Week 1
Leerstuk 1: democratische rechtsstaat
Vijf elementen voor een democratische rechtsstaat:
Legaliteitsbeginsel: bevoegdheden van overheidsorganen kunnen slechts bestaan op grond
van de wet en dienen conform de wet te worden uitgeoefend
Machtenscheiding/-spreiding
Onafhankelijke rechtspraak die toeziet op de uitoefening van de overheid van haar
bevoegdheden
Bescherming fundamentele rechten (grond- en mensenrechte)
Democratie
Zonder het vereiste democratie, spreken we van een rechtsstaat
De grondslag voor de democratische rechtsstaat is terug te vinden in de Algemene bepaling
voor artikel 1 Gw. Deze bepaling werd opgenomen in de Grondwet in 2022, maar hiervoor voldeed
NL ook al aan de vereisten. De toegevoegde waarde is de normativiteit door te stellen dat de
Grondwet de democratische rechtsstaat waarborgt. Het heeft een interpretatieve en
richtinggevende functie.
Leerstuk 2: de geschiedenis van de Nederlandse staat
Vijf perioden:
Landheerlijke periode (10e – 15e eeuw)
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1579-1795)
Franse Tijd (1795-1813)
Koninkrijk der Nederlanden (1814-1815)
Verdere evolutie tot vandaag
Landheerlijke periode:
Nederland bestond uit kleine eilandjes die bestuurd werden door een feodaal stelsel. Het
eigendom van de landjes veranderde daardoor steeds.
1543: personele unie Karel V kreeg alle 17 de landjes in handen.
1549: pragmatieke sanctie Karel V bepaalde dat alle 17 de landjes alleen tegelijkertijd mochten
worden vererfd.
Karel V was de plaatsvervanger van God op aarde en hoefde aan niemand verantwoording af te
leggen.
Er was een oud stelsel met een koning/keizer/landsheer met landvoogden (namens Karel V gezag
voeren) en stadshouders (iemand die verantwoordelijk is voor een bepaalde plaats). De Raad van
State had een andere rol dan zij nu had; zij ondersteunde de zus van Karel de V (de landvoogd). De
vertegenwoordigers van de Staten-Generaal werden niet gekozen, maar waren rijke burgers en
edelen. Er was geen grondrechten en de rechtspraak was niet onafhankelijk.
,Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: confederatie
1568: De Opstand onder Willem van Oranje leidde tot:
1579: Unie van Utrecht Dit was een verbond tussen alle noordelijke gewesten die afspraken
zelfstandig door te gaan. Bij oorlogen trokken ze samen op. Hiermee legden ze de grondslag voor
de confederatie die later ontstaat.
1581: Plakkaat van Verlatinge Filips II werd niet meer als leider erkend. De Republiek werd
opgericht met de Staten-Generaal als hoogste orgaan. De vertegenwoordigers van de verschillende
staten kwamen bijeen in de Staten-Generaal. De besluitvorming in de Staten-Generaal werd
bemoeilijkt door het confederale karakter van de Unie. In belangrijke zaken was eenstemmigheid
van de provincies vereist. Elke provinciale afvaardiging was gebonden door een ‘last’ (opdracht)
van zijn provinciale staten; wanneer de last niet toereikend was, moest ruggespraak worden
gehouden. Hierdoor was het proces van besluitvorming tijdrovend en niet altijd doelmatig.
1648: Vrede van Munster De Republiek werd erkend door Spanje.
De stadhouders kregen een functie als een soort minister en er waren raadspensionarissen, hun rol
was niet duidelijk afgebakend met die van een stadhouder. De Raad van State werd een
bestuursorgaan waar bevoegdheden aan werden gedelegeerd.
Franse Tijd eenheidsstaat
Bataafsche Republiek (1795-1806)
Koningrijk Holland (1806-1810)
Inlijving bij Frankrijk (1810-1813)
Er kwamen nieuwe idealen geïnspireerd door de Franse revolutie:
Vrijheid & gelijkheid
Machtenscheiding
Eenheidsstaat
Volkssoevereiniteit
Er kwam een nieuwe Grondwet. Frankrijk verstevigt haar greep met koning Lodewijk. NL verliest de
onafhankelijkheid (1805, 1806, 1810).
Koninkrijk der Nederlanden eenheidsstaat
1814: Koninkrijk der Nederlanden. Er komt een soevereine vorst en Staten-Generaal. De Staten-
Generaal wordt een vertegenwoordigend orgaan waarvan de leden worden gekozen door de
provincies. Alle gekozenen in de S-G vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk, dat is dus
anders dan in de tijd van de Republiek.
Invoering van art. 50 Gw: de Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk
Invoering art. 67 lid 3 Gw: leden stemmen zonder last
1815-1830: Nederland wordt verenigd met België o.a. invoering tweekwamerstelsel.
De VOC en WIC werden ontbonden (1796 en 1791). Door de uitvoerende macht vanuit NL werd
Nederlands-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen bestuurd.
Verdere evolutie tot vandaag
19e & 20e eeuw – democratisering
1848: invoering ministeriële verantwoordelijkheid; er moest verantwoording worden afgelegd aan
de koning in plaats van het parlement.
Rechtstreeks kiesrecht voor de Tweede Kamer, 1917-1919: algemeen mannen- en
,vrouwenkiesrecht
20e en 21e eeuw – dekolonisatie en hervorming Koninkrijk
1945-1949: Indonesië strijdt voor onafhankelijkheid
1954: Statuut voor het Koninkrijk
Zelfstandigheid en gelijkwaardigheid
Art. 3: aangelegenheden van het Koninkrijk, 1 nationaliteit
Nederland blijft dominant
1975: onafhankelijkheid Suriname
1986: Aruba uit Nederlandse Antillen
2010: hervorming Koninkrijksstructuur
Internationalisering: 1945: Verenigde Naties & Handvest van de Verenigde Naties, 1949: Raad van
Europa, 1954: EVRM, 1959: EGKS, 1967: EEG, 1993: Europese Unie met Europees Burgerschap
Leerstuk 3: het Koninkrijk der Nederlanden
Deze structuur volgt uit art. 1 van het Statuut.
Het Statuut is in 1954 vastgesteld. Na 1954 hebben zich verschillende staatkundige ontwikkelingen
zich voorgedaan; Suriname heeft op 25 november 1975 de onafhankelijkheid van Nederland
verworven, op 1 januari 1986 kreeg Aruba binnen het Koninkrijk een aparte status ten opzichte van
de overige Antilliaanse eilanden en in een aantal referenda tussen 2000 en 2004 sprak een grote
meerderheid van de Antilliaanse bevolking zich uit voor een andere staatkundige structuur. In 2005
is vervolgens een proces van staatkundige hervorming in gang gezet.
Per 10-10-10 is het Statuut gewijzigd en is het land Nederlandse Antillen opgehouden te bestaan.
Curaçao en Sint Maarten hebben een vergelijkbare status gekregen als Aruba. Hierdoor kent het
Koninkrijk nu vier autonome landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De drie kleine
eilanden, Bonaire, Saba en Sint Eustatius (BES-eilanden) zijn toegetreden tot het land Nederland.
Nederland heeft hierdoor een directere verantwoordelijkheid gekregen voor het Caribische deel
van het Koninkrijk.
, Leerstuk 4: federatie, eenheidsstaat & confederatie
Federatie:
Deelstaten dragen een deel van hun soevereiniteit over aan een centraal gezag
Alle bevoegdheden die niet expliciet zijn overgedragen, blijven bij de deelstaten
Deelstaten beschikken daarmee over zelfstandige bevoegdheden waarop het centrale
gezag in beginsel geen inbreuk mag maken
Voorbeelden: VS, Duitsland, Mexico, Indonesië
Eenheidsstaat:
In beginsel alle bevoegdheden toe aan de centrale overheid;
Eventuele decentralisatie vindt plaats binnen het kader van die centrale bevoegdheid;
Verdeling van overheidsbevoegdheden over decentrale overheden zoals gemeenten,
provincies en waterschappen;
Toezichtsbevoegdheden centraal bestuur.
Voorbeeld: Nederland
Confederatie:
Samenwerkingsverband van staten die hun eigen soevereiniteit behouden;
Staten komen overeen om bepaalde aangelegenheden gezamenlijk te regelen;
Individuele staten blijven in wezen soeverein;
Statenbond.
Historische voorbeelden: Confederate States of America, Republiek der Verenigde Nederlanden
Leerstuk 5: overige begrippen
Een constitutie = het geheel van regels en beginselen dat een staat constitueert en ordent. Een
staat kan niet zonder constitutie, maar wel zonder een Grondwet (zie Groot-Brittanië). Het zijn
informele regels die het gedrag reguleren van de instituties (met name de regering).
Een ongeschreven staatsrechtelijke regel = wanneer een gewoon of bestendige praktijk ook als
rechtens juist en geboden wordt beschouwd door de actoren en algemeen wordt erkend als
essentiële staatsrechtelijke regel, en niet meer als een veranderlijke praktijk. Voorbeelden:
ontbindingsregel & vertrouwensregel.
Vertrouwensregel = een regering/minister dient het vertrouwen van de Staten-Generaal te
hebben; er is vertrouwen zolang het tegendeel niet is gebleken (niet in rechte afdwingbaar).
Een formeel rigide Grondwet houdt in dat een Grondwet formeel op papier lastig te wijzigen is.
Een materieel rigide Grondwet houdt in dat de Grondwet in de interpretatie lastig te wijzigen is. De
Nederlandse Grondwet is materieel rigide, vooral door het ontbreken van het rechterlijk
toetsingsrecht (art. 120 Gw). De interpretatie ligt daardoor bij de wetgever.