Hoorcollege samenvatting inleiding diagnostiek:
College 1:
Diagnostiek = het leren kennen van een probleem
Diagnostisch proces = onderscheid maken tussen gezonde en zieke personen, tussen
verschillende type aandoeningen of tussen de mate of ernst van de aandoening.
Psychodiagnostiek gaat vooral om de psyche van de mens, bijv. psychosociale problemen,
leerproblemen of ontwikkelingsproblemen.
Witteman = Psychodiagnostiek is het wetenschappelijk onderbouwd beoordelen en
begrijpen van iemands problemen en sterke kanten, zodat dit inzicht richting geeft aan
passende behandeling. Het is een proces dat zich ontwikkelt in de interactie tussen cliënt en
professional.
Brede diagnostiek = er wordt niet alleen naar het individu gekeken, maar ook is er aandacht
voor de context van het kind.
Bij diagnostiek bij kinderen en jongeren moet rekening gehouden worden met hun snelle
cognitieve, lichamelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is belangrijk om te
beoordelen of gedrag past bij de ontwikkelingsfase of dat er sprake is van een probleem of
stoornis.
Lichamelijke, psychische en sociale factoren hangen met elkaar samen: problemen in 1
domein kunnen gevolgen hebben voor andere domeinen. de diagnostische beoordeling
moet dus vanuit een ontwikkelingsgerichte en brede blik gebeuren.
De 5 verschillende soorten categorieën vragen binnen diagnostiek:
1. Wat is hier aan de hand (onderkenning)?
2. Hoe komt dat (verklaring)?
3. Hoe gaat dit zich verder ontwikkelen (predictie)?
4. Wat kan aan het probleem worden gedaan (indicatie)?
5. Zijn de problemen voldoende verminderd (evaluatie)?
Assessment = het inschatten, vaststellen en beoordelen van kenmerken van de hulpvrager.
Screening = het brede, oppervlakkige verkennen van de problematiek.
Classificatie = het onderbrengen van kenmerken bij een ziektebeeld, zonder uitspraken te
doen over mogelijke oorzaken.
Psychodiagnostiek is een multidisciplinair vakgebied dat gebruikmaakt van inzichten uit
onder andere psychiatrie, orthopedagogiek en filosofie. Het richt zich op het meten, ordenen
en kritisch beoordelen van informatie om tot een diagnostisch oordeel te komen.
,Diagnostiek:
Foutgevoelig, dus systematisch werken is nodig
Gebruik relevante theorie, modellen en instrumenten
Werkwijze moet transparant en toetsbaar zijn
Interpretaties hangen a van het theoretisch perspectief
Doel: een theorie van het individuele geval en passende interventies
Diagnostische tradities:
Psychiatrie: richt zich op het herkennen en classificeren van psychopathologie en
stoornissen via systemen zoals DSM en ICD.
Ontwikkelingspsychologie: kijkt naar ontwikkelingsverloop, condities die
ontwikkeling beïnvloeden en betekenis van individuele verschillen. Piaget
Orthopedagogiek: onderzoekt en verbetert stagnerende leer- en opvoedsituaties,
met focus op gedrag in context en interacties met de omgeving. Klootsema
4 groepen misdeelde kinderen Klootsema:
Idiote en achterlijke kinderen
Misdadige kinderen
Verwaarloosde kinderen
Doofstomme, blinde en epileptische kinderen
Verschillende modellen:
Psychodynamisch model: problemen ontstaan in de kindertijd en werken door in het
huidige functioneren.
Hechtingstheorie: focust op de kwaliteit van de ouder-kindrelatie; veilige hechting is
cruciaal voor gezonde ontwikkeling
Leertheoretisch model: gedrag wordt uitgelokt en bekrachtigd door
omgevingsfactoren; verandering gebeurt via aanpassing van gedachten en gedrag
(gedragstherapie).
College 2:
Een professional: is empatisch, houdt een professionele afstand, is wel betrokken, is in
gesprekken efficiënt en effectief, weet welke informatie belangrijk is om te verkrijgen, houdt
structuur aan, let op de tijd, weet alles over ontwikkeling en afwijkend gedrag en heeft
psychologische kennis.
Professionele diagnostiek draait om:
De relatie tussen hulpverlener en hulpvrager
Specifieke methodische, diagnostische en therapeutische vaardigheden
Gebruik van gespecialiseerde kennis
,Framing = de manier waarop een vraag wordt gesteld beïnvloedt het antwoord (blijft vaak
binnen 1 denkkader en letten op beperkte info)
Satisficer = kiest iets dat ‘goed genoeg’ is
Maximizer = zoekt altijd naar de beste optie
Heuristieken (snelle denkstrategieën):
Efficiënt, maar kunnen leiden tot biases
Availibility heuristic: men let op wat het meest beschikbaar of opvallend is
Representativiteitsheuristiek: men beoordeelt op basis van gelijkenis met een
prototype
Prototypeheuristiek: clinici gebruiken typische prototypes (voorbeelden van
stoornissen)
Valkuilen voor professionals:
Subjectief oordelen
Heterogene en onzekere data
Onbewuste biases
Professionals ondervangen dit door:
Training, supervisie en intervisie
Gebruik van schema’s en diagnostische cycli
Transparant, navolgbaar, controleerbaar en herhaalbaar werken
De regulatieve cyclus – Van Strien:
Empirische cyclus – de groot:
Observatie; verzamelen van gegevens
Inductie; formuleren van hypothesen
Deductie; maken van toetsbare voorspellingen
Toetsen; van de hypothesen
Evaluatie
Een diagnosticus observeert eerst, interpreteert pas later en toetst de interpretaties altijd.
, De empirische cyclus toetst de juistheid van de informatie op basis waarvan een diagnose
gesteld kan worden
De regulatieve cyclus reguleert het proces van hulpverlening, expliciteert de doelen en
evalueert de hulp.
De diagnostische cyclus:
Dan volgt een probleemanalyse (onderkenning): men gaat een gesprek voeren, het kind
observeren, vragenlijsten afnemen (onderkennend), dossieronderzoek doen en informaten
naderen. Het hulpverlenersproces gaat beter via een schema of cyclus.
Theorie van het individuele geval betekent dat een professional theorie, ervaring en
cliëntinformatie samenbrengt om een uniek, op maat gemaakt beeld van de cliënt te
vormen. dit proces is inductief: je vertrekt vanuit concrete gegevens en bouwt daaruit een
samenhangende verklaring op.
In het diagnostisch proces zijn schema’s en vaste stappen nodig op slordigheid te voorkomen
en wetenschappelijke betrouwbaarheid te waarborgen.
Een goede professional combineert theoretische kennis met nieuwsgierigheid en openheid,
en blijft kritisch onderzoeken of het beeld klopt.
College 1:
Diagnostiek = het leren kennen van een probleem
Diagnostisch proces = onderscheid maken tussen gezonde en zieke personen, tussen
verschillende type aandoeningen of tussen de mate of ernst van de aandoening.
Psychodiagnostiek gaat vooral om de psyche van de mens, bijv. psychosociale problemen,
leerproblemen of ontwikkelingsproblemen.
Witteman = Psychodiagnostiek is het wetenschappelijk onderbouwd beoordelen en
begrijpen van iemands problemen en sterke kanten, zodat dit inzicht richting geeft aan
passende behandeling. Het is een proces dat zich ontwikkelt in de interactie tussen cliënt en
professional.
Brede diagnostiek = er wordt niet alleen naar het individu gekeken, maar ook is er aandacht
voor de context van het kind.
Bij diagnostiek bij kinderen en jongeren moet rekening gehouden worden met hun snelle
cognitieve, lichamelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is belangrijk om te
beoordelen of gedrag past bij de ontwikkelingsfase of dat er sprake is van een probleem of
stoornis.
Lichamelijke, psychische en sociale factoren hangen met elkaar samen: problemen in 1
domein kunnen gevolgen hebben voor andere domeinen. de diagnostische beoordeling
moet dus vanuit een ontwikkelingsgerichte en brede blik gebeuren.
De 5 verschillende soorten categorieën vragen binnen diagnostiek:
1. Wat is hier aan de hand (onderkenning)?
2. Hoe komt dat (verklaring)?
3. Hoe gaat dit zich verder ontwikkelen (predictie)?
4. Wat kan aan het probleem worden gedaan (indicatie)?
5. Zijn de problemen voldoende verminderd (evaluatie)?
Assessment = het inschatten, vaststellen en beoordelen van kenmerken van de hulpvrager.
Screening = het brede, oppervlakkige verkennen van de problematiek.
Classificatie = het onderbrengen van kenmerken bij een ziektebeeld, zonder uitspraken te
doen over mogelijke oorzaken.
Psychodiagnostiek is een multidisciplinair vakgebied dat gebruikmaakt van inzichten uit
onder andere psychiatrie, orthopedagogiek en filosofie. Het richt zich op het meten, ordenen
en kritisch beoordelen van informatie om tot een diagnostisch oordeel te komen.
,Diagnostiek:
Foutgevoelig, dus systematisch werken is nodig
Gebruik relevante theorie, modellen en instrumenten
Werkwijze moet transparant en toetsbaar zijn
Interpretaties hangen a van het theoretisch perspectief
Doel: een theorie van het individuele geval en passende interventies
Diagnostische tradities:
Psychiatrie: richt zich op het herkennen en classificeren van psychopathologie en
stoornissen via systemen zoals DSM en ICD.
Ontwikkelingspsychologie: kijkt naar ontwikkelingsverloop, condities die
ontwikkeling beïnvloeden en betekenis van individuele verschillen. Piaget
Orthopedagogiek: onderzoekt en verbetert stagnerende leer- en opvoedsituaties,
met focus op gedrag in context en interacties met de omgeving. Klootsema
4 groepen misdeelde kinderen Klootsema:
Idiote en achterlijke kinderen
Misdadige kinderen
Verwaarloosde kinderen
Doofstomme, blinde en epileptische kinderen
Verschillende modellen:
Psychodynamisch model: problemen ontstaan in de kindertijd en werken door in het
huidige functioneren.
Hechtingstheorie: focust op de kwaliteit van de ouder-kindrelatie; veilige hechting is
cruciaal voor gezonde ontwikkeling
Leertheoretisch model: gedrag wordt uitgelokt en bekrachtigd door
omgevingsfactoren; verandering gebeurt via aanpassing van gedachten en gedrag
(gedragstherapie).
College 2:
Een professional: is empatisch, houdt een professionele afstand, is wel betrokken, is in
gesprekken efficiënt en effectief, weet welke informatie belangrijk is om te verkrijgen, houdt
structuur aan, let op de tijd, weet alles over ontwikkeling en afwijkend gedrag en heeft
psychologische kennis.
Professionele diagnostiek draait om:
De relatie tussen hulpverlener en hulpvrager
Specifieke methodische, diagnostische en therapeutische vaardigheden
Gebruik van gespecialiseerde kennis
,Framing = de manier waarop een vraag wordt gesteld beïnvloedt het antwoord (blijft vaak
binnen 1 denkkader en letten op beperkte info)
Satisficer = kiest iets dat ‘goed genoeg’ is
Maximizer = zoekt altijd naar de beste optie
Heuristieken (snelle denkstrategieën):
Efficiënt, maar kunnen leiden tot biases
Availibility heuristic: men let op wat het meest beschikbaar of opvallend is
Representativiteitsheuristiek: men beoordeelt op basis van gelijkenis met een
prototype
Prototypeheuristiek: clinici gebruiken typische prototypes (voorbeelden van
stoornissen)
Valkuilen voor professionals:
Subjectief oordelen
Heterogene en onzekere data
Onbewuste biases
Professionals ondervangen dit door:
Training, supervisie en intervisie
Gebruik van schema’s en diagnostische cycli
Transparant, navolgbaar, controleerbaar en herhaalbaar werken
De regulatieve cyclus – Van Strien:
Empirische cyclus – de groot:
Observatie; verzamelen van gegevens
Inductie; formuleren van hypothesen
Deductie; maken van toetsbare voorspellingen
Toetsen; van de hypothesen
Evaluatie
Een diagnosticus observeert eerst, interpreteert pas later en toetst de interpretaties altijd.
, De empirische cyclus toetst de juistheid van de informatie op basis waarvan een diagnose
gesteld kan worden
De regulatieve cyclus reguleert het proces van hulpverlening, expliciteert de doelen en
evalueert de hulp.
De diagnostische cyclus:
Dan volgt een probleemanalyse (onderkenning): men gaat een gesprek voeren, het kind
observeren, vragenlijsten afnemen (onderkennend), dossieronderzoek doen en informaten
naderen. Het hulpverlenersproces gaat beter via een schema of cyclus.
Theorie van het individuele geval betekent dat een professional theorie, ervaring en
cliëntinformatie samenbrengt om een uniek, op maat gemaakt beeld van de cliënt te
vormen. dit proces is inductief: je vertrekt vanuit concrete gegevens en bouwt daaruit een
samenhangende verklaring op.
In het diagnostisch proces zijn schema’s en vaste stappen nodig op slordigheid te voorkomen
en wetenschappelijke betrouwbaarheid te waarborgen.
Een goede professional combineert theoretische kennis met nieuwsgierigheid en openheid,
en blijft kritisch onderzoeken of het beeld klopt.