GOEDERENRECHT
Samenvatting
Academiejaar 2025-2026
Boek 3 BW • zakelijke hoofdrechten • burenrelaties • mede-eigendom • zakelijke zekerheden
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 1
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
Inhoudstafel
Hoofdstuk 1 - Indeling der goederen
1.1 Begrip goed, voorwerp en dier
1.2 Lichamelijke en onlichamelijke goederen
1.3 Vruchten en opbrengsten
1.4 Toe-eigeningsmogelijkheid en goederen in/uit de handel
1.5 Goederen volgens gebruik en vervangbaarheid
1.6 Roerende en onroerende goederen
1.7 Publieke en private goederen
1.8 Repertoriëring en belang van de indeling
1.9 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 2 - Zakelijke rechten - algemene beginselen
2.1 Zakelijk recht tegenover obligatoir recht
2.2 Numerus clausus
2.3 Absolute werking en publiciteit
2.4 Volgrecht
2.5 Voorrang en anterioriteit
2.6 Beschikkingsbevoegdheid en gemeenschappelijke principes
2.7 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 3 - Eigendom
3.1 Definitie: usus, fructus en abusus
3.2 Kenmerken en omvang
3.3 Bescherming: revindicatie en bewijs
3.4 Grondrechtelijke bescherming
3.5 Beperkingen, rechtsmisbruik en burenhinder
3.6 Feitelijk gedogen
3.7 Onvervreemdbaarheid en beschikkingsbevoegdheid
3.8 Horizontale en verticale afbakening
3.9 Remedies bij aantasting van eigendom
3.10 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 4 - Verwerving van zakelijke rechten
4.1 Afgeleide en oorspronkelijke verkrijging
4.2 Bezit en detentie
4.3 Animus, corpus en bezitsinterversie
4.4 Deugdelijk bezit en goede trouw
4.5 Verkrijgende verjaring
4.6 Roerende goederen en bezit als titel
4.7 Eigendoms- en bezitsvorderingen
4.8 Natrekking
4.9 Verwerking
4.10 Gevonden, verborgen en niet-opgehaalde goederen
4.11 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 5 - Vruchtgebruik
5.1 Begrip en kenmerken
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 2
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
5.2 Voorwerp
5.3 Duur
5.4 Vestiging
5.5 Vruchtgebruiker en blote eigenaar
5.6 Gebruik, genot en beheer
5.7 Vruchten, opbrengsten en geld
5.8 Beschrijving, schatting en verzekering
5.9 Onderhoud, lasten en herstellingen
5.10 Aanwas
5.11 Waardering en omzetting
5.12 Einde en restitutie
5.13 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 6 - Erfpacht
6.1 Begrip, toepassingen en wettelijk kader
6.2 Voorwerp, titularis, vestiging en publiciteit
6.3 Duur
6.4 Canon en bezwarend karakter
6.5 Rechten van de erfpachter
6.6 Plichten van de erfpachter
6.7 Erfpachtgever / ontbloot eigenaar
6.8 Voortijdige beëindiging
6.9 Einde, natrekking en vergoeding
6.10 Vergelijking met vruchtgebruik en opstal
6.11 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 7 - Opstal
7.1 Definitie en kern
7.2 Voorwerp en volumes
7.3 Vestiging en publiciteit
7.4 Afstand van natrekking
7.5 Duur
7.6 Eeuwigdurend volume-opstal
7.7 Rechten en plichten
7.8 Einde en vergoeding
7.9 Accessoir opstalrecht
7.10 Opstal tegenover erfpacht
7.11 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 8 - Burenrelaties
8.1 Burenhinder
8.2 Preventieve burenhinder
8.3 Gemene afsluiting en mandeligheid
8.4 Erfdienstbaarheid: begrip en voorwaarden
8.5 Wettelijke erfdienstbaarheden
8.6 Recht van uitweg tegenover recht van overgang
8.7 Ontstaan van erfdienstbaarheden door menselijk handelen
8.8 Uitoefening
8.9 Duur en einde
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 3
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
8.10 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 9 - Mede-eigendom
9.1 Begrip en soorten
9.2 Toevallige mede-eigendom
9.3 Vrijwillige mede-eigendom
9.4 Gedwongen mede-eigendom
9.5 Appartementsmede-eigendom
9.6 Statuten en Vereniging van Mede-eigenaars
9.7 Algemene vergadering: quorum, stemmen en meerderheden
9.8 Syndicus en andere organen
9.9 Quotiteiten en overdracht van een kavel
9.10 Oefenvragen en modelantwoorden
Hoofdstuk 10 - Zakelijke zekerheden
10.1 Vermogen, samenloop en paritas creditorum
10.2 Voorrechten
10.3 Ambtshalve inschrijving
10.4 Hypotheek
10.5 Pandrecht
10.6 Eigendomsvoorbehoud
10.7 Retentierecht
10.8 Rang en vergelijking
10.9 Oefenvragen en modelantwoorden
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 4
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
HOOFDSTUK 1 - INDELING DER GOEDEREN
Dit hoofdstuk bepaalt eerst wat juridisch als een goed geldt en deelt goederen vervolgens in
categorieën in. Die indeling is belangrijk omdat regels over eigendom, publiciteit, levering,
verjaring, vruchtgebruik en zekerheden verschillen naargelang het soort goed.
art. 3.38-3.43 BW • art. 3.45-3.47 BW • art. 3.8-3.9 BW • art. 3.58-3.60 BW
1.1. Begrip goed, voorwerp en dier
art. 3.38 BW (onderscheid personen, dieren en voorwerpen), art. 3.39 BW (statuut van het dier) en
art. 3.41 BW (begrip goed).
Een goed in de ruime zin is ieder voorwerp dat vatbaar is voor toe-eigening, met inbegrip van
vermogensrechten (art. 3.41 BW). Het goederenrecht onderscheidt personen, dieren en
voorwerpen. Personen zijn rechtssubjecten; goederen zijn rechtsobjecten.
Voorwerpen kunnen natuurlijk of kunstmatig, lichamelijk of onlichamelijk zijn. Een voorwerp is
pas een goed wanneer het juridisch en feitelijk kan worden toegeëigend.
Dieren hebben volgens art. 3.39 BW een gevoelsvermogen en biologische noden. Zij zijn geen
personen en geen gewone dingen, maar de regels voor lichamelijke voorwerpen zijn in beginsel
op hen van toepassing voor zover dit verenigbaar is met dierenwelzijn en openbare orde.
Nieuwgeboren dieren en andere voortbrengselen van dieren worden juridisch als vruchten
behandeld.
Een dier kan worden verkocht of geschonken, maar dierenwelzijnsregels beperken de
uitoefening van eigendomsbevoegdheden.
Het begrip goed moet ook binnen het vermogen worden geplaatst. Het vermogen is de juridische
algemeenheid van activa en passiva van een persoon (art. 3.35 BW). Goederen vormen dus de
positieve bestanddelen waarop zakelijke rechten kunnen rusten; schulden behoren tot de
passieve zijde. Niet ieder voorwerp is echter automatisch een goed: toe-eigeningsmogelijkheid
blijft de basisvoorwaarde.
Voorbeeld: een smartphone is een lichamelijk goed en kan eigendom zijn. Een persoonlijke
vriendschap of het recht om te huwen heeft geen vermogensrechtelijke toe-
eigeningsmogelijkheid en is dus geen goed in goederenrechtelijke zin.
Art. 3.41 BW vertrekt niet van het klassieke woord 'zaak', maar van de ruimere categorie van
goederen: alle voorwerpen die vatbaar zijn voor toe-eigening, met inbegrip van
vermogensrechten. Toe-eigening is dus de poort naar het goederenrecht. Iets kan fysiek bestaan
zonder daarom een goed in goederenrechtelijke zin te zijn wanneer exclusieve toe-eigening
juridisch of feitelijk onmogelijk is.
Art. 3.38 BW maakt daarnaast duidelijk dat personen, dieren en voorwerpen juridisch van elkaar
worden onderscheiden. Dieren zijn door art. 3.39 BW geen rechtssubjecten, maar ook niet louter
met gewone dingen gelijkgesteld: de regels voor lichamelijke voorwerpen gelden slechts voor
zover dierenwelzijnswetgeving en openbare orde zich daar niet tegen verzetten. De juridische
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 5
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
kwalificatie verloopt in twee stappen: eerst wordt bepaald wat het object juridisch is en daarna
welke zakelijke rechten erop kunnen rusten.
1.2. Lichamelijke en onlichamelijke goederen
art. 3.38 en 3.41 BW.
Lichamelijke goederen zijn zintuiglijk waarneembaar en hebben een fysieke aanwezigheid, zoals
een auto, boek of woning. Onlichamelijke goederen zijn niet tastbaar maar wel
vermogensrechtelijk toe-eigenbaar, zoals een schuldvordering, financiële instrumenten, bepaalde
intellectuele rechten of cliënteel.
Het onderscheid is praktisch van belang voor bewijs, bezit, levering en publiciteit. Bezit is vooral
zichtbaar bij lichamelijke goederen, terwijl bij onlichamelijke goederen vaak documenten,
registers of andere publiciteitsmechanismen een grotere rol spelen.
Het onderscheid lichamelijk/onlichamelijk zegt niets over de economische waarde. Een
schuldvordering of cliënteel kan vermogensrechtelijk zeer waardevol zijn hoewel het niet
tastbaar is. Het belang zit vooral in de techniek van bezit, levering en publiciteit: fysieke macht is
bij een auto zichtbaar, terwijl een onlichamelijk recht meestal via een akte, register, boeking of
andere juridische techniek kenbaar wordt gemaakt.
Een zakelijk recht kan ook betrekking hebben op een onlichamelijk goed wanneer de wet dit
toelaat. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom vruchtgebruik kan rusten op schuldvorderingen of
financiële instrumenten en waarom zakelijke zekerheden ook op toekomstige of onlichamelijke
vermogensbestanddelen kunnen aangrijpen.
1.3. Vruchten en opbrengsten
art. 3.42 BW.
Art. 3.42 BW onderscheidt vruchten en opbrengsten. Vruchten zijn wat een goed periodiek
voortbrengt zonder dat de substantie van het goed wordt aangetast. Voorbeelden zijn appels,
huurinkomsten en interesten.
Opbrengsten zijn wat een goed voortbrengt terwijl de waarde of substantie onmiddellijk of
geleidelijk vermindert. Voorbeelden zijn ontgonnen ertsen of houtkap waarbij het kapitaalgoed
wordt uitgeput.
Het onderscheid is vooral belangrijk bij vruchtgebruik: de vruchtgebruiker heeft in beginsel
recht op de vruchten, terwijl het kapitaal en de substantie voor de blote eigenaar moeten worden
bewaard.
Vruchten kunnen spontaan ontstaan of het gevolg zijn van valorisatie. Het begrip is dus ruimer
dan natuurlijke vruchten: ook huurinkomsten en interesten zijn vruchten omdat zij periodiek
worden verkregen zonder dat het kapitaalgoed zelf wordt opgebruikt. Nieuwgeboren dieren en
andere voortbrengselen van dieren worden eveneens als vruchten behandeld.
Bij twijfel stel je één vraag: blijft de substantie van het hoofdgoed in wezen behouden? Zo ja, dan
zit je eerder bij een vrucht; wordt het kapitaal zelf uitgeput, dan gaat het om een opbrengst. Die
kwalificatie wordt later belangrijk om te bepalen wat aan een vruchtgebruiker en wat aan de
blote eigenaar toekomt.
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 6
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
De toets van art. 3.42 BW is inhoudelijk: blijft de substantie of het kapitaalgoed in wezen
behouden, dan spreek je van vruchten; wordt de waarde van het kapitaal onmiddellijk of
geleidelijk opgebruikt, dan gaat het om opbrengsten. Periodiciteit is typisch voor vruchten, maar
de doorslaggevende vraag blijft of de bron zelf behouden blijft.
Dit onderscheid werkt door in het vruchtgebruik. De vruchtgebruiker heeft in beginsel recht op
de vruchten, terwijl opbrengsten dichter bij het kapitaal staan en daarom niet zonder meer
volledig voor hem zijn. Voorbeeld: gewone huurinkomsten van een woning zijn vruchten;
ontginning van ertsen uit dezelfde grond vermindert het kapitaal en is dus een opbrengst.
1.4. Toe-eigeningsmogelijkheid en goederen in of buiten de handel
art. 3.43 BW (gemene voorwerpen), art. 5.48 BW (goederen in de handel) en art. 3.58-3.60 BW voor
verborgen, gevonden en niet-opgehaalde goederen.
Niet elk voorwerp kan voorwerp zijn van private eigendom. Sommige voorwerpen zijn door de
wet of door hun aard niet vatbaar voor toe-eigening. Goederen buiten de handel kunnen niet
geldig het voorwerp zijn van vrije private beschikking.
Res communes: gemene voorwerpen die niet exclusief kunnen worden toegeëigend, zoals
lucht in haar algemene toestand.
Res nullius: zaken die aan niemand toebehoren en nog nooit een eigenaar hadden.
Res derelictae: zaken waarvan de eigenaar bewust afstand heeft gedaan.
Gevonden, verborgen en niet-opgehaalde goederen hebben eigen regels over
eigendomsverkrijging. Die worden verder behandeld in hoofdstuk 4.
Een verloren goed is niet hetzelfde als een res derelicta. Wie zijn portefeuille op straat verliest,
heeft geen afstand van eigendom gedaan: de wil om eigenaar te blijven bestaat nog. Van
achterlating is pas sprake wanneer de eigenaar bewust afstand doet van het goed. Daarom gelden
bij vondst specifieke meldings- en bewaarplichten in plaats van onmiddellijke toe-eigening.
Art. 3.43 BW omschrijft gemene voorwerpen als voorwerpen die in hun totaliteit niet vatbaar zijn
voor exclusieve toe-eigening. De juridische onmogelijkheid om het geheel toe te eigenen
verhindert niet dat afgebakende hoeveelheden of gebruiksmogelijkheden wel
vermogensrechtelijk relevant worden. Zo kan niemand de atmosfeer als geheel bezitten, maar
kan een concrete hoeveelheid gas wel een goed vormen.
Goederen buiten de handel mogen niet vrij het voorwerp vormen van overdracht of vestiging van
zakelijke rechten. Daarnaast bestaan zaken die op een bepaald ogenblik aan niemand toebehoren
of waarvan de eigenaar afstand deed. Verwar die niet met een verloren zaak: bij verlies blijft de
oorspronkelijke eigenaar eigenaar; de vinder krijgt dus niet automatisch eigendom.
1.5. Goederen volgens gebruik, vervangbaarheid en individualisering
art. 3.162 BW bevat een bijzondere regeling voor vruchtgebruik op soortgoederen; individualisering
is daarnaast belangrijk voor overdracht en zekerheden.
Verbruikbare goederen gaan bij normaal eerste gebruik teniet of verlaten het vermogen, zoals
voedsel, brandstof of geld. Niet-verbruikbare goederen kunnen herhaaldelijk worden gebruikt,
zoals een woning of voertuig.
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 7
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
Vervangbare of soortgoederen worden bepaald naar soort, hoeveelheid en kwaliteit en kunnen
door een gelijkwaardig exemplaar worden vervangen. Niet-vervangbare of specifieke goederen
zijn geïndividualiseerd, zoals een bepaald kunstwerk of een concreet perceel.
Dit onderscheid speelt onder meer bij risico-overgang, restitutie, vruchtgebruik en zakelijke
zekerheden. Bij soortgoederen is individualisering vaak noodzakelijk voordat een zakelijk recht
op precies dat goed kan worden uitgeoefend.
Ook het onderscheid tussen tegenwoordige en toekomstige goederen speelt mee. Een toekomstig
goed bestaat nog niet, bijvoorbeeld de oogst van volgend jaar. Men kan daarover verbintenissen
aangaan, maar een zakelijk recht vereist in beginsel dat het voorwerp voldoende bestaat en
individualiseerbaar is. Bij soortgoederen is die individualisering daarom vaak het
scharniermoment.
Deelbaarheid is vooral praktisch: sommige goederen kunnen materieel of juridisch worden
verdeeld zonder hun functie te verliezen, andere niet. Een geldsom is gemakkelijk deelbaar; een
uniek schilderij is dat niet. Bij mede-eigendom kan die vraag later bepalen of een goed fysiek
wordt verdeeld of eerder verkocht en de prijs wordt verdeeld.
Vervangbaarheid en verbruikbaarheid beantwoorden aan verschillende vragen. Een goed kan
vervangbaar zijn omdat een gelijkwaardig exemplaar volstaat, maar toch niet-verbruikbaar zijn.
Omgekeerd is geld zowel vervangbaar als verbruikbaar in juridische zin: bij normaal gebruik
verlaat het het vermogen en moet men bij teruggave een gelijkwaardige hoeveelheid teruggeven.
Bij soortgoederen moet je steeds nagaan wanneer de goederen voldoende zijn geïndividualiseerd.
Zolang niet vaststaat welke concrete exemplaren aan een recht zijn onderworpen, is het moeilijk
om een zakelijk recht met volgrecht tegen derden op precies die goederen te laten werken.
Daarom spelen beschrijving, hoeveelheid, locatie en identificatie zo'n grote rol bij
goederenrechtelijke zekerheden.
1.6. Roerende en onroerende goederen
art. 3.46 BW (roerend/onroerend), art. 3.47 BW (onroerend goed), art. 3.8 BW (inherente
bestanddelen) en art. 3.9 BW (accessoria).
Art. 3.46 BW vertrekt van een restcategorie: alle goederen zijn roerend of onroerend; wat niet
onroerend is volgens de wet, is roerend.
Art. 3.47 BW onderscheidt verschillende vormen van onroerendheid.
Onroerend uit zijn aard: de grond en de driedimensionale volumes die ermee verbonden zijn.
Onroerend door incorporatie: bouwwerken, beplantingen en inherente bestanddelen die in
het onroerend goed zijn opgenomen.
Onroerend door bestemming: accessoria die aan dezelfde eigenaar toebehoren en duurzaam
met het hoofdgoed zijn verbonden of de uitbating/bewaring ervan dienen (art. 3.9 BW).
Onroerend door het voorwerp waarop een recht betrekking heeft: bepaalde zakelijke rechten
en rechtsvorderingen die een onroerend goed als voorwerp hebben.
Een inherent bestanddeel kan niet van het hoofdgoed worden afgescheiden zonder afbreuk te
doen aan de fysieke of functionele substantie. Een accessorium kan in beginsel wel zelfstandig
bestaan, maar staat functioneel in dienst van een hoofdgoed.
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 8
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
Voorbeeld: een ingebouwde verwarmingsinstallatie kan onroerend door incorporatie zijn. Een
machine die duurzaam ten dienste staat van de uitbating van een fabriek en aan dezelfde
eigenaar toebehoort, kan onroerend door bestemming zijn.
Het onderscheid roerend/onroerend is cruciaal voor publiciteit, hypotheek, overdracht, verjaring,
bevoegdheid van bepaalde rechtscolleges en fiscaliteit.
Onroerendheid door bestemming veronderstelt accessoriteit én in beginsel dezelfde titularis van
hoofdgoed en accessorium. Een machine kan dus functioneel een fabriek dienen, maar wanneer
machine en fabriek aan verschillende eigenaars toebehoren, is de kwalificatie als onroerend door
bestemming niet vanzelfsprekend. Bij afscheiding kan een goed bovendien opnieuw roerend
worden.
Het nieuwe Boek 3 denkt bovendien in driedimensionale volumes. De eigendom van grond is niet
louter een plat vlak: ook boven- en ondergrondse volumes kunnen goederenrechtelijk relevant
zijn. Die volumebenadering verklaart later waarom opstalrechten, ondergrondse parkings en
complexe vastgoedprojecten afzonderlijke eigendomslagen kunnen organiseren.
Boek 3 heeft de oude categorieën herschikt. Onder het oude BW werden incorporatie en
bestemming grotendeels binnen de klassieke artikelen 517-529 oud BW uitgewerkt. Het nieuwe
recht maakt het onderscheid conceptueler: een inherent bestanddeel volgt het hoofdgoed omdat
afscheiding de fysieke of functionele substantie aantast; een accessorium is een zelfstandig goed
dat duurzaam verbonden is met het hoofdgoed of de uitbating/bewaring ervan dient.
Voor onroerendheid door bestemming is de gemeenschappelijke eigendom van hoofdgoed en
accessorium cruciaal. Een machine die door een huurder in een fabriek wordt geplaatst, wordt
dus niet zomaar onroerend door bestemming van de eigenaar van het gebouw. Het onderscheid
heeft grote gevolgen voor hypotheek, pand, overdracht en uitwinning: een roerend goed kan
bijvoorbeeld door incorporatie in het onroerend geheel terechtkomen, terwijl een ouder
pandrecht onder voorwaarden toch kan blijven doorwerken.
1.7. Publieke en private goederen
art. 3.45 BW.
Goederen van publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen tot het openbaar of het privaat domein
behoren. Een goed behoort tot het openbaar domein wanneer het door zijn bestemming is
toegewezen aan het gebruik van iedereen of aan een openbare dienst en die bestemming een
bijzonder beschermingsregime rechtvaardigt.
Openbare domeingoederen zijn in beginsel sterk beschermd tegen vervreemding, beslag en
verkrijgende verjaring zolang de openbare bestemming bestaat. Na desaffectatie kan het goed
naar het privaat domein overgaan.
Goederen van het privaat domein van de overheid worden in grote mate zoals private goederen
behandeld: zij kunnen in beginsel worden vervreemd en zijn vatbaarder voor gewone
vermogensrechtelijke regels.
Dat een goed tot het openbaar domein behoort, sluit niet elk privaat gebruik uit. De overheid kan
onder voorwaarden zakelijke gebruiksrechten zoals erfpacht of opstal toestaan wanneer dit
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 9
, GOEDERENRECHT | SAMENVATTING
verenigbaar is met de openbare bestemming. Die bestemming blijft wel de grens: een private
titularis kan geen bevoegdheden uitoefenen die het publieke gebruik onmogelijk maken.
Art. 3.45 BW vertrekt ervan dat goederen van publiekrechtelijke rechtspersonen tot het private
domein behoren, behalve wanneer zij bestemd zijn tot het gebruik van allen of tot een openbare
dienst en daardoor tot het openbaar domein behoren. Die bestemming is beslissend, niet louter
het feit dat de overheid eigenaar is.
Op openbaar domein kunnen vandaag wel gebruiksrechten worden toegestaan voor zover zij
verenigbaar zijn met de openbare bestemming. Denk aan een concessie, een vergunning of -
wanneer de voorwaarden vervuld zijn - een zakelijk gebruiksrecht. Het openbaar domein blijft
echter beschermd: zolang de openbare bestemming voortduurt, gelden beperkingen inzake
vervreemding, beslag en verjaring. Na desaffectatie kan het goed opnieuw als privaat
domeingoed worden behandeld.
1.8. Repertoriëring, publiciteit en belang van de indeling
art. 3.30-3.34 BW voor hypothecaire publiciteit en tegenwerpelijkheid van onroerende
rechtshandelingen.
Onroerende goederen zijn lokaliseerbaar en worden in administratieve en juridische registers
opgenomen. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie werkt onder meer
met kadastrale percelen en met de registers van het Kantoor Rechtszekerheid.
Bij onroerende zakelijke rechten is publiciteit belangrijk voor de tegenwerpelijkheid aan derden.
Een akte die volgens art. 3.30 BW moet worden gepubliceerd, moet worden overgeschreven om
derden te binden. Bij roerende goederen vervullen bezit en, voor pandrechten, het Pandregister
vaak een vergelijkbare kenbaarheidsfunctie.
Onthoud dus steeds de keten: kwalificeer eerst het goed, bepaal daarna welk zakelijk recht
mogelijk is en controleer vervolgens welke regels over levering, publiciteit, bewijs en zekerheid
gelden.
Publiciteit verschilt naargelang het soort goed en het betrokken recht. Bij onroerende goederen
denk je vooral aan authentieke akten en overschrijving of inschrijving bij het Kantoor
Rechtszekerheid; bij roerende goederen vervult bezit vaak een kenbaarheidsfunctie en voor een
registerpand bestaat het Pandregister. Naast het bestaan van het recht moet daarom ook de
tegenwerpelijkheid aan derden afzonderlijk worden beoordeeld.
De indeling van goederen is geen loutere theorie. Bij onroerende goederen wordt kenbaarheid
tegenover derden in sterke mate georganiseerd via de registers van het Kantoor Rechtszekerheid.
Daardoor kan een derde nagaan wie rechten op het goed heeft en welke lasten of zekerheden
erop rusten. Bij roerende goederen vervult bezit vaak een deel van die kenbaarheidsfunctie.
De logische volgorde is: kwalificeer eerst het goed, bepaal daarna welk zakelijk recht of welke
zekerheid erop kan rusten, en controleer tenslotte welke publiciteitsformaliteit nodig is om het
recht tegenover derden te kunnen inroepen.
Samenvatting • Academiejaar 2025-2026 | 10