Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 21 pagina's
Overig

Oefenvragen Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie (Korrelboom e.a., 3e druk 2025) – 150 toepassingsvragen met antwoord

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 21 pagina's

150 toepassingsvragen met antwoord bij alle vijftien hoofdstukken van Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie, 3e druk (2025). Geen weetjes: je oefent met korte, fictieve casusfragmenten. Welke analyse kies je? Hoe noteer je dit in de FA of BA? Welke interventie past, en in welke volgorde? Handig om je voor te bereiden op een lesdag, om te oefenen met je intervisiegroep of om te checken of je de stof echt kunt toepassen. 21 pagina's, 10 vragen per hoofdstuk. Past bij de complete samenvatting en de begrippenlijst, en is met beide verkrijgbaar in een voordelige bundel.

Voorbeeld van de inhoud

Vragenbank
Toepassingsvragen bij de samenvatting van Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie (Korrelboom, Ten Broeke
& Van Dijk, 2025, derde druk) · per hoofdstuk, met eigen fictieve casusfragmenten


Zo gebruik je de vragenbank
Lees eerst alleen de vraag en formuleer je eigen antwoord, liefst hardop of op papier.
Vergelijk daarna met het antwoord. Het gaat om kiezen, noteren, onderscheiden en volgorde; niet
om weetjes.
Alle casusfragmenten zijn verzonnen.



Hoofdstuk 1 · Cognitieve gedragstherapie en psychotherapie: een
plaatsbepaling

V: 1. Een collega stelt voor om midden in je CGT-behandeling een reeks exploratieve sessies in te voegen
waarin je vooral volgt en niet stuurt. Op welke van de twee toelatingseisen loopt dat vast?

A: Op de tweede, de procedurele inpasbaarheid. Zelfs als er iets wetenschappelijks over te zeggen valt,
botst de volgende, niet-sturende houding met de gestructureerde en doelgestuurde werkwijze van CGT.
Beide eisen moeten tegelijk kloppen.

V: 2. Een therapeut biedt een behandeling aan die op een zelfbedacht energiemodel berust. Patiënten
voelen zich er gesteund door en haken zelden af. Welk kernwoord uit de definitie ontbreekt, en waarom telt
tevredenheid hier niet als tegenargument?

A: Wetenschappelijke (klinische) psychologie. De methode steunt niet op psychologische kennis en past die
dus ook niet procesmatig toe. Dat patiënten zich beter voelen, maakt iets nog geen psychotherapie in de zin
van de definitie; bovendien zegt tevredenheid niets over aangetoonde effectiviteit.

V: 3. Een collega begint in de eerste sessie meteen met een oefening, zonder vraagverheldering, zonder
afgesproken doel en zonder ooit te meten hoe het gaat. Welk kernwoord uit de definitie schiet tekort, en wat
ontbreekt precies?

A: Proces. Er is geen diagnostiekfase (wat speelt er en waardoor?), geen doelstellingsfase en geen
monitoring; ook een rationale bij de oefening lijkt te ontbreken. Die fases mogen kort zijn, maar horen er
vrijwel altijd bij.

V: 4. Je startte met de richtlijnbehandeling, maar na vier sessies ben je vooral aan het steunen en
exploreren. Hoe heet dit, en welke vraag stel je jezelf als eerste?

A: Therapist drift: gestart met de aangewezen behandeling en die daarna op een heel andere manier
voortgezet. Vraag: pas ik de werkzame procedure nog aan op deze patiënt, of heb ik haar losgelaten? Dat
laatste is drift, ook als je er argumenten voor kunt bedenken; therapeuten vinden die volgens het hoofdstuk
opvallend vaak.

V: 5. Een collega zegt: "alle therapieën werken toch ongeveer even goed, dus doe maar waar je zelf goed in
bent." Wat breng je daartegen in?

A: Die gelijkheid geldt hooguit voor globale effecten bij bont samengestelde groepen. Bij homogene groepen
en klachtspecifieke uitkomstmaten verdwijnt ze vaak, en dan is de specifieke interventie dikwijls het




Vragenbank Geïntegreerde CGT · 1/21

,effectiefst; die komt doorgaans uit de CGT.

V: 6. Iemand noemt GCGT "gewoon eclectisch werken". Waarin verschilt het?

A: Eclectisch werken put uit meerdere scholen zonder gedeeld vertrekpunt, waardoor de verbindende
structuur ontbreekt. Assimilatieve integratie vertrekt vanuit één verankerde methodiek en laat er alleen iets
bij komen dat aan beide toelatingseisen voldoet.

V: 7. "De cirkel van Lambert laat zien dat techniek maar 15% doet, dus laat die protocollen maar los." Noem
twee bezwaren.

A: Eén: de percentages zijn schattingen, geen tellingen, en ze gaan over behandelingen van veertig tot
zestig jaar geleden. Twee: het effect van de therapeutische relatie is in ander onderzoek middelmatig van
grootte, substantieel maar niet doorslaggevend.

V: 8. Een patiënt geeft bij intake aan liever een andere behandeling te krijgen dan de aangewezen. Wat zegt
het hoofdstuk over het meewegen van die voorkeur?

A: Rekening houden met voorkeur geeft minder uitval en een betere alliantie; extra klachtreductie werd in
een recente meta-analyse niet gevonden, in een oudere wel een klein effect. Vertrouwen en commitment
vroeg opbouwen is dus zinnig; een intensieve onderhandelingsprocedure bij elke intake weegt niet op tegen
de opbrengst.

V: 9. Voor de klachten van je patiënt bestaat geen empirisch ondersteunde behandeling. Is CGT dan
uitgespeeld?

A: Nee. Voor ruwweg 65% van de DSM-5-stoornissen ontbreekt zo'n behandeling. Je valt dan terug op
kennis uit de wetenschappelijke psychologie, op onderzoek dat niet aan een classificatie hangt, en op een
eigen casusconceptualisatie.

V: 10. Een nieuwe aanmelding: spanningsklachten sinds een verhuizing. In welke volgorde plaats je die
voordat je een interventie kiest?

A: Een eigen ordening op basis van het hoofdstuk: eerst nagaan of er lijden is waarin psychologische
mechanismen oorzakelijk of instandhoudend meespelen, en hoe je de klachten verklaart. Dan een concreet
doel afspreken. Dan kijken wat richtlijn of zorgstandaard aanwijst en dat afstemmen op deze persoon met
een casusconceptualisatie. Pas daarna eventueel aanvullen met iets van buiten, en alleen onder de twee
eisen. De voortgang monitor je het hele traject.


Hoofdstuk 2 · Gedragstherapie, cognitieve therapie en CGT

V: 1. Een collega stelt bij een patiënt met smetvrees voor om samen de vuilnisbak aan te raken en daarna
een uur niet te wassen. Uit welke traditie komt die interventie, en welk verklaringsmodel zit eronder?

A: Uit de klassieke lijn: exposure met responspreventie, ontwikkeld in de Maudsley-groep. Het model
erachter is Mowrers tweefactorentheorie: de vrees is klassiek geconditioneerd, het wassen is de operant
bekrachtigde vermijding, waardoor de patiënt niet ervaart dat er geen echt gevaar is. Het doorbreken van die
vermijding volgt direct uit Mowrer.

V: 2. Een patiënt zegt: "Als ik op mijn werk een fout meld, word ik de eerste die er bij een reorganisatie uit
gaat." Welk type opvatting is dit en wat doe je ermee?

A: Een voorspellende conditionele opvatting op het intermediaire niveau. Ze voorspelt een feitelijk gevolg en
is dus te onderzoeken: zoek of maak de situatie en kijk of het voorspelde uitkomt.



Vragenbank Geïntegreerde CGT · 2/21

, V: 3. Dezelfde patiënt zegt daarna: "Als je een fout maakt, ben je onbetrouwbaar." Waarom werkt hier
hetzelfde experiment niet?

A: Dit is een evaluatieve conditionele opvatting: een waardeoordeel, geen voorspelling. Over oordelen kun
je van mening verschillen, dus objectief vaststellen kan niet. Je onderzoekt of het oordeel voor deze patiënt
nog geloofwaardig en invoelbaar is.

V: 4. In je verslag schrijf je: "Patiënt denkt in zwart-wit." Op welk niveau van Becks model heb je daarmee
iets gezegd, en op welk niveau nog niet?

A: Op het niveau van de automatische gedachtes: zwart-witdenken is een denkstijl daarin. Over de
intermediaire opvattingen en kernopvattingen eronder zegt het nog niets; die blijven hypotheses die je
samen met de patiënt opbouwt.

V: 5. Een patiënte met sociale angst durft geen presentatie te geven. Je wilt beginnen met een oefening in
de zaal waar ze straks moet spreken. Uit welke twee tradities put je, en wat voegt de tweede toe?

A: Uit de klassieke lijn de blootstelling zelf (exposure), uit de cognitieve therapie het gedragsexperiment, dat
haar verwachting als interpretatie centraal zet: ze moet ervaren dat wat ze vreest niet gebeurt. Volgens het
hoofdstuk lijken beide sterk op elkaar, maar vallen ze niet samen. (Dat je de verwachting vooraf opschrijft,
werkt het boek pas later uit, in hoofdstuk 10.)

V: 6. Voor de klacht van je patiënt bestaat een protocol, maar de casusconceptualisatie laat zien dat één
onderdeel bij hem averechts werkt. Welke van de vier opties kies je, en wat vraagt die keuze van je?

A: PB−: het protocol met dat onderdeel eruit. Hoe verder je van de EST afwijkt, hoe meer je moet
beargumenteren; de casusconceptualisatie moet die weglating dragen.

V: 7. Een intaker schrijft: "Verklaring van de klachten: paniekstoornis." Wat klopt daar niet aan?

A: Een DSM-classificatie is in de meeste gevallen alleen beschrijvend. Ze zegt wat je ziet, niet wat de
klachten veroorzaakt of in stand houdt. Daarvoor heb je functionele diagnostiek nodig.

V: 8. Je leest in een oud dossier een analyse in de vorm S-O-R-C. Waar komt dat schema vandaan, en wat
is de O?

A: Uit de gedragstherapie, toen het strikte prikkel-reactiemodel tekortschoot bij problemen die zich in het
hoofd afspelen. De O staat voor niet waarneembare factoren binnen de persoon: eerst alleen biochemisch,
later ook gewoontes, persoonlijkheidskenmerken en cognities. De C is de consequentie van het gedrag.

V: 9. Een patiënt met een persoonlijkheidsstoornis reageert op elk tegenvoorbeeld met "ja, maar dat was
toeval". Wat zegt het hoofdstuk over kernopvattingen dat dit verklaart, en welk tweede probleem moet je in
de gaten houden?

A: Kernopvattingen zijn rigide: corrigerende ervaringen krijgen er nauwelijks vat op. Het tweede probleem is
dat functionele alternatieve opvattingen vrijwel kunnen ontbreken; dan volstaat ondergraven niet en moet je
nieuwe opvattingen opbouwen en verankeren.

V: 10. Je wilt weten welke automatische gedachte bij een patiënt opkwam tijdens een ruzie, maar hij zegt
dat hij zich niets herinnert. Waar begin je in plaats daarvan?

A: Bij de emotie. Die valt op en blijft langer hangen dan de gedachte. Vanuit het gevoel zoek je terug naar
wat er vlak ervoor en tijdens door hem heen ging.




Vragenbank Geïntegreerde CGT · 3/21

Gekoppeld boek
 image
Kees Korrelboom, Erik ten Broeke Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie
Uitgever: 03 november 2025 ISBN: 9789046909072 Druk: 3

Documentinformatie

Geüpload op
21 september 2026
Aantal pagina's
21
Geschreven in
2026/2027
Type
Overig
Persoon
Onbekend
€5,98

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
JGoslinga
4,2
(10)
Verkocht
144
Volgers
73
Items
27
Laatst verkocht
10 uur geleden


Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen