Verlichting: (1650-1800)
‘God heeft de mens geschapen maar is verder niet actief aanwezig in je leven.’
—> Deïsme
‘ oorsprong van de rede is goddelijk dus automatisch goed.’
Zoeken naar waarheid m.b.v. menselijke rede
Meer geloof in kennis en natuur (i.p.v. alleen God en bijbel), je moet zelf
kunnen nadenken, daarom is het onderwijs ook heel belangrijk.
→ kennis leidt tot deugd
God als afzijdige schepper (deïsme)
– Mensen kunnen daarna zelf denken en handelen
Grote invloed op economisch, sociaal, politiek en religieus gebied → bijv.
Democratisch ideal → volksonderwijs
Door (volks)onderwijs willen ze het volk ‘deugdzaam’ maken
Opvoedbaarheid van het individu en maakbaarheid van de samenleving
John Locke (1632-1704):
Britse arts, natuurwetenschapper, filosoof en pedagoog
Some thoughts concerning education (1693) —> boek dat hij heeft
geschreven
Grote invloed op opvoedingsideeën in de achttiende
eeuw
Locke als empirist → in de wetenschapsfilosofische zin = kennis opdoen
door observatie, hij gelooft dat kinderen leren door te zien wat zijn
opvoeders/onderwijzers doen (het goede voorbeeld), ze zijn niet geboren
met bestaande kennis.
Locke: kind is tabula rasa → geen aangeboren ideeën, maar kennis door
ervaring → Karakter is wel aangeboren
Tabula rasa gaat over kennis maar je bent geen tabula rasa als het gaat over
karakter, je wordt geboren met een bepaalde karakter structuur, hier kan je niet
Hoorcollege verlichting 1
, in sturen.
Kind van nature ‘neutraal’
Doel van opvoeding: ‘vrijheid en zelfbestuur’ —> Het kind zelf leren
nadenken
Opvoeden tot beschaafd man: deugd, verstand, welgemanierdheid en
kennis → belang goede voorbeeld
Klassiek ideaal: gezonde geest in een gezond lichaam
Respect voor eigen aard van het kind
– Niet slaan
– Kind wil graag weten / leren
– Spelen is goed en nodig
Deugdzame mensen creëren als eerste, daarna komt kennis.
Niet op kinderen hun gevoel inspelen —> je wilt niet dat kinderen iets wel of
niet doen omdat het goed of fout is, niet omdat ze een beloning of straf
krijgen.
Mythe van het Europese gezin:
Omvang en samenstelling huishouden na de middeleeuwen:
West-Europa: kerngezin→ tweegeneratiehuishoudens
—> Neolokaal vestigings-patroon (weinig inwoning familie of personeel → ook
niet van ongehuwden en ouderen) —> als je met iemand trouwt ga je daarna
met diegene samen wonen
—> Hoge sterftecijfers (op jonge leeftijd)
—> Erfrecht (parigenituur vs. primogenituur)
Parigenituur = Als ouders overlijden kregen alle kinderen een gelijke erfenis,
hierdoor kunnen alle kinderen op zichzelf wonen.
Primogenituur = in Oostelijke landen kreeg alleen de oudste zoon de erfenis, de
overige kinderen bleven daardoor in ouderlijk huis wonen.
Huwelijkspatroon
—> Hoge huwelijksleeftijd (gemiddeld 26 voor vrouwen, 28 voor mannen.)
—> Relatief veel ongehuwden → celibaat
—> Economische zelfstandigheid (jongens vak leren of hoger onderwijs,
Hoorcollege verlichting 2