Kenmerken van onderzoekers:
Houding: onafhankelijk, open en professioneel
Kennis: kennis van methoden en onderwerpen
Vaardigheden: bezig zijn met je onderzoek en daarvoor trucjes en methodes kennen.
Onderzoeksplan
1. Formuleren probleemstelling
2. Kijken of andere onderzoeken zijn gedaan naar de vastgestelde probleemstelling en wat de
conclusies zijn
3. Deadline en budget vaststellen
4. Overleg met begeleiders, medeonderzoekers en opdrachtgever
Fundamenteel onderzoek
Je beantwoordt meestal vragen die niet primair gericht zijn op toepassing in de praktijk. We noemen
dat een kennisvraag (wetenschappelijk).
Praktijkgericht onderzoek
Je houdt je bezig met problemen uit de praktijk; we noemen dat een praktijkvraag (dagelijkse
praktijk).
Kwalitatief onderzoek
Onderzoeken worden uitgevoerd in het ‘veld’, oftewel de werkelijkheid. De onderzoeker is
geïnteresseerd in de betekenis die onderzochte personen zelf aan situaties geven.
Holisme: onderzoekseenheden worden in de omgeving als geheel onderzocht.
Het verzamelen van gegevens is open en flexibel.
Kwantitatief onderzoek
Er wordt gebruik gemaakt van cijfermatige informatie, gegevens in cijfers over objecten, organisaties
en personen. Vervolgens worden er statische technieken gebruikt om een beschrijving van resultaten
te geven en om verwachtingen over de resultaten te testen. De onderzoeker neemt afstand van
kenmerken van objecten of eenheden van onderzoek door deze kenmerken een nummer toe te
kennen en ze zo in een bepaalde volgorde te zetten.
Triangulatie: verschillende kwantitatieve en kwalitatieve dataverzamelingsmethodes worden
gecombineerd om 1 probleemstelling te formuleren.
Inductief onderzoek
De thema’s of theorieën zijn van te voren niet bekend. Het doel van de onderzoeker is om deze
theorie gaandeweg te ontwikkelen. De onderzoeker is op zoek naar empirische regelmatigheden.
Meestal bij kwalitatief onderzoek waarbij ze werken vanuit het ‘bijzondere’ naar het ‘algemene’.
Inductief onderzoek is zo theorievormend. Iteratie is daarbij een leidend principe, want het leidt tot
een hogere kwaliteit van resultaten (vanwege de herhaling).
Deductief onderzoek
De onderzoeker formuleert verwachtingen aan de hand van (bestaande) theorieën en modellen. Hij
verzamelt en analyseert gegevens om zo na te gaan of deze theorieën standhouden. Dit uitgangspunt
wordt vaak bij kwantitatief onderzoek gebruikt, waarbij gewerkt wordt van ‘algemeen’, naar
‘bijzonder’. Deductief onderzoek is dus theorietoetsend.
Deductief en inductief onderzoek vullen elkaar aan.
,Exploratieve hypothese
Op basis van kennis en expertise hebben onderzoekers bepaalde verwachtingen over de uitkomsten
van hun onderzoek, maar dit is niet op een model of theorie gebaseerd.
Kwaliteitscriteria voor onderzoek
1. Onafhankelijkheid: objectiviteit, intersubjectief, onderzoekers zijn het met elkaar eens over
de resultaten(Dat betekend dat onderzoek op dezelfde wijze opnieuw wordt uitgevoerd door
een andere onderzoeker, tot vergelijkbare resultaten leidt) en herhaalbaar en
overeenstemming.
2. Toetsbaarheid van uitspraken: met name van toepassing op kwantitatief onderzoek. Er mag
geen onduidelijkheid bestaan over de personen of objecten waarover iets wordt gezegd,
over de tijd en plaats waarbinnen je de uitspraken doet, of over de begrippen die je gebruikt.
Het onderwerp moet openbaar en eenduidig zijn.
3. Betrouwbaarheid: toevallige fouten in de opzet en uitvoering van een onderzoek kunnen de
betrouwbaarheid aantasten. Herhaalbaarheid is een belangrijke voorwaarde om de
betrouwbaarheid te onderzoeken. Betrouwbaarheid speelt zowel in kwalitatief als
kwantitatief onderzoek een rol.
4. Informatitiviteit: het informatiegehalte moet maximaal zijn. Hangt samen met de
toetsbaarheid van de uitspraken. Je moet goed aangeven:
- Over welke situatie je een uitspraak doet
- Binnen welke grenzen je onderzoek zich afspeelt
- Welke groep daarbij betrokken is/wordt
- In welke periode je onderzoek zich afspeelt
- Wat het ‘domein’ is van je onderzoek.
5. Generaliseerbaarheid:
- Statische generalisatie: wordt doormiddel van statische testen (kwantitatief) getoetst of
een bepaald resultaat generaliseerbaar is.
- Inhoudelijke generalisatie: is vergelijkbaar van de resultaten in soortgelijke situaties.
6. Validiteit: hangt samen met de geldigheid en de zuiverheid van onderzoeksresultaten. We
willen weten of we meten wat we willen meten en dat daarbij geen systematische fouten zijn
gemaakt.
7. Praktische criteria: onderzoek moet efficiënt en bruikbaar zijn.
Empirische cyclus: het antwoord op een kennisvraag roept weer nieuwe vragen op, je begint steeds
weer op hetzelfde punt. Komt voor bij fundamenteel onderzoek.
PTO-schema: probleem, theorie, onderzoek, probleem, theorie, onderzoek enz.
Fasen in onderzoek:
1. Probleemanalyse
2. Onderzoeksopzet
3. Dataverzameling
4. Data-analyse
5. Rapportage
Werkcyclus:
Gebaseerd op de onderzoeksfasen. Voor
praktijkgerichtonderzoek.
Ook wel de onderzoekskringloop.
, Je kunt op een aantal manieren met de keuze voor een onderzoek te maken krijgen:
- Vrijekeuze: je stelt jezelf een onderwerp voor, mits het aan een aantal voorwaarden
voor je opleiding voldoet
- Praktijkopdracht: er komt een verzoek van een opdrachtgever om praktijkonderzoek te
doen naar een bepaald probleem
- Opleidingsprogramma: je moet een keuze maken uit onderwerpen die je opleiding
aanbiedt.
Tijdens de eerste afspraak met je opdrachtgever inventariseer je zijn wensen. Vaak liggen er een
vraag, probleem, een doelstelling en een aanleiding.
Afbakenen van je onderwerp: het doel is om de vraag van de opdrachtgever te vertalen naar een
onderzoekbare vraag.
In het onderzoeksvoorstel vermeldt je:
- De vraag van de opdrachtgever en de aanleiding daartoe
- De achterliggende doelstelling
- De afbakening van de begrippen en de manier waarop jij denkt dat deze vraag
beantwoordt kan worden
- Een tijdsplanning en budget.
Opzet van praktijkonderzoek
Probleemanalyse bestaande uit: de vraag van de opdrachtgever, afbakening vraag en doel,
mogelijke oplossingen en de oriëntatie opzet.
Daarna komt er een keuze opzet bestaande uit: omgeving, populatie, tijd, geld en vraagtype.
En dit samen wordt een onderzoeksvoorstel.
Objectiviteit en verborgen agenda’s
De onderzoeksopzet en –resultaten mogen niet aangepast worden aan verborgen doelstellingen van
de opdrachtgever.
Interpretatie van uitkomsten
Wees voorzichtig met de interpretatie, want niet altijd kloppen de resultaten van onderzoeken van
de pers in weergave. Ook is niet elke onderzoeker even objectief en onafhankelijk.
Gedurende het hele onderzoek wordt informatie verzameld:
a. Als onderdeel van het vooronderzoek
b. Als methode bij bijv. literatuuronderzoek
c. Als methode om nieuwe informatie te verzamelen.
Zoek- en vindplaatsen van informatie
De eerste vindplaats kan zijn het archief of het documentatiecentrum van je opdrachtgever
Tools om het zoeken van informatie gemakkelijker te maken
Een logboek is een goede ondersteuning bij het zoeken naar informatie en helpt je bij de planning en
het uitvoeren van je onderzoek. ook is de kwaliteit van de informatie belangrijk. Herhaling verhoogt
de betrouwbaarheid.
Peer review systemen: geplaatste informatie wordt door experts gecontroleerd en de herkomst van
de informatie wordt nagegaan.