Opkomst onderwijssociologie in 19e eeuw:
Voorheen was het onderwijs per gewest geregeld, Nederland was nog geen
zelfstandig land.
Nieuwe vraag: ‘Als onderwijs landelijk wordt georganiseerd, wat is hier dan de
functie van?’
Klassieke sociologen:
Durkheim (1858-1917), Marx (1818-1883) en Weber (1864-
1920) → maatschappij bestaat niet (alleen) uit individuen, maar uit instituties die
met elkaar en met maatschappij verbonden zijn
Onderwijs is één van de instituties die nauw samenhangt met de
maatschappij
Waarom ontstond deze discipline in de 18e / 19e eeuw in West-Europa en
Noord Amerika? → ontstaan onderwijssysteem waarin alle kinderen naar
school konden gaan → wat zijn de voor- en nadelen hiervan?
Hoofdelijk onderwijs in de Republiek (16e-18e eeuw):
Elk kind aparte taken met eigen overhoringen
Leraren geen opleiding nodig
Geen klaslokaal, maar willekeurige verspreiding van leerlingen over ruimte
met weinig ordening
Gereformeerde godsdienst dominante rol
Lezen, schrijven en evt. rekenen (extra geld)
Niet iedereen volgde (structureel) onderwijs → armere kinderen moeten
vaak thuis/op land
werken
Veranderingen rond 1800:
Behoefte aan pedagogisch antwoord op vragen van de samenleving
—> Verlichte ideeën die leefden:
Hoorcollege (Post)modernisme 1
, — Kindertijd als aparte levensfase
— Opvoeding en onderwijs moeten bijdragen aan intellectuele emancipatie en
de
vorming van een beter, verstandiger type mens
— Onderwijs moet beschavingsniveau van het volk verhogen
— Doel onderwijs:
Opvoeding tot een nuttig lid van de maatschappij (i.p.v. opvoeding tot
goed kerklid, dit was voorheen) → onderwijs moest zorg van de staat worden,
en niet van de kerk.
Het beschavingsniveau moest verhoogd worden.
Onderwijskundige ontwerpen voor volksonderwijs (1795) → om armoede,
zedeloosheid en criminaliteit terug te dringen. Productieve burgers nodig
voor een
verhoging van de economische standaard ten tijde van economische
recessie
Vorming nationaal onderwijsbestel
1795: politieke omwenteling met de komst van de Fransen → Nederland
wordt nationale staat ‘de Bataafse Republiek’ (geen aparte gewesten maar
een republiek geworden, nu kon er 1 vaste vorm van onderwijs komen)
Onderwijs verantwoordelijkheid van de staat → nationaal onderwijsbestel
1798: eerste grondwet
1801: eerste onderwijswet
1806(deze is pas echt in de praktijk verwerkt): derde onderwijswet en
eerste stabiele onderwijswet, die ook daadwerkelijk haar uitwerking had in
praktijk.
Volksonderwijs heeft nu politieke functie: loyaliteit van burgers stimuleren
om eenheid te creëren. → Goed openbaar onderwijs voor iedereen draagt
bij aan creëren van een gemeenschappelijke cultuur, vaderlandsliefde en
eenheid in zaken als taal (ABN), spelling, maten en gewichten.
1784: Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen
Hoorcollege (Post)modernisme 2
, Groep mannen van stand, zij verspreiden het verlichte idee van onderwijs in
Nederland.
Verlichte ideeën met cruciale invloed op de inhoud van het onderwijs:
‘Kennis is de weg naar persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling’
Eind 18e eeuw deed ‘t Nut voorstellen voor onderwijshervormingen, gericht
op verbetering en verbreding van volksonderwijs → verwerkt in eerste
onderwijswetten.
Na 1806 kwamen er opleidingen voor leraren waardoor de kwaliteit omhoog
ging.
19e eeuw:
—> Onderwijsmethoden geschreven
—> Scholen worden opgericht (Nutsonderwijs)
—> Opleidingen opgezet (Kweekschool voor onderwijzers, 1795)
—> Bibliotheken gesticht
Ontstaan klassikaal onderwijs
Onderwijswetten 1801 en 1806 benoemen het
klassikale onderwijssysteem → efficiënte manier om
onderwijs aan de massa te geven
Onderwijswet 1806:
→ Kwalificatie van leraren
→ Instellen van Inspectie
Beginfase klassikaal onderwijs rond 1830:
→ 3 klassen o.b.v. niveau met eigen bank in één klaslokaal
Elke klas was 1 rij.
→ Iedere klas eigen instructie → simultane methode
Elke rij/klas krijg apart les, de andere rijen waren zelfstandig aan het werk.
→ Invoering schoolbord, schoolboeken en (halfjaarlijks) examen
om over te kunnen naar volgende klas
→ Doel onderwijs: opvoeding tot nuttige, deugdzame leden v/d
maatschappij (i.p.v. goed kerklid)
Hoorcollege (Post)modernisme 3