Datamanagementtechnologie: Software die de organisatie van gegevens op fysieke opslagmedia
regelt.
Een computersysteem organiseert gegevens in een hiërarchie die begint met bits en bytes en
verdergaat naar velden, records, bestanden en databases.
Bit: Een binair getal dat de kleinste gegevenseenheid in een computersysteem vertegenwoordigt.
Slechts twee staten, 0 of 1.
Byte: een string bits, gewoonlijk acht, die wordt gebruikt om één getal of teken in een
computersysteem op te slaan.
Veld: Een groep tekens: een woord, zin of cijfer, zoals iemands naam of leeftijd. (=Gegevenselement)
Record: Een groep gerelateerde velden
Bestand: Een groep records van hetzelfde type. Bijvoorbeeld te herkennen in een verkenner op de
harde schijf als bestand.txt.
Database: Een verzameling gegevens die is georganiseerd om te worden gebruikt door veel
toepassingen tegelijk, waarbij gegevens zo worden opgeslagen en beheerd dat het lijkt alsof ze op
één locatie zijn opgeslagen.
Een record beschrijft een entiteit een persoon, een plaats, een ding of een gebeurtenis waarover
we informatie verzamelen.
Elke eigenschap of kwaliteit die deze specifieke entiteit beschrijft, heet een attribuut.
Dataredundantie: De aanwezigheid van dubbele gegevens in meerdere gegevensbestanden. Ontstaat
wanneer verschillende groepen in een organisatie onafhankelijk van elkaar dezelfde gegevens
verzamelen en deze onafhankelijk van elkaar opslaan.
Data-inconsistentie: Tegenstrijdigheid, de aanwezigheid van van elkaar verschillende waarden voor
hetzelfde attribuut wanneer dezelfde data op meerdere locaties zijn opgeslagen.
Programmadata-afhankelijkheid: De nauwe relatie tussen gegevens die in bestanden zijn opgeslagen
en de specifieke programma’s die nodig zijn om deze bestande te updaten en bij te houden.
Veranderingen in de organisatie of het formaat van de gegevens vereisen veranderingen in alle
programma’s die deze gegevens gebruiken.
Databasemanagementsysteem (DBMS): Speciale software om een database te maken en te
onderhouden en die specifieke bedrijfstoepassingen in staat stelt de benodigde gegevens de vinden
zonder aparte bestanden of gegevensdefinities aan de computerprogramma’s te moeten toevoegen.
Een DBMS vermindert de redundantie en inconsistentie door het aantal verspreide bestanden waarin
dezelfde gegevens worden bijgehouden te minimaliseren.
Relationeel DBMS: Een logisch databasemodel dat gegevens vertegenwoordigt als tweedimensionale
tabellen. Het kan gegevens in één tabel koppelen aan gegevens in een andere tabel zolang de twee
tabellen een gezamenlijk gegevenselement hebben.
Tupel: Een rij of record in een relationele database.
Sleutelveld: Een uniek veld dat de record identificeert, zodat de record kan worden gevonden,
bijgewerkt of gesorteerd.
Primaire sleutel: Unieke identifier voor alle informatie in elke rij van een databasetabel. Door een
primaire sleutel als veld aan een record toe te voegen, heeft geen van de records in de database
dezelfde gegevenswaarde, omdat de primaire sleutel uniek moet zijn.
Externe sleutel: Een veld in een tabel dat (uitsluitend) waarden bevat van de primaire sleutel van een
andere tabel. Het combineren van primaire en externe sleutels laat toe duidelijk omschreven relaties
te smeden tussen meerdere tabellen in een gegevensbanksysteem.