• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 178 pagina's
Samenvatting

Samenvatting leerdoelen van Basis tot Homeostase

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 178 pagina's

Ik heb afgelopen jaar (2025/2026) alle leerdoelen voor Basis tot Homeostase van Geneeskunde jaar 1 aan de Universiteit Leiden samengevat. Het zijn 178 pagina's vol met alles wat je moet weten. Kan jij het beste leren van een samenvatting boordevol bullet points, tabellen en (geannoteerde) plaatjes? dan is dit echt een samenvatting voor jou! PS: de leerdoelen geven je houvast voor wat jij moet kennen voor je tentamen, dus hier staat alles in!

Voorbeeld van de inhoud

Basis tot
Homeostase
Door Fae Visser | 2025-2026




Homeostase en
fysiologische
concepten
Homeostase en fysiologische conceptenr | 2025-2026

,Homeostase en
fysiologische
concepten

,HOMEOSTASE
Je beschrijft de globale bouw en functie van hart, vaten, longen en nieren en hun
specifieke rol bij het handhaven van de homeostase
• Homeostase is de controle van een hele hoop parameters, zorgen dat deze binnen bepaalde
grenzen blijven → zelf regulerend proces waarmee een organisme zijn interne stabiliteit
handhaaft
o Het gaat niet altijd over constant houden, soms moet het ook aangepast worden om
ervoor te zorgen dat het organisme normaal kan functioneren
• Er is een relatie tussen de metabolisme, ademhaling en hartslag
o Om energie van voeding te oxideren is zuurstof nodig
▪ Ademhalingsfrequentie moet genoeg zuurstof leveren
▪ Hartslag moet hoog genoeg zijn om zuurstof te transporteren
o Zuurstofextractie: lichaamscellen nemen zuurstof (O2) op uit het bloed voor hun
stofwisseling

Cardiovasculair systeem (hart en vaten)
Bouw
• Hart: fungeert als een pomp
• Slagaders: vervoeren bloed weg van het hart
• Aders: vervoeren bloed naar het hart toe
• Haarvaten: fijne netwerken, belangrijk voor uitwisseling
Functie
• Aanvoer brandstoffen, voedingsstoffen en zuurstof
• Afvoer van afvalstoffen en CO2
Vitale parameters (voor handhaven homeostase)
• Hartslag/Heart rate (HR): aantal slagen per minuut
• Slagvolume/Stroke volume (SV): hoeveelheid bloed dat per hartslag uit de linker ventrikel
wordt gepompt
• Hartminuutvolume/Cardiac output (CO): volume bloed dat per minuut uit het bloed wordt
gepompt

Ademhalingssysteem (longen)
Bouw
• Luchtwegen: neus, keel, luchtpijp, bronchiën
• Eindigen in longblaasjes die omgeven worden door de haarvaten
Functie
• Uitwisseling van O2 en CO2 met de omgeving
Vitale parameters (voor handhaven homeostase)
• Ademhalingsfrequentie/Respiratory rate: aantal ademhalingen per minuut
• Ademvolume/Tidal volume: hoeveelheid lucht die je bij een normale ademhaling in- of
uitademt
• Ademminuutvolume (AMV): totale volume lucht dat per minuut de luchtwegen in- en uitgaat
• Zuurstofverzadiging/saturatie: percentage hemoglobine in het bloed dat zuurstof vervoert

Nieren
Bouw
• Twee boonvormige organen met nefronen die bestaan uit filtersystemen en tubuli (buisjes)

, Functie
• Verwijderen van afvalstoffen
• Regelen van bloedsamenstelling
• Volumeregulatie: hoeveelheid vocht en zouten in het lichaam in evenwicht houden
• Osmoregulatie: concentratie zouten en water in lichaamsvloeistoffen in evenwicht houden
Vitale parameters (voor handhaven homeostase)
• Urineproductie: hoeveelheid urine die over een bepaalde periode wordt geproduceerd
• Bloeddruk: nieren spelen sleutelrol bij langetermijn regulatie van de bloeddruk


FYSIOLOGISCHE REGELSYSTEMEN
Je beschrijft de belangrijkste karakteristieken van biologische/fysiologische
regelsystemen en illustreert deze met voorbeelden uit de humane fysiologie
Weergave regelsysteem




• De uitvoer is een functie van de invoer → uitvoer = f(invoer)




Verschillende regelsystemen
Open regelsysteem
• Geen terugkoppeling bij fouten tijdens het proces
• Soorten:
o Aan-uit regelsysteem: waarde van het ingangssignaal bepaalt of het proces start of
stopt → blaas van een peuter die geleegd wordt bij een bepaalde vullingsgraad)
o Proportioneel regelsysteem: uitgangssignaal reageert proportioneel op de
veranderingen van het ingangssignaal → pupilreactie oog
Gesloten regelsysteem

Inhoudsopgave

  1. 01 Homeostase en fysiologische concepten 1
  2. 02 Homeostase en fysiologische concepten 1
  3. 03 Homeostase en fysiologische concepten 1
  4. 04 Homeostase en fysiologische concepten 1
  5. 05 Homeostase en fysiologische concepten 1
  6. 06 Homeostase en fysiologische concepten 1
  7. 07 Het cardiovasculaire systeemconcepten 1
  8. 08 Homeostase en fysiologische concepten 1
  9. 09 Homeostase en fysiologische concepten 1
  10. 10 HoHet ademhalingssysteemche concepten 1
  11. 11 Homeostase en fysiologische concepten 2
  12. 12 HOMEOSTASE 3
    1. Je beschrijft de globale bouw en functie van hart, vaten, longen en nieren en hun specifieke rol bij het handhaven van de homeostase 3
  13. 13 FYSIOLOGISCHE REGELSYSTEMEN 4
    1. Je beschrijft de belangrijkste karakteristieken van biologische/fysiologische regelsystemen en illustreert deze met voorbeelden uit de humane fysiologie 4
  14. 14 zuur-base balans 6
  15. 15 1: algemene informatie zuur-base 6
    1. Je geeft definities van zuur, base en buffer 6
  16. 16 2: buffers 6
    1. Formule 6
    2. Je definieert de buffercapaciteit en geeft aan van welke factoren deze afhankelijk is 7
  17. 17 3: henderson-Hasselbalch 7
    1. Je leidt de Henderson-Hasselbalch vergelijking af 7
  18. 18 4: buffers in bloed & urine 7
    1. Je noemt de belangrijkste buffersystemen in bloed en urine en maakt daarbij onderscheid tussen gesloten en open systemen 7
  19. 19 regeling zuur-base balans 8
    1. Beschrijf hoe het lichaam de zuur-base balans reguleert 8
  20. 20 1: HCO3−-CO2-systeem 8
    1. Je geeft aan wat de relatieve bijdragen zijn van longen en nieren aan de buffering van bloed 9
  21. 21 2: verstoringen en compensatie 9
    1. Je kent een aantal oorzaken van acidose en alkalose 9
    2. Je beschrijft hoe het lichaam compenseert voor situaties van respiratoire acidose en respiratoire alkalose en voor situaties van metabole acidose en metabole alkalose. 10
  22. 22 3: Analyse zuur-base stoornis 11
  23. 23 SPIERFYSIOLOGIE 12
    1. Je beschrijft de moleculaire structuur van de contractiele eiwitten, legt het mechanisme van cross-bridge cycling uit en verklaart hoe dit resulteert in verkorting van de spier en krachtopbouw 12
    2. Je beschrijft de relatie tussen elektrische excitatie en mechanische contractie van de cel, verklaart de essentiële rol van calcium in dit proces en legt uit hoe de intracellulaire calciumconcentratie de spiercontractie reguleert 16
    3. Je legt uit hoe de verkorting en opgebouwde kracht die een gestimuleerde spier levert afhankelijk zijn van de voorbelasting en nabelasting van de spier en betrekt daarbij de onderliggende moleculaire mechanismen 18
  24. 24 gaswetten 19
    1. Afgeleide wetten 19
  25. 25 Het cardiovasculaire systeem 21
  26. 26 Anatomie van het hart 22
  27. 27 1: positie Hart in de borstholte 22
    1. Je beschrijft de positie van het hart ten opzichte van de thoraxwand 22
  28. 28 2: bouw atria en ventrikels 22
    1. Je beschrijft de bouw van het hart, met name de positie van de atria en ventrikels ten opzichte van elkaar 22
  29. 29 3: Hartkleppen 23
    1. Je benoemt de 4 kleppen van het hart, beschrijft hun bouw en onderlinge verschillen, en legt hun werking uit. 23
  30. 30 4: Wanden van de hartcompartimenten 24
    1. Je noemt de functionele aspecten van de hartkamers 24
  31. 31 5: Bloedvoorziening van de hartspier 26
    1. Je geeft een beschrijving van de bloedvoorziening van de hartspier 26
  32. 32 Anatomie en functie vasculair systeem 27
  33. 33 1: de vaatwand 27
    1. U kunt beschrijven uit welke lagen de vaatwand is opgebouwd 27
    2. U kunt uitleggen welke eigenschappen een vat ontleent aan de weefselopbouw van de vaatwand. 29
  34. 34 2: soorten vaten 30
    1. Overzicht 31
    2. Elastische arteriën/ dirigerende arteriën 31
    3. Musculeuze arteriën/ verdelende arteriën 32
    4. Arteriolen/ weerstandsvaten 32
    5. Je legt uit dat filtratie en reabsorptie in het capillaire vaatbed bepaald worden door de balans tussen hydrostatische en oncotische/osmotische drukverschillen, wat de rol hierbij is van het lymfesysteem en wanneer oedeemvorming optreedt. 32
  35. 35 HEMODYNAMICA 34
    1. Je legt de relatie uit tussen druk, flow en weerstand in vaten en verklaart hoe de verdeling van de cardiac output over de verschillende organen/orgaansystemen bepaald wordt door de verhouding van hun vasculaire weerstanden. 34
  36. 36 elektrofysiologie 36
  37. 37 1: ionkanalen & -stromen 36
    1. Je benoemt de belangrijkste ionen die de transmembraanpotentiaal van hartspiercellen veroorzaken en kent hun intra- en extracellulaire concentraties 36
    2. Je legt uit dat de Nernst-vergelijking het evenwicht beschrijft tussen de krachten die werken op deze ionen. 37
    3. Je beschrijft het mechanisme van spanningsafhankelijke eigenschappen van ionenkanalen en legt uit hoe een actiepotentiaal ontstaat. 37
  38. 38 2: het actiepotentiaal 38
    1. Je beschrijft het mechanisme van spanningsafhankelijke eigenschappen van ionenkanalen en legt uit hoe een actiepotentiaal ontstaat. 38
    2. Je beschrijft de verschillende fases van de actiepotentiaal en verklaart de vorm van de actiepotentiaal op basis van de ionenstromen. 39
  39. 39 3: Pacemaking 40
    1. Je legt het begrip ‘automatie’ uit, beschrijft de actiepotentiaal van pacemakercellen, en verklaart deze aan de hand van de ionenkanalen en ionenstromen. 40
    2. Je beschrijft de invloed van het autonome zenuwstelsel en circulerende catecholamines op de impulsvorming en geleiding in het hart 41
  40. 40 4: het geleidingssysteem 41
    1. Je benoemt de onderdelen van het prikkelvormings- en geleidingssysteem van het hart en beschrijft hun microscopische structuur en anatomische positie. 41
    2. Je verklaart hoe de gecoördineerde contracties van atria en ventrikels ontstaan door de elektrische activatie via het prikkel- en geleidingssysteem. 43
  41. 41 5: golffront 44
    1. Hartvector 44
    2. Op celniveau 45
    3. Body Surface Potential Map 45
  42. 42 ECG 45
  43. 43 1: ECG Maken 45
    1. Je kunt de samenstelling en betekenis van de 12-afleidingen van het ECG begrijpen 45
  44. 44 2: ECG interpreteren 47
    1. Registratie ECG 47
    2. Geografie van het ECG 48
    3. Nomenclatuur 48
    4. Overeenkomsten met het actiepotentiaal 48
    5. Intervallen, segmenten, QT-tijd en J-punt 49
    6. Je kunt een elektrocardiogram (ECG) interpreteren aan de hand van de 10 punten 49
  45. 45 hartfunctie 56
  46. 46 1: beschrijven van de hartfunctie 56
    1. Toepassen op de systemische circulatie 56
    2. Invloeden van factoren 56
  47. 47 2: Invloed van intrinsieke eigenschappen van het hart 57
  48. 48 3: invloed van de belasting van het hart 57
    1. Invloed op de preload 57
    2. Invloed op de afterload 57
    3. Elastantie en compliantie 58
    4. Stijver worden van het hart 58
    5. Invloed van stijfheid op de preload 58
  49. 49 4: weergeven van de hartfunctie in pv-loop 59
    1. Timing van hartcyclus 59
    2. PV-loop vulling 59
    3. PV-loop ejectie 60
    4. Invloed van hoger slagvolume op PV-loop 60
  50. 50 Cardiovasculaire interactie 63
  51. 51 1: (dis)balans tussen CO en VR 63
  52. 52 2: effecten van intrinsieke eigenschappen van het hart op CO/VR 65
  53. 53 3: Effecten van preload & afterload op CO/VR 65
  54. 54 cardiovasculaire regulatie 66
  55. 55 1: intrinsieke & extrinsieke controle 66
    1. Je beschrijft de intrinsieke (autoregulatie) en extrinsieke (neuraal, humoraal) factoren die de vaattonus (constrictie, dilatatie) bepalen. 66
  56. 56 2: Neurale controle 67
    1. Baroreceptoren 68
    2. Je beschrijft de afferente/efferente reflexpaden en de effectormechanismen van de arteriële en de cardiopulmonale baroreflex 68
    3. Je verklaart de reflexmatige gevolgen van een verlaging of een verhoging van de centraal veneuze druk en van de arteriële bloeddruk 68
    4. Je beschrijft de effecten van sympatische en parasympatische stimulatie op functie van het hart en de vaattonus en welke receptoren daarbij betrokken zijn. 69
    5. Je legt uit wat de effecten zijn van stimulatie van de beta-receptoren op contractie en relaxatie van de hartspiercel 69
    6. Je legt het begrip intrinsieke hartfrequentie uit, beschrijft de modulatie van de hartfrequentie door het autonoom zenuwstelsel en legt uit via welke mechanismen de pacemakerfrequentie wordt beïnvloed 70
    7. Je beschrijft de effecten van sympatische en parasympatische stimulatie op functie van het hart en de vaattonus en welke receptoren daarbij betrokken zijn 71
    8. Je beschrijft de intrinsieke (autoregulatie) en extrinsieke (neuraal, humoraal) factoren die de vaattonus (constrictie, dilatatie) bepalen 71
  57. 57 3: humorale controle 71
    1. Je benoemt de belangrijkste hormonen die een rol spelen in de regulatie van de cardiovasculaire functie, waar ze geproduceerd worden, onder invloed van welke stimulus, en wat hun effecten zijn 72
  58. 58 hartfalen 74
  59. 59 1: wat is hartfalen? 74
    1. Pathofysiologie 74
    2. Oorzaken 75
    3. Pathofysiologie 75
    4. Oorzaken 75
  60. 60 2: compensatie en decompensatie 76
  61. 61 3: het RAAS-systeem 77
    1. Triggers voor het RAAS-systeem 77
  62. 62 4: hartfalen & de nieren 77
  63. 63 Het ademhalingssysteem 78
  64. 64 Ontwikkeling ademhalingssysteem 79
  65. 65 Macro- en microanatomie ademhalingsstelsel 79
  66. 66 1: Longontwikkeling 79
  67. 67 2: De thorax 80
    1. Spieren van de borstwand 80
    2. Begrenzingen thorax 80
    3. Onderverdeling thorax 80
  68. 68 3: Longen 80
    1. Pleuraholte & pleuravliezen 80
  69. 69 4: Onderdelen bronchiale boom 82
    1. Geleidend vs respiratoir 82
    2. Mucosa 82
    3. Submucosa (steun) 83
    4. Kraakbeenlaag 83
    5. Mucosa 83
    6. Muscularis 83
    7. Submucosa 83
    8. Bronchioli algemeen 84
    9. Terminale bronchioli 84
    10. Respiratoire bronchioli 84
    11. Ductuli alveolares 84
    12. Sacculi alveolares 84
    13. Alveoli 84
    14. Type I alveolaire cel 84
    15. Type II alveolaire cel 84
    16. Alveolaire septum 85
  70. 70 bouw ademhalingsstelsel, klinische aspecten 85
  71. 71 1: Longanatomie en plaatsing 85
  72. 72 2: Inspectie luchtwegen 86
  73. 73 3: x-thorax 86
    1. Lijnen op de X-thorax 86
  74. 74 4: Endoscopisch onderzoek 87
  75. 75 Longmechanica 87
    1. Je kent de dynamische eigenschappen van de long die relevant zijn voor luchtwegweerstand en ademarbeid, en de gevolgen voor de ademarbeid wanneer de elasticiteit van de long of de thoraxwand verandert. 87
  76. 76 1: Elasticiteit & compliantie 88
    1. De longen 88
    2. Elastische eigenschappen long & thoraxwand 88
    3. Veranderingen bij ziekte 89
  77. 77 2: druk in het ademhalingsstelsel 89
    1. Regionale compliantie verschillen 90
  78. 78 3: druk-volume curve 91
    1. Berekenen van de ademarbeid 92
    2. Afname longcompliantie 93
    3. Afname compliantie thoraxwand 94
  79. 79 4: oppervlaktespanning & surfactant 96
    1. Je begrijpt de functie van het surfactant 96
  80. 80 5: ventilatie 97
  81. 81 6: in- en uitademing 98
    1. Je verklaart het dynamische gedrag van longen en luchtwegen, zowel tijdens in- als uitademing aan de hand van de mechanische eigenschappen van het ademhalingsapparaat & Je kent de betekenis van de belangrijkste krachten die een rol spelen bij de norma... 98
  82. 82 HC-20 Ademregulatie 98
  83. 83 1: controller 100
  84. 84 2: effectoren 101
  85. 85 3: sensoren 101
    1. Effecten 103
  86. 86 3: veranderingen bij slaap 104
    1. Invloed van anesthetica, analgetica en ademstimulantia 104
    2. Hartfalen 105
  87. 87 Gaswisseling en -transport 105
  88. 88 1: partiële druk in het lichaam 105
    1. Alveolaire gasmenging 106
    2. Je begrijpt hoe partiële drukken van een gas leiden tot de alveolaire gasvergelijking 106
  89. 89 2: diffusie 106
    1. Je weet hoe het transport van gas in het bloed plaatsvindt 106
    2. Je kunt beschrijven hoe gas vanuit de alveoli in het bloed komt 107
    3. Je kent de factoren van invloed op zuurstoftransport 108
  90. 90 Ventilatie/perfusie 110
    1. Regionale verschillen in perfusie 110
    2. Complementaire mechanismen bij verhoogde bloedstroom 111
  91. 91 1: Zones van West 111
  92. 92 2: V/Q verhouding & v/Q mismatch 112
    1. Compensatoire response 113
  93. 93 3: hypoxemie 114
  94. 94 4: Aa gradiënt 115
    1. Gebruik in de praktijk 115
  95. 95 spirometrie 115
  96. 96 1: uitvoering spirometrie 115
    1. Je legt uit hoe een spirometrie wordt uitgevoerd 115
  97. 97 2: meting spirometrie 115
    1. Je kent de principes van spirometrie 115
  98. 98 3: Volumes en capaciteiten 116
    1. Je weet welke volumes met spirometrie gemeten kunnen worden. 116
    2. Je kunt de verschillende statische en dynamische longvolumes en de basale processen die eraan ten grondslag liggen afleiden 116
  99. 99 3: obstructief en restrictief 117
    1. Je hebt globaal kennis van typerende patronen in de spirometrie bij bepaalde aandoeningen 117
  100. 100 3: flow-volume curve 118
    1. Equal pressure point 120
    2. Obstructief versus restrictief 120
  101. 101 De nieren 121
  102. 102 embryonale ontwikkeling urogenitaal stelsel 122
    1. Je beschrijft de embryonale ontwikkeling van het urogenitaalstelsel 122
  103. 103 Microscopie en anatomie nieren 122
  104. 104 1: functie van de nier 122
  105. 105 2: topografie 123
    1. Rechternier 123
    2. Linkernier 123
  106. 106 3: opbouw en vorm 123
    1. Perifere parenchym 124
    2. Holte (sinus renalis) 124
  107. 107 2: kapsel, fascie en vet 124
  108. 108 4: vascularisatie 124
    1. Vasa recta 125
  109. 109 4: microscopische bouw 126
    1. Onderdelen 126
  110. 110 5: opbouw en functies nefron 127
    1. Onderdelen 127
    2. Tubulus contortus I 128
    3. Tubulus contortus II 128
    4. Ductus colligens (verzamelbuis) 128
  111. 111 6: het Nierlichaampje 128
    1. Kapsel van Bowman 129
    2. Mesangium 129
    3. Werking van het RAAS-systeem 130
  112. 112 6: urinetransport 130
    1. Ureter 130
  113. 113 RBF, RPF, GFR, Klaring 132
  114. 114 1: begrippen 132
    1. Je begrijpt de relatie tussen cardiac output, renal blood flow, renal plasma flow, GFR en klaring 132
  115. 115 2: Determinanten van glomerulaire filtratie 132
    1. Je kent de determinanten van glomerulaire filtratie: hydrostatische druk, oncotische druk, moleculaire grootte en lading 132
  116. 116 3: beïnvloedende factoren RBF, GFR en klaring 134
    1. Je begrijpt welke factoren RBF, GFR en klaring beïnvloeden 134
  117. 117 4: berekeningen GFR en klaring 134
    1. Je begrijpt hoe klaring en GFR worden berekend 134
    2. Je kent de formule voor de berekening van de endogene kreatinine klaring en de geschatte kreatinine klaring volgens Cockroft-Gault 134
  118. 118 (auto)regulatie van RBF, RPF en GFR 135
    1. Factoren die weerstand in afferente en efferente arteriolen kunnen moduleren 135
    2. Je begrijpt hoe de glomerulaire filtratiedruk wordt beïnvloed door autoregulatie & je kent enkele factoren die betrokken zijn bij de autoregulatie 135
  119. 119 1: myogene respons 135
  120. 120 2: tubuloglomerulaire feedback 136
  121. 121 tubulaire functies 136
  122. 122 1: glomerulotubulaire balans 136
    1. Je legt het concept van glomerulotubulaire (GT)-balans uit 136
    2. Je zet uiteen hoe de GT-balans bijdraagt tot de regulering van het extracellulaire volume. 136
  123. 123 2: transport over membranen 137
    1. Je kent de algemene principes van transport over membranen 137
  124. 124 3: anatomische & functionele indeling tubulus 138
    1. Je kent de anatomische en functionele indeling van de tubulus & je begrijpt de begrippen tubulaire terugresorptie en tubulaire secretie 138
  125. 125 2: de proximale tubulus 139
    1. Je weet hoe Na+, Cl-, glucose en aminozuren worden teruggeresorbeerd in de proximale tubulus 139
  126. 126 2: lis van henle 141
    1. Afdalende been 141
    2. Opstijgende been 141
    3. Je begrijpt hoe countercurrent multiplication werkt 142
    4. Je weet wat de functie is van countercurrent multiplication 142
  127. 127 3: distale nefron; distale tubulus & verzamelbuis 144
    1. Je weet dat regulatie van de osmolariteit van het plasma plaatsvindt in de verzamelbuis & Je weet dat water reabsorptie en water excretie onafhankelijk kan worden gereguleerd in de verzamelbuis, onder invloed van het hormoon ADH & Je weet dat de prikk... 144
  128. 128 4: waterresorptie 144
    1. Je begrijpt hoe en waar water wordt teruggeresorbeerd in de tubulus & Je weet wat de drijvende kracht voor terugresorptie van water in de verschillende delen van de tubulus is 145
  129. 129 4: natrium resorptie 146
    1. Je geeft een overzicht van de natriumbalans in het lichaam. 146
    2. Je vat de invloed van ADH, aldosteron, ANP en het sympathische zenuwstelsel op de reabsorptie van natrium samen 146
    3. Je weet hoe Na+ wordt teruggeresorbeerd in de verschillende delen van de tubulus 147
    4. Je geeft een overzicht hoe van proximaal naar distaal de reabsorptie van natrium- en chloride-ionen in zijn werk gaat en geeft de kwantitatieve bijdrage van de verschillende tubulussegmenten aan 147
  130. 130 Volumeregulatie 148
  131. 131 1: het effectief circulerend volume 148
    1. Je kent de definitie van het begrip effectief circulerend volume (EffCV, ook wel ECV genoemd) & Je begrijpt het verschil tussen extracellulair volume (ECF) en effectief circulerend volume (EffCV of ECV) 148
    2. Je kent de determinanten van bloeddruk en cardiac output 148
    3. beschrijf hoe het lichaam EffCV en daarmee mede de bloeddruk reguleert 149
  132. 132 2: sensoren 149
    1. Ken de sensoren die een daling of stijging van het EffCV sensen 149
  133. 133 3: Effectoren 149
    1. Ken de effectoren die de natrium balans en daarmee EffCV kunnen reguleren 149
  134. 134 Osmoregulatie 151
  135. 135 1: Verdeling van lichaamswater 151
    1. Je beschrijft hoe het totale lichaamswater is verdeeld in het lichaam 151
  136. 136 2: osmose & osmolariteit 151
    1. Toniciteit 152
  137. 137 3: osmolaliteit 152
    1. Plasma osmolaliteit 152
    2. Soorten deeltjes 152
    3. Je kent de formule voor de effectieve osmolaliteit. 152
  138. 138 4: osmoregulatie 153
    1. Invloed van ADH 153
    2. Diabetes insipidus 153
  139. 139 3: verandering van de lichaamscompartimenten 153
  140. 140 kalium 154
  141. 141 1: kaliumwaarden 154
  142. 142 2: functie kalium 154
    1. Effecten van hypo- en hyperkaliëmie 154
  143. 143 2: kaliumbalans 156
  144. 144 3: hyper- en hypokaliëmie 156
    1. Oorzaken 156
    2. Gevolgen 157
    3. Oorzaken 157
    4. Gevolgen 157
  145. 145 3: kaliumregulatie 157
    1. Proximale tubulus 157
    2. Opstijgende deel van de lis van Henle 157
    3. Verzamelbuis 157
  146. 146 Nierproblemen 159
  147. 147 Interacties tussen de vitale orgaansystemen 160
  148. 148 Cardiopulmonale interactie 161
  149. 149 1: onderdelen en interactie 161
    1. Je beschrijft de onderlinge interactie tussen hart en longen en geeft voorbeelden van aanpassingen in het ene systeem bij dysfunctie van het andere systeem. 161
  150. 150 2: Complicaties en gevolgen 162
    1. Je beredeneert hoe pathofysiologische aanpassingen in het cardiovasculaire systeem invloed hebben op de fysiologie van de long en omgekeerd. 162
  151. 151 3: dyspneu 164
    1. Pulmonaal 164
    2. Cardiaal 164
    3. Voorbeelden van dyspneu 165
  152. 152 CARDIORENAAL SYNDROOM 165
  153. 153 Verstoring van de homeostase (ziekte) 167
  154. 154 Roken, fysiologische effecten 168
    1. Je legt de belangrijkste effecten van roken op het functioneren van hart en vaten, longen en nieren uit. 168
    2. Je beschrijft de omvang van het rookprobleem en legt uit welke schade roken kan aanbrengen in de vitale orgaansystemen 168
  155. 155 1: Effect op longen 168
    1. COPD 169
    2. Astma 169
    3. (long)kanker 169
  156. 156 2: effect op hart- en vaten 169
    1. Effecten op de vaten 169
  157. 157 Roken, global health 169
    1. Je beschrijft de omvang van de gezondheidsproblemen die samenhangen met roken in Nederland en wereldwijd. 169
  158. 158 Hypertensie 171
    1. Je maakt onderscheid tussen essentiële en secundaire hypertensie. 171
  159. 159 1: Invloed op cardiovasculair systeem 171
    1. Je benoemt welke cardiovasculaire complicaties door hypertensie worden veroorzaakt en legt uit welke mechanismen hierbij een rol spelen 171
  160. 160 2: Invloed op de nieren 172
    1. Thiazidediuretica 172
    2. Aldosteron antagonisten 172
    3. SGLT2-remmers 172
    4. Histologische kleuringen 175
    5. Enzymatische kleuringen 175
    6. Immunohistochemische kleuringen 175
  161. 161 Microscopie 174
  162. 162 de longen 175
  163. 163 2: de nieren 176
  164. 164 Tentamen bijlage 177
  165. 165 ECG toevoegingen 178
  166. 166 referentiewaarden die je moet kennen 178

Documentinformatie

Geüpload op
16 september 2026
Aantal pagina's
178
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€4,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
4
Laatst verkocht
-


Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen