestaat.
- Volgens Marx is de maatschappij het resultaat van een historisch
noodzakelijk materieel proces. Op de slide wordt hierbij wel ruimte
gelaten voor vrije wil.
- Binnen sommige neurowetenschappelijke benaderingen, zoals die
van Swaab, wordt het denken bepaald door elektrochemische
processen in het brein. Volgens deze opvatting bestaat geen vrije
wil.
Dualisme stelt juist dat lichaam en geest twee fundamenteel verschillende
substanties zijn.
- Volgens Descartes is het lichaam deelbaar en de geest niet. De twee
zouden via de pijnappelklier op elkaar inwerken. De mens beschikt
volgens hem wel over vrije wil.
3
, - Volgens Chalmers kan bewustzijn niet volledig worden
teruggebracht tot fysieke processen. Er blijft een verschil bestaan
tussen subjectieve ervaringen en objectief waarneembare
processen.
REDUCTIONISME EN HOLISME
- Reductionisme verklaart verschijnselen door ze
terug te brengen tot kleinere onderdelen.
Menselijk gedrag kan dan bijvoorbeeld worden
verklaard vanuit neuronen of andere lichamelijke
processen.
- Holisme verklaart verschijnselen vanuit het
grotere geheel. Een individu kan vanuit deze
benadering niet volledig worden begrepen zonder
aandacht voor sociale relaties, instituties en
culturen.
DURKHEIM EN SOCIAL FACTS
Volgens Durkheim bestaan er social facts: manieren van handelen, denken
en voelen die buiten het individu bestaan en het individu beïnvloeden.
Instituties kunnen daardoor invloed uitoefenen op het gedrag van
mensen. De maatschappij heeft volgens deze benadering een eigen
werking die niet volledig tot afzonderlijke individuen kan worden
gereduceerd.
EPISTEMOLOGIE
Epistemologie onderzoekt wat kennis is en hoe we kunnen bepalen of
onze kennis waar en betrouwbaar is.
- Een epistemische claim is een uitspraak die aanspraak maakt op
waarheid. Zo’n claim moet worden ondersteund door
rechtvaardigingen. Iedere rechtvaardiging kan zelf ook weer een
epistemische claim zijn die onderbouwing nodig heeft.
- De claim dat vrijwilligerswerk gelukkig maakt kan bijvoorbeeld
worden ondersteund met de uitspraken dat helpen de eigenwaarde
versterkt, dat helpers hun leven als zinvoller ervaren en dat
vrijwilligers minder depressief zijn. Ook deze uitspraken moeten
echter worden onderbouwd.
DE PARADOX VAN SEARLE
Searle vraagt hoe iets objectief kan bestaan terwijl het alleen bestaat
doordat mensen het gezamenlijk erkennen. Geld en het huwelijk zijn
voorbeelden.
Geld heeft geen intrinsieke waarde. Een stuk papier, metaal of een
digitaal cijfer krijgt pas waarde doordat mensen die waarde gezamenlijk
erkennen. Zodra deze erkenning bestaat, heeft geld wel echte gevolgen
binnen de sociale werkelijkheid.
4
,METHODOLOGIE
Methodologie gaat over de onderzoeksmethoden waarmee sociale
wetenschappers kennis verkrijgen. Iedere methode veronderstelt
bepaalde ontologische en epistemologische keuzes.
Verschillende methoden leveren verschillende soorten kennis op:
Genetisch onderzoek richt zich op biologische determinanten. Een
functionele MRI scan onderzoekt hersenprocessen. Een diepte interview
onderzoekt sociale betekenissen. Een casestudy onderzoekt de historische
samenhang tussen factoren. Een experiment onderzoekt causale relaties.
Een survey onderzoekt statistische verbanden. Participerende observatie
wordt gebruikt om een cultuur te leren kennen.
POSITIVISME
- Het positivisme gaat uit van ware en observeerbare feiten. Het is
empirisch gericht en probeert speculatie te vermijden.
- Positivisten zoeken naar causale verklaringen en algemene wetten,
naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen. Het experiment is
hierbij een belangrijke methode. Het doel is om verschijnselen te
verklaren en te voorspellen.
- Binnen het deductief nomologische model wordt individueel gedrag
verklaard vanuit algemene wetten. Dit wordt ook de covering law
theory genoemd. De frustratie agressiehypothese en het
bystandereffect worden als voorbeelden gebruikt.
- Een voordeel van het positivisme is de nadruk op precisie, controle
en vooruitgang van kennis. Een nadeel is dat algemene wetten niet
altijd op menselijk gedrag van toepassing zijn. Menselijk gedrag is
mogelijk niet volledig gedetermineerd.
HERMENEUTIEK
- De hermeneutiek richt zich op intenties, betekenissen en historische
processen. Het doel is menselijk gedrag te begrijpen vanuit de
belevingswereld en context van mensen. Dit wordt Verstehen
genoemd.
- De hermeneutiek zoekt naar verbanden en regelmatigheden, maar
niet naar universele wetten. Zij gaat uit van contingentie: onder
andere omstandigheden hadden gebeurtenissen anders kunnen
verlopen.
- Hermeneutische benaderingen komen voor binnen casestudy’s,
klinische psychologie, antropologie, kritische sociologie,
discourseanalyse en interactieanalyse.
- Een voordeel is dat de hermeneutiek aansluit bij de belevingswereld
van mensen en ruimte laat voor verandering. Nadelen zijn dat
interpretaties moeilijk controleerbaar kunnen zijn en dat de intenties
van mensen mogelijk niet volledig kenbaar zijn.
DE METHODENSTRIJD
De methodenstrijd ging over de vraag of de sociale wetenschappen
moesten kiezen voor positivisme of hermeneutiek.
5
, - Behavioristen beschouwden gedrag als volledig gedetermineerd en
verklaarbaar. De fenomenologie stelde dat mensen alleen kunnen
worden begrepen vanuit hun relaties tot de wereld.
- Volgens Weber moeten de sociale wetenschappen zowel causale als
historische verbanden onderzoeken. Ook Freud combineerde
causale en historische verklaringen.
- Volgens Abma wordt de tegenstelling tussen natuurwetenschappen
en geesteswetenschappen overdreven. Sociale wetenschappers
kunnen patronen in observeerbaar gedrag onderzoeken en
tegelijkertijd rekening houden met de historische context.
Interdisciplinaire samenwerking is hierbij belangrijk.
SOCIALE WETENSCHAPPEN IN DEBATTEN
Aan maatschappelijke debatten nemen verschillende partijen deel.
Individuen hebben persoonlijke belangen, maatschappelijke organisaties
vertegenwoordigen sociale, culturele en politieke belangen, commerciële
partijen hebben economische belangen en overheden hebben politieke en
nationale belangen. Ook partijen zonder stem en de ecologische
omgeving worden genoemd. Deelnemers kunnen redeneren vanuit
economische, politieke, emancipatoire, ethische, morele of spirituele
uitgangspunten.
POSITIE VAN DE WETENSCHAPPER
Een wetenschapper kan drie posities innemen.
1. Een neutrale wetenschapper probeert buiten het debat te staan en
alleen feiten weer te geven.
2. Een geëngageerde wetenschapper is betrokken, kiest een positie en
erkent deze betrokkenheid.
3. De middenweg houdt in dat een wetenschapper samenwerkt met
belanghebbenden, maar autonoom blijft en verantwoording aflegt
over gemaakte keuzes.
ONDERZOEK IS NIET VOLLEDIG NEUTRAAL
De formulering van een onderzoeksvraag wordt beïnvloed door belangen.
Ook het meten van een construct vraagt om keuzes. Daarnaast brengt
communicatie over een maatschappelijk probleem altijd enige
betrokkenheid met zich mee.
Sociale ongelijkheid laat dit zien. De uitspraak dat ongelijkheid bestaat,
veronderstelt al een gelijkheidsideaal. Ook moet een onderzoeker kiezen
6