Bij de samenvatting van Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie (Korrelboom, Ten Broeke & Van Dijk, 2025,
derde druk) · per hoofdstuk, in eigen woorden
Zo gebruik je deze lijst
Per hoofdstuk staan de begrippen in de volgorde waarin ze in het hoofdstuk voorkomen.
Een begrip wordt volledig uitgelegd bij het hoofdstuk dat het introduceert. Latere (en soms eerdere)
hoofdstukken verwijzen daarnaar met zie H3, zo nodig met wat er in dat hoofdstuk bij komt.
§ is de paragraaf in het boek. De notatie (+S+, −S−, ~S−, Sd, OS, pijl en boogje) staat hieronder in
één tabel.
Notatie in het hele boek
Teken Betekenis Herkomst
+S+ Er verschijnt iets prettigs: positieve bekrachtiging (Sr-pos) H3, H5
−S− Er verdwijnt iets naars: negatieve bekrachtiging (Sr-pos) H3, H5
~S− Iets verwacht naars blijft uit: negatieve bekrachtiging (Sr-pos); de tilde H3, H5
staat voor uitblijven
+S− Er verschijnt iets naars: positieve straf (FNC) H3, H5
−S+ Er verdwijnt iets prettigs: negatieve straf (FNC) H3, H5
~S+ Iets verwacht prettigs blijft uit: negatieve straf (FNC) H3, H5
Sr-pos De verwachte opbrengst van het gedrag (+S+, −S−, ~S−), een H5
representatie en dus hypothese
FNC Feitelijke negatieve consequenties van het gedrag (+S−, −S+, ~S+) H5
R Het gedrag dat de FA verklaart; altijd een operant H3, H5
Sd De context waarin het verband tussen gedrag en opbrengst volgens de H5
patiënt geldt
SΔ De context waarin het gedrag niets oplevert of ongewenst is H3
CS US UR CR Geconditioneerde stimulus, ongeconditioneerde stimulus en respons, H3, H7
geconditioneerde respons; in de BA staat US/UR voor de beladen
representatie
OS · OS:CS Occasion setter: context die bepaalt of de CS de US/UR-representatie H4, H7
activeert; genoteerd met een dubbele punt vóór de CS
pijl → · dikkere pijl Sequentieel verband: de CS (of de R) kondigt iets aan; een dikkere pijl H3, H7
voor een causaal verband
boogje Referentieel verband: de CS verwijst naar de US/UR en draagt er lading H3, H7
van, zonder iets aan te kondigen
Samenvatting Geïntegreerde CGT · begrippenlijst · 1/59
,Teken Betekenis Herkomst
= Identiteitsrelatie: CS en US/UR zijn voor de patiënt hetzelfde (type 4a en H7
4b)
ovaal · rechthoek Ovaal: hypothese (Sr-pos-, US/UR-representatie); rechthoek: na te vragen H5, H7
of feitelijk (Sd, R, FNC, CS, CR)
Hoofdstuk 1 · Cognitieve gedragstherapie en psychotherapie: een
plaatsbepaling
Begrip Uitleg §
(G)CGT, geïntegreerde Gewone, vakkundig uitgevoerde CGT die openstaat voor zinvolle 1.1, 1.2
cognitieve aanvullingen van buiten; de extra G geeft die integratiebereidheid aan
gedragstherapie en staat niet voor een nieuwe therapievorm.
Psychotherapiebubbel Een methodiek met eigen vereniging, opleidingen, congressen en 1.2
vakbladen, waarbinnen de ontwikkeling vooral intern verloopt; weinig
uitwisseling met andere bubbels en gevoelig voor kokervisie.
Geïntegreerde Het streven om de vele losse methodes samen te brengen tot meer 1.2
(geünificeerde) eenheid of zelfs één psychotherapie; de auteurs hopen daarop, met de
psychotherapie (klinisch-)psychologische wetenschap als basis.
Eclecticisme Stroming binnen het integratiestreven die ervan uitgaat dat veel 1.2
methodes iets waardevols hebben bijgedragen dat iedere behandelaar
mag gebruiken, los van zijn school; loopt vast op het ontbreken van een
verbindende structuur.
Integratie van methodieken Zoeken naar gedeelde kenmerken van therapieën om daaruit 1.2
overkoepelende theorieën en behandelprincipes af te leiden; de
verklaringen blijken vaak te abstract om te toetsen of in de praktijk te
combineren.
Niveau van het zie H4 (therapeutisch aangrijpingspunt); in dit hoofdstuk: een van de 1.2
therapeutisch niveaus waarop je therapieën kunt vergelijken: de procedures in de
aangrijpingspunt sessie en de oefeningen die de patiënt zelf doet.
Contextueel niveau zie H4 (therapeutische context); in dit hoofdstuk: in CGT gestructureerd, 1.2
doelgestuurd en sturend, wat goed aansluit bij oefenen.
EST (empirically supported Empirisch ondersteunde behandeling (empirically supported treatment): 1.2,
treatment) een aanpak waarvan onderzoek voor een bepaald probleem heeft 1.4,
aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij werkt; tegenwoordig 1.5.3
vastgelegd in richtlijnen en zorgstandaarden.
Assimilatieve integratie Integreren vanuit één stevig verankerde methodiek, die elementen uit 1.2
andere methodieken opneemt wanneer daar reden voor is (naar
Norcross).
Twee pijlers van GCGT De basis voor integratie: de (klinisch-)psychologische wetenschap, die 1.2
de kennis levert, en het CGT-behandelproces, dat die kennis (en wat er
nog niet uit volgt) in de behandelkamer vorm geeft.
Samenvatting Geïntegreerde CGT · begrippenlijst · 2/59
,Begrip Uitleg §
Casusconceptualisatie De individuele verklaring van de klachten van deze patiënt, waarop het 1.2
behandelplan rust en die altijd nodig is om ook een bewezen interventie
op hem af te stemmen; dat ze de effectiviteit verhoogt, is nog niet
overtuigend aangetoond.
FABA zie H3; in dit hoofdstuk: de basis van de casusconceptualisatie in GCGT, 1.2
gebouwd op de wetenschappelijke psychologie en vooral de huidige
conditioneringsmodellen.
Empirische cyclus De werkwijze van wetenschappelijk onderzoek; de CGT-werkwijze 1.2
vertoont er duidelijke overeenkomsten mee, als uiting van haar
academische achtergrond.
Wetenschappelijke Eerste grens van de open opstelling: wat wordt ingepast, moet 1.2
verbondenheid voldoende aan de wetenschap gerelateerd zijn of kunnen worden, via
bewezen effect of via de status van de onderliggende theorie.
Procedurele inpasbaarheid Tweede grens: wat wordt ingepast, moet passen binnen het CGT-proces 1.2
met zijn gestructureerde, doelgestuurde en sturende werkwijze.
Psychologische Neutralere term voor psychotherapie, die het boek als gelijkwaardig 1.3
behandeling gebruikt; het boek gaat over het vak en niet over het beroep
psychotherapeut.
Cognitieve Een behandelproces waarin de therapeut transparant en volgens vooraf 1.4
gedragstherapie (definitie) gemaakte afspraken kennis en methodes gebruikt die op de
wetenschappelijke psychologie steunen en zo goed mogelijk bewezen
werken, met als doel dat de emotionele en/of gedragsproblemen van de
patiënt duurzaam en wezenlijk afnemen.
Proces (kernwoord) Behandelen is meer dan één advies: er is vrijwel altijd een diagnostiek-, 1.4
doelstellings- en interventiefase, met monitoring van de voortgang in alle
fases; fases mogen kort zijn.
Rationale De uitleg waarin een procedure wordt verpakt, zodat de patiënt begrijpt 1.4
waarom hij iets doet en gestimuleerd wordt het goed uit te voeren.
Transparant (kernwoord) De werkwijze kent in principe geen geheimen: de patiënt hoort hoe de 1.4
therapeut zijn probleem ziet en hoe hij het wil aanpakken; beredeneerd
afwijken mag soms.
Wetenschappelijke De methodes steunen idealiter op psychologische kennis die 1.4
(klinische) psychologie procesmatig wordt toegepast; wat klachten verlicht zonder die basis, is
(kernwoord) nog geen psychotherapie.
Effectief (kernwoord) Het streven om vooral methodes te gebruiken waarvan onderzoek de 1.4
werking heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt, afgestemd op de
kenmerken en omstandigheden van de patiënt.
Therapist drift Starten met de aangewezen EST en de behandeling daarna op een heel 1.4
andere manier voortzetten.
Samenvatting Geïntegreerde CGT · begrippenlijst · 3/59
, Begrip Uitleg §
Emotionele en/of Er moet emotioneel of gedragsmatig lijden zijn waarin psychologische 1.4
gedragsproblemen mechanismen een oorzakelijke of instandhoudende rol spelen; dat
(kernwoord) begrenst indicatie en doelen en stelt eisen aan ethiek en bejegening.
Beginfase, De drie periodes van de moderne psychotherapie: strijd tussen de 1.5
consolidatiefase, huidige scholen (ca. 1900–1970), vreedzaam naast elkaar in bubbels (ca. 1970–
fase 2000), en een groeiende oriëntatie op de wetenschap (vanaf ca. 2000).
Symptoomverschuiving Het door inzichtgevende therapeuten voorspelde verschijnsel dat na 1.5.1
gedragstherapie een andere klacht de plaats van de behandelde
inneemt; onderzoek bevestigde dat niet, andere klachten namen eerder
ook af.
Dodo-oordeel De stelling dat alle therapieën ongeveer even goed werken; houdt vaak 1.5.1
geen stand bij homogene patiëntengroepen en klachtspecifieke
uitkomstmaten.
Klachtspecifieke Een behandeling die is ontwikkeld en onderzocht voor een homogeen, 1.5.1
interventie met DSM-criteria omschreven probleem; meestal afkomstig uit de CGT
en dan vaak het effectiefst.
Common factors Werkzame factoren die alle therapieën zouden delen, zoals de relatie en 1.5.2
de hoop en verwachting van de patiënt; welke factoren dat precies zijn,
is nog onduidelijk (klassiek voorbeeld: Frank).
Cirkel van Lambert Taartdiagram dat behandeleffecten verdeelt over 40% factoren buiten de 1.5.2
therapie, 45% common factors en 15% specifieke techniek; gebaseerd
op schattingen over oude behandelingen, niet op tellingen.
Placebo-effect Andere naam voor de common factor hoop en verwachting: wat de 1.5.2
patiënt van de behandeling verwacht, kan door de therapie zelf worden
gewekt of versterkt.
Differentiële Het per patiënt toewijzen van de meest geschikte therapieschool door 1.5.2
indicatiestelling multimethodische indicatiestaven, op grond van klinisch inzicht en
ervaring en niet van onderzoek.
Expertmodel Indicatiestelling waarbij één of meer deskundigen bepalen welke 1.5.2
behandeling de patiënt krijgt; bekritiseerd als paternalistisch.
Shared decision making Met de patiënt onderhandelen over het soort behandeling; voorkeur 1.5.2
(SDM) meewegen geeft minder uitval en een betere alliantie, maar geen of
hooguit een klein extra effect op de klachten.
DSM Het classificatiesysteem voor psychische stoornissen (nu DSM-5-TR) 1.5.1,
waarmee stoornissen in onderzoek en richtlijnen doorgaans worden 1.5.3
vastgesteld.
Richtlijnen en Documenten die de effectiefste behandelingen samenvatten en per 1.5.3
zorgstandaarden (DSM-)stoornis aangeven welke empirisch ondersteunde
behandeling(en) de voorkeur hebben.
Samenvatting Geïntegreerde CGT · begrippenlijst · 4/59