,15 meerkeuze
Hoofdstuk 1 - Analytische chemie
1.1 Klassieke scheidingsmethoden
1. Een mengsel bevat zand, natriumchloride en water. Welke opeenvolgende
scheidingsmethode levert uiteindelijk afzonderlijk zand en vast natriumchloride op?
A. Filtreren - destilleren
B. Extraheren - filtreren
C. Filtreren - indampen
D. Indampen - filtreren
1.2 UV/Vis-spectrometrie
2. Een oplossing absorbeert bij 520 nm. Bij een bepaalde concentratie bedraagt de extinctie
0,80. De cuvetlengte is 1,0 cm. Welke verandering is volgens de wet van Beer-Lambert het
meest aannemelijk wanneer de concentratie wordt verdubbeld, mits geen afwijking van
lineariteit optreedt?
A. De extinctie stijgt naar 1,60.
B. De extinctie blijft 0,80.
C. De extinctie daalt naar 0,40.
D. De golflengte verschuift naar 1040 nm.
1.3 Atoomspectrometrie
3. Waarom zijn emissielijnen in atoomspectrometrie element-specifiek?
A. Omdat alle elementen bij dezelfde temperatuur dezelfde golflengte uitzenden.
B. Omdat elektronenovergangen tussen gekwantiseerde energieniveaus karakteristiek zijn voor elk
element.
C. Omdat de intensiteit uitsluitend wordt bepaald door de oplosmiddelconcentratie.
D. Omdat moleculaire trillingen uitsluitend zichtbaar zijn in het emissiespectrum.
1.4 Molecuulspectrometrie
4. Een IR-spectrum vertoont een sterke absorptie rond 1700 cm-1. Welke functionele groep is
hiermee het meest consistent?
A. C-H
B. O-H
C. N-H
D. C=O
, 1.5 Chromatografie
5. Bij een chromatografische scheiding heeft stof X een grotere retentietijd dan stof Y. Welke
conclusie is het meest verantwoord?
A. X heeft noodzakelijkerwijs een grotere molaire massa dan Y.
B. X is noodzakelijkerwijs chemisch reactiever dan Y.
C. X heeft onder de gebruikte omstandigheden een sterkere interactie met de stationaire fase of een
zwakkere voorkeur voor de mobiele fase.
D. X heeft noodzakelijkerwijs een hogere concentratie dan Y.
1.6 Concentratiebepaling en kalibratie
6. Een kalibratielijn wordt beschreven door:
y = 0,250x + 0,020
Voor een onbekend monster wordt y = 0,770 gemeten. Welke concentratie volgt uit de kalibratielijn?
A. 2,80
B. 3,00
C. 3,20
D. 3,80
1.7 Kwalitatieve en kwantitatieve analyse
7. Welke combinatie beschrijft het onderscheid tussen kwalitatieve en kwantitatieve analyse
het beste?
A. Kwalitatief bepaalt welke stof aanwezig is; kwantitatief bepaalt hoeveel ervan aanwezig is.
B. Kwalitatief bepaalt uitsluitend de massa; kwantitatief bepaalt uitsluitend de identiteit.
C. Kwalitatief vereist altijd chromatografie; kwantitatief altijd spectrometrie.
D. Kwalitatief is altijd subjectief; kwantitatief is altijd foutloos.
1.8 Meetresultaten en interpretatie
8. Een analysemethode levert bij herhaalde metingen de waarden 10,02; 10,03; 10,02 en 10,03
mg/L. De werkelijke waarde blijkt later 10,50 mg/L te zijn. Welke karakterisering past het
beste?
A. Lage precisie en hoge nauwkeurigheid
B. Hoge precisie en lage nauwkeurigheid
C. Lage precisie en lage nauwkeurigheid
D. Hoge precisie en hoge nauwkeurigheid