Hoorcollege samenvatting sociaal en emotionele ontwikkeling
College 1:
Freud: ontwikkeling gestuurd door psychoseksuele stadia en onderbewuste motieven;
ouderlijke omgang met impulsen bepaalt persoonlijkheid; theorie bekritiseerd wegens
vaagheid en niet-falsifieerbaarheid, maar relevant door focus op vroege ervaringen en
onbewuste processen.
Voorbeeld onbewuste processen: aandachtsbias gemeten via eye-tracking, o.a. gebruikt bij
verslavingsbehandeling.
Erikson: bouwt voort op Freud maar legt nadruk op socioculturele invloeden en actieve rol
van het kind; ontwikkeling loopt door tot in volwassenheid.
Eriksons model: acht psychosociale conflicten die opgelost moeten worden voor gezonde
ontwikkeling.
Kritiek op Erikson: theorie te descriptief en moeilijk falsifieerbaar; stadia-denken wordt
tegenwoordig vervangen door een visie op ontwikkeling als continu proces.
Watson (behaviorisme): ontwikkeling verklaard vanuit observeerbaar gedrag in plaats van
onbewuste processen; psychologie moet zich richten op controleerbare, meetbare
gedragsreacties.
Kind als tabula rasa: kinderen worden geboren als een leeg blad en worden volledig
gevormd door leerervaringen en externe stimuli.
Leren via associaties: stabiele persoonlijkheidskenmerken ontstaan door aangeleerde
koppelingen tussen stimuli en reacties (habits).
Continu proces: ontwikkeling verloopt geleidelijk en continu, niet in stadia zoals bij
psychoanalytische theorieën.
Conditioneren: gedrag wordt gevormd door omgevingsinvloeden via klassieke conditionering
(Pavlov: koppeling tussen twee stimuli) en operante conditionering (Skinner: gedrag
verandert door gevolgen zoals bekrachtiging of straf).
Gevolgen van gedrag: bekrachtiging vergroot de kans op herhaling, straf verkleint die; beide
kunnen positief (iets toevoegen) of negatief (iets wegnemen) zijn.
Bandura (sociaal-leren): leren gebeurt niet alleen via bekrachtiging, maar vooral via
observatie van anderen; kinderen nemen gedrag over door aandacht, geheugen, motorische
vaardigheden en motivatie.
Imitatieprocessen: zowel directe imitatie als uitgestelde imitatie (deferred imitation) en
emulatie komen voor; kinderen reproduceren gedrag dat ze eerder hebben gezien, zelfs
zonder onmiddellijke bekrachtiging.
,Moderne evolutionaire perspectieven leggen de nadruk op nature en natuurlijke selectie;
ontwikkeling kent sensitieve en soms kritieke perioden (zoals taalverwerving).
Prosociaal gedrag, altruïsme, empathie en empathische bezorgdheid worden gezien als
evolutionair nuttig omdat samenwerking overlevingskansen vergroot.
Social baseline theory: het brein verwacht sociale nabijheid; afwezigheid daarvan verhoogt
stress. Coans MRI-onderzoek toont dat hand vasthouden van een partner stress verlaagt.
Tijdens de coronapandemie leidde gebrek aan sociale nabijheid tot meer angst en
eenzaamheid (intimate touch deprivation).
Kritiek: theorieën zijn moeilijk falsifieerbaar, bevatten vaak post-hoc verklaringen, en
genetische invloeden worden in de praktijk vaak overstemd door leerervaringen.
Klassieke gedragsgenetica
Onderzoekt erfelijkheid via tweelingenonderzoek (MZ vs. DZ) en adoptieonderzoek
om genetische invloed op eigenschappen te meten.
Werkt met de erfelijkheidscoëfficiënt (H): 0–1, maar zegt niets over individuen,
wordt vaak overschat bij weinig omgevingsvariatie en is gevoelig voor
omgevingsveranderingen.
Onderscheidt gedeelde omgeving (SE): maakt mensen gelijker, en niet-gedeelde
omgeving (NSE): unieke ervaringen die verschillen vergroten.
Moderne gedragsgenetica
Ontstaat omdat genetica slechts 40–50% van persoonlijkheid verklaart. Richt zich op
gen-omgevingsinteracties.
Differential susceptibility hypothesis: sommige genen maken iemand extra gevoelig
voor zowel positieve als negatieve omgevingen.
Drie soorten gen-omgevingscorrelaties:
Passief: ouders geven zowel genen als omgeving door.
Evocatief: aangeboren eigenschappen roepen reacties van anderen op.
Actief: mensen zoeken omgevingen op die passen bij hun genetische aanleg.
College 2:
Een goede wetenschappelijke theorie biedt een raamwerk waarbinnen nieuwe feiten en
informatie geïnterpreteerd kunnen worden en daarbij ook geïntegreerd worden met de al
bestaande kennis.
Een theorie helpt men om het gedrag van een aspect in de wereld te begrijpen en, indien
mogelijk te voorspellen.
, Formele theorieën zijn logisch consistent, toetsbaar, vrij van tegenstrijdigheden, eenvoudig
en leiden tot wetmatigheden (zoals Newton).
Informele theorieën worden gebruikt voor menselijk gedrag: complexer, geen vaste wetten,
maar aannames die observaties helpen verklaren.
Ontwikkelingstheorieën plaatsen gedrag van kinderen in hun ontwikkelingscontext en
moeten altijd historisch worden geïnterpreteerd.
Volgens Miller (1993) beschrijft een goede ontwikkelingstheorie:
Verandering van gedrag/domeinen over tijd.
Verandering in relaties tussen domeinen.
Hoe deze veranderingen plaatsvinden.
Watson (behaviorisme): Kinderen worden gevormd door belonen en straffen; afstandelijke,
volwassen-achtige behandeling.
Freud (psychoanalyse): Ontwikkeling draait om het leren uitstellen van behoeftebevrediging
en het reguleren van driften.
Bowlby (gehechtheid): Een kind heeft een warme, continue en liefdevolle relatie met een
primaire verzorger nodig.
Bronfenbrenner (ecologisch model): Elk kind heeft minstens één persoon nodig die
onvoorwaardelijk van hen houdt.
Piaget onderzocht hoe kennis en intelligentie ontstaan en zag cognitieve ontwikkeling als
basis voor sociale en emotionele ontwikkeling.
Kinderen zijn niet minder intelligent dan volwassenen, maar lossen problemen op een
andere manier op.
Intelligentie is volgens Piaget een levenslang proces van aanpassing aan de
omgeving.
Organismen ontwikkelen steeds complexere structuren om beter te kunnen omgaan
met omgevingsvereisten.
Het doel van cognitieve ontwikkeling is steeds betere adaptatie, van simpele
handelingen (fles grijpen) tot complexe taken (band verwisselen).
Een cognitieve structuur / schema is een georganiseerd patroon van handelen of denken
waarmee ervaringen worden begrepen.
Alle kennis wordt opgeslagen in deze schema’s, die steeds complexer worden
naarmate het kind zich ontwikkelt.
College 1:
Freud: ontwikkeling gestuurd door psychoseksuele stadia en onderbewuste motieven;
ouderlijke omgang met impulsen bepaalt persoonlijkheid; theorie bekritiseerd wegens
vaagheid en niet-falsifieerbaarheid, maar relevant door focus op vroege ervaringen en
onbewuste processen.
Voorbeeld onbewuste processen: aandachtsbias gemeten via eye-tracking, o.a. gebruikt bij
verslavingsbehandeling.
Erikson: bouwt voort op Freud maar legt nadruk op socioculturele invloeden en actieve rol
van het kind; ontwikkeling loopt door tot in volwassenheid.
Eriksons model: acht psychosociale conflicten die opgelost moeten worden voor gezonde
ontwikkeling.
Kritiek op Erikson: theorie te descriptief en moeilijk falsifieerbaar; stadia-denken wordt
tegenwoordig vervangen door een visie op ontwikkeling als continu proces.
Watson (behaviorisme): ontwikkeling verklaard vanuit observeerbaar gedrag in plaats van
onbewuste processen; psychologie moet zich richten op controleerbare, meetbare
gedragsreacties.
Kind als tabula rasa: kinderen worden geboren als een leeg blad en worden volledig
gevormd door leerervaringen en externe stimuli.
Leren via associaties: stabiele persoonlijkheidskenmerken ontstaan door aangeleerde
koppelingen tussen stimuli en reacties (habits).
Continu proces: ontwikkeling verloopt geleidelijk en continu, niet in stadia zoals bij
psychoanalytische theorieën.
Conditioneren: gedrag wordt gevormd door omgevingsinvloeden via klassieke conditionering
(Pavlov: koppeling tussen twee stimuli) en operante conditionering (Skinner: gedrag
verandert door gevolgen zoals bekrachtiging of straf).
Gevolgen van gedrag: bekrachtiging vergroot de kans op herhaling, straf verkleint die; beide
kunnen positief (iets toevoegen) of negatief (iets wegnemen) zijn.
Bandura (sociaal-leren): leren gebeurt niet alleen via bekrachtiging, maar vooral via
observatie van anderen; kinderen nemen gedrag over door aandacht, geheugen, motorische
vaardigheden en motivatie.
Imitatieprocessen: zowel directe imitatie als uitgestelde imitatie (deferred imitation) en
emulatie komen voor; kinderen reproduceren gedrag dat ze eerder hebben gezien, zelfs
zonder onmiddellijke bekrachtiging.
,Moderne evolutionaire perspectieven leggen de nadruk op nature en natuurlijke selectie;
ontwikkeling kent sensitieve en soms kritieke perioden (zoals taalverwerving).
Prosociaal gedrag, altruïsme, empathie en empathische bezorgdheid worden gezien als
evolutionair nuttig omdat samenwerking overlevingskansen vergroot.
Social baseline theory: het brein verwacht sociale nabijheid; afwezigheid daarvan verhoogt
stress. Coans MRI-onderzoek toont dat hand vasthouden van een partner stress verlaagt.
Tijdens de coronapandemie leidde gebrek aan sociale nabijheid tot meer angst en
eenzaamheid (intimate touch deprivation).
Kritiek: theorieën zijn moeilijk falsifieerbaar, bevatten vaak post-hoc verklaringen, en
genetische invloeden worden in de praktijk vaak overstemd door leerervaringen.
Klassieke gedragsgenetica
Onderzoekt erfelijkheid via tweelingenonderzoek (MZ vs. DZ) en adoptieonderzoek
om genetische invloed op eigenschappen te meten.
Werkt met de erfelijkheidscoëfficiënt (H): 0–1, maar zegt niets over individuen,
wordt vaak overschat bij weinig omgevingsvariatie en is gevoelig voor
omgevingsveranderingen.
Onderscheidt gedeelde omgeving (SE): maakt mensen gelijker, en niet-gedeelde
omgeving (NSE): unieke ervaringen die verschillen vergroten.
Moderne gedragsgenetica
Ontstaat omdat genetica slechts 40–50% van persoonlijkheid verklaart. Richt zich op
gen-omgevingsinteracties.
Differential susceptibility hypothesis: sommige genen maken iemand extra gevoelig
voor zowel positieve als negatieve omgevingen.
Drie soorten gen-omgevingscorrelaties:
Passief: ouders geven zowel genen als omgeving door.
Evocatief: aangeboren eigenschappen roepen reacties van anderen op.
Actief: mensen zoeken omgevingen op die passen bij hun genetische aanleg.
College 2:
Een goede wetenschappelijke theorie biedt een raamwerk waarbinnen nieuwe feiten en
informatie geïnterpreteerd kunnen worden en daarbij ook geïntegreerd worden met de al
bestaande kennis.
Een theorie helpt men om het gedrag van een aspect in de wereld te begrijpen en, indien
mogelijk te voorspellen.
, Formele theorieën zijn logisch consistent, toetsbaar, vrij van tegenstrijdigheden, eenvoudig
en leiden tot wetmatigheden (zoals Newton).
Informele theorieën worden gebruikt voor menselijk gedrag: complexer, geen vaste wetten,
maar aannames die observaties helpen verklaren.
Ontwikkelingstheorieën plaatsen gedrag van kinderen in hun ontwikkelingscontext en
moeten altijd historisch worden geïnterpreteerd.
Volgens Miller (1993) beschrijft een goede ontwikkelingstheorie:
Verandering van gedrag/domeinen over tijd.
Verandering in relaties tussen domeinen.
Hoe deze veranderingen plaatsvinden.
Watson (behaviorisme): Kinderen worden gevormd door belonen en straffen; afstandelijke,
volwassen-achtige behandeling.
Freud (psychoanalyse): Ontwikkeling draait om het leren uitstellen van behoeftebevrediging
en het reguleren van driften.
Bowlby (gehechtheid): Een kind heeft een warme, continue en liefdevolle relatie met een
primaire verzorger nodig.
Bronfenbrenner (ecologisch model): Elk kind heeft minstens één persoon nodig die
onvoorwaardelijk van hen houdt.
Piaget onderzocht hoe kennis en intelligentie ontstaan en zag cognitieve ontwikkeling als
basis voor sociale en emotionele ontwikkeling.
Kinderen zijn niet minder intelligent dan volwassenen, maar lossen problemen op een
andere manier op.
Intelligentie is volgens Piaget een levenslang proces van aanpassing aan de
omgeving.
Organismen ontwikkelen steeds complexere structuren om beter te kunnen omgaan
met omgevingsvereisten.
Het doel van cognitieve ontwikkeling is steeds betere adaptatie, van simpele
handelingen (fles grijpen) tot complexe taken (band verwisselen).
Een cognitieve structuur / schema is een georganiseerd patroon van handelen of denken
waarmee ervaringen worden begrepen.
Alle kennis wordt opgeslagen in deze schema’s, die steeds complexer worden
naarmate het kind zich ontwikkelt.