Theorie: samenhangend geheel van uitspraken waarmee wordt
geprobeerd verschijnselen te beschrijven, verklaren of voorspellen.
Deductief-nomologisch model: (Scheepers p.108)
Model waarbinnen specifieke uitspraken afgeleid kunnen worden uit
algemene uitspraken
(dia 4, 6, 8, 9 verwerkt in literatuur)
Dia 5 doorlezen met artikel uit het boek erbij!
Literatuur week 4:
Research designs (Bryman, 2012)
Research design: framework voor uitvoering onderzoeksmethode en
data-analyse design reflecteert prioriteiten tijdens het onderzoek:
- causale verbanden vaststellen tussen variabelen
- generaliseren naar een bredere groep i.p.v. enkel je
onderzoekspersonen
- gedrag en betekenis in een specifieke sociale context
- temporale factor van sociale fenomenen en de interconnecties hierin
3 criteria voor evaluatie van sociaal onderzoek: (vooral
kwantitatief onderzoek)
- betrouwbaarheid: is het herhaalbaar?
- replicatie: studie moet navolgbaar zijn met transparante uitvoering.
- validiteit: is de conclusie passend bij het onderzoek?
measurement validity: representeren de resultaten het concept dat
wordt gemeten? (Vb: geeft IQ-test wel echte waardes van intelligentie?)
internal validity: is het causale verband correct? Is er geen andere
factor aanwezig?
external validity: zijn resultaten generaliseerbaar buiten het
specifieke onderzoek?
ecological validity: komen de bevindingen overeen met sociale
werkelijkheid? Beïnvloedde het onderzoek niet het natuurlijke proces?
Ecological fallacy: wanneer men ten onrechte denkt dat een algemene
trend in een populatie, automatisch geldt voor elk individu in die groep.
Naturalisme: alles zien als 1 geheel, geen verschil tussen natuur &
sociologie; ze volgen allemaal dezelfde ‘wetten,’ dus zelfde identiteit
positivistisch
andere opvatting: naturalisme is dat mensen een betekenis hebben
achter hun sociale gedrag, en dat ze hun gedrag zelf vormen.
naturalisme: onderzoeksveld zo min mogelijk verstoord tijdens een
onderzoek
, 1 types ‘research design:’
1. Experimental design: willekeurig toewijzen van proefpersonen aan
experimentele- en controlegroepen.
Ongeschikt voor SRO: onvoorspelbaar, en variabelen worden
gemanipuleerd om impact op andere variabele te toetsen (Vb: effect v
variaties in sociale klasse op gezondheid toetsen; maar je kunt mensen
niet ‘manipuleren’/groeperen in bepaalde klasse). beste ‘uitkomst’
van interne validiteit
dreiging voor interne validiteit: voorgaande gebeurtenissen
beïnvloeden resultaat: bekendheid met onderzoek door pre-toetsing; bij
gebruik van variabelen wil je causaal verband, maar niet voldoende data.
dreiging voor externe validiteit: generalisatie tot wie, waar en
wanneer? Zijn factoren zoals locatie, gender, etniciteit, sociale klasse
bepalend voor resultaten?
Laboratoriumonderzoek: meer wetenschappelijke controle hogere
interne validiteit
weinig externe- & ecological validiteit: labonderzoek is geen
realistische situatie.
Quasi-experiment: ‘experiment’ met manipulatie van situatie geen
random toewijzing tot experiment-/ controlgroup
Geen interventies in ‘sociale leven’ nodig ecological validity
2. Cross-sectional design: kwantitatieve dataverzameling van >1
onderzoek op 1 tijdstip & vergelijken met 2+ variabelen, om patronen te
herkennen.
enquêtes, structured observation, content analysis, statistieken
Elementen van cross-sectional design:
- onderzoek v meer dan 1 case: opzoek naar variaties d.m.v. grote
aantallen cases.
- op 1 tijdstip: data wordt van hetzelfde tijdstip verzameld
- kwantitatieve data: om variatie te zien is gestandaardiseerde
dataverzameling nodig
- patronen: cross-sectional vind patronen binnen verzamelde data.
Betrouwbaarheid: welke methodes en maatstaven worden gebruikt? Is
het navolgbaar?
herhaalbaarheid: kwantitatieve onderzoeksprocedure erg nauwkeurig
uitgelegd.
validity: zwakke interne validiteit. Vinden van causaal verband is
lastig; vooral patronen herkent.
externe validiteit is sterk wanneer de datasample random verzameld
is.
geprobeerd verschijnselen te beschrijven, verklaren of voorspellen.
Deductief-nomologisch model: (Scheepers p.108)
Model waarbinnen specifieke uitspraken afgeleid kunnen worden uit
algemene uitspraken
(dia 4, 6, 8, 9 verwerkt in literatuur)
Dia 5 doorlezen met artikel uit het boek erbij!
Literatuur week 4:
Research designs (Bryman, 2012)
Research design: framework voor uitvoering onderzoeksmethode en
data-analyse design reflecteert prioriteiten tijdens het onderzoek:
- causale verbanden vaststellen tussen variabelen
- generaliseren naar een bredere groep i.p.v. enkel je
onderzoekspersonen
- gedrag en betekenis in een specifieke sociale context
- temporale factor van sociale fenomenen en de interconnecties hierin
3 criteria voor evaluatie van sociaal onderzoek: (vooral
kwantitatief onderzoek)
- betrouwbaarheid: is het herhaalbaar?
- replicatie: studie moet navolgbaar zijn met transparante uitvoering.
- validiteit: is de conclusie passend bij het onderzoek?
measurement validity: representeren de resultaten het concept dat
wordt gemeten? (Vb: geeft IQ-test wel echte waardes van intelligentie?)
internal validity: is het causale verband correct? Is er geen andere
factor aanwezig?
external validity: zijn resultaten generaliseerbaar buiten het
specifieke onderzoek?
ecological validity: komen de bevindingen overeen met sociale
werkelijkheid? Beïnvloedde het onderzoek niet het natuurlijke proces?
Ecological fallacy: wanneer men ten onrechte denkt dat een algemene
trend in een populatie, automatisch geldt voor elk individu in die groep.
Naturalisme: alles zien als 1 geheel, geen verschil tussen natuur &
sociologie; ze volgen allemaal dezelfde ‘wetten,’ dus zelfde identiteit
positivistisch
andere opvatting: naturalisme is dat mensen een betekenis hebben
achter hun sociale gedrag, en dat ze hun gedrag zelf vormen.
naturalisme: onderzoeksveld zo min mogelijk verstoord tijdens een
onderzoek
, 1 types ‘research design:’
1. Experimental design: willekeurig toewijzen van proefpersonen aan
experimentele- en controlegroepen.
Ongeschikt voor SRO: onvoorspelbaar, en variabelen worden
gemanipuleerd om impact op andere variabele te toetsen (Vb: effect v
variaties in sociale klasse op gezondheid toetsen; maar je kunt mensen
niet ‘manipuleren’/groeperen in bepaalde klasse). beste ‘uitkomst’
van interne validiteit
dreiging voor interne validiteit: voorgaande gebeurtenissen
beïnvloeden resultaat: bekendheid met onderzoek door pre-toetsing; bij
gebruik van variabelen wil je causaal verband, maar niet voldoende data.
dreiging voor externe validiteit: generalisatie tot wie, waar en
wanneer? Zijn factoren zoals locatie, gender, etniciteit, sociale klasse
bepalend voor resultaten?
Laboratoriumonderzoek: meer wetenschappelijke controle hogere
interne validiteit
weinig externe- & ecological validiteit: labonderzoek is geen
realistische situatie.
Quasi-experiment: ‘experiment’ met manipulatie van situatie geen
random toewijzing tot experiment-/ controlgroup
Geen interventies in ‘sociale leven’ nodig ecological validity
2. Cross-sectional design: kwantitatieve dataverzameling van >1
onderzoek op 1 tijdstip & vergelijken met 2+ variabelen, om patronen te
herkennen.
enquêtes, structured observation, content analysis, statistieken
Elementen van cross-sectional design:
- onderzoek v meer dan 1 case: opzoek naar variaties d.m.v. grote
aantallen cases.
- op 1 tijdstip: data wordt van hetzelfde tijdstip verzameld
- kwantitatieve data: om variatie te zien is gestandaardiseerde
dataverzameling nodig
- patronen: cross-sectional vind patronen binnen verzamelde data.
Betrouwbaarheid: welke methodes en maatstaven worden gebruikt? Is
het navolgbaar?
herhaalbaarheid: kwantitatieve onderzoeksprocedure erg nauwkeurig
uitgelegd.
validity: zwakke interne validiteit. Vinden van causaal verband is
lastig; vooral patronen herkent.
externe validiteit is sterk wanneer de datasample random verzameld
is.