Inleiding constitutioneel recht – HC1a.............................................................3
Bronnen van het staatsrecht.......................................................................................... 3
Waarom houden aan beginselen.....................................................................................4
Ontwikkeling in de tijd van de verlichting.......................................................................4
HC 1b............................................................................................................ 6
Ontwikkeling klassiek-liberale rechtsstaat:.....................................................................6
Beginselen van de democratische rechtsstaat:...............................................................6
Legaliteitsbeginsel:......................................................................................................... 6
Democratie en rechtsstaat blijven in ontwikkeling..........................................................6
(Horizontale) machtenscheiding:....................................................................................6
Er is geen zuivere machtenscheiding..............................................................................7
Checks and balances, controle:......................................................................................7
Democratische rechtsstaat:............................................................................................ 8
Maar dus ook: sociale rechtsstaat...................................................................................8
Onderdeel van grotere uitdagingen:...............................................................................8
HC 2 – regelgeving en legaliteit......................................................................9
Vormen van regelgeving................................................................................................. 9
Regelgevende bevoegdheid.......................................................................................... 10
Attributie:.................................................................................................................. 10
Delegatie:.................................................................................................................. 10
Subdelegatie:............................................................................................................ 11
De grondwetswijzigingsprocedure................................................................................11
HC 3 – regeringsstelsel.................................................................................13
Verschillende regeringsstelsels.....................................................................................13
Typering verhoudingen.................................................................................................14
Monisme.................................................................................................................... 14
Dualisme................................................................................................................... 14
VS: presidentieel stelsel................................................................................................14
Frankrijk: semi-presidentieel stelsel..............................................................................14
NL: constitutionele monarchie, parlementair stelsel.....................................................14
Kabinetsformaties:........................................................................................................ 15
Constitutionele monarchie............................................................................................ 15
Ministeriële verantwoordelijkheid.................................................................................15
Vertrouwensregel.......................................................................................................... 16
, Controle door Staten-Generaal.....................................................................................16
HC 4 – federalisme en decentralisatie............................................................17
Staatsvormen............................................................................................................... 17
Decentralisatie en co.................................................................................................... 17
Nederland: ‘Huis van Thorbecke’...............................................................................18
Bevoegdheden van decentrale besturen...................................................................19
Grenzen aan autonome bevoegdheden!!!!!!.............................................................19
Medebewind van gemeenten en provincies...............................................................20
Taakverwaarlozing..................................................................................................... 20
HC 5 – Doorwerking van internationaal recht - gemist....................................21
Toetsingsverbod............................................................................................................ 21
Doorwerking internationaal en Europees recht.............................................................21
Terug naar het toetsingsverbod....................................................................................24
Belangrijke info............................................................................................................. 26
HC 6 – Grondrechten.....................................................................................27
1. Historische ontwikkeling en bronnen........................................................................27
Magna Carta (1215)...................................................................................................... 27
Declaration of Independence (1776) – na de Verlichting...............................................27
Déclaration des droits de l'homme et du citoyen (1789)..............................................29
Grondrechten als centrale rechtsstatelijke waarborg:...................................................29
Bronnen (vindplaatsen)................................................................................................29
Soorten grondrechten en beperkingsmogelijkheden.....................................................30
De werking van grondrechten in twee fasen.................................................................31
Grondwettelijke beperkingssystematiek.......................................................................31
,Inleiding constitutioneel recht – HC1a
Overzicht van hoe het recht uiteenvalt:
RTO: een tweedejaars vak, rechtsbescherming tegen de overheid.
Privaatrecht: juridische gelijkheid en gelijkwaardigheid van partijen
Publiekrecht: overheid kan eenzijdig rechtsgevolgen vaststellen
- Overheid: feitelijke handelingen en rechtshandelingen
- Kenmerkend: publiekrechtelijke rechtshandelingen via eenzijdig
bindende besluiten
- Beginselen van de democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel: alles wat de overheid doet moet terug te
voeren zijn op de wet/ grondwet. En die wet/ grondwet worden
gemaakt door de regering en staten-generaal die wij hebben
gekozen.
2. Machtenscheiding: taken verdelen, zodat niet een instantie alle
macht heeft.
3. Grondrechten: kaderen in wat de overheid wel/ niet mag doen.
4. Rechterlijke controle
+ democratiebeginsel
Rechtsstaat: staat waar het recht regeert, niet iemand die overal boven
staat, waar dus ook een regering en politiek zich aan dat recht moet
houden.
Bronnen van het staatsrecht
Geschreven en ongeschreven regels
- Beginselen van de democratische rechtstaat
- Grondwet en Statuut, ‘organieke wetten’, constitutionele gewoonten
Samenstelling, inrichting en bevoegdheden van de staat en zijn
organen
- Bijv. regering, Staten-Generaal, rechterlijke macht, provincie- en
gemeentebesturen, waterschappen
, -Regels waar overheid zich moet aan houden bij uitvaardigen en
handhaven van rechtsnormen
Grondrechten
Waarom houden aan beginselen
Theocratische staatsopvatting:
- Vorst is de soeverein
- Regeert in de naam van God
- Is bron van alle recht
- Maar zelf niet aan het recht gebonden (Princeps legibus solutus est)
- Enkel gunsten, geen rechten
Natuurrecht:
- Onveranderlijke, uit natuur voortvloeiende rechtsbeginselen
- Beperken bevoegdheden van vorst
- Mogen alleen ten behoeve van het welzijn van de gemeenschap
toegepast worden
- Legitieme vorst v. tiran
- Verdorvenheid van de wet (corruptio legis), verzet mogelijk
Feodalisme:
- Vorst heeft militaire macht en financiële middelen nodig
- Vorst (leenheer) geeft in ruil domeingoederen aan
leenmannen/vazallen
- Wederzijdse rechten en plichten
- Contractuele relatie, zie ook Magna Carta (1215); Blijde Incomste
(1356)
- Codificatie van gewoonterecht/natuurrecht
Model van de absolute staat:
• Reactie op godsdienstoorlogen
• Vorst/Koning: interne soevereiniteit
• Absolute soevereiniteit
• Niet van andere machten afhankelijk
• Bevoegdheid tot scheppen nieuw recht
• Plakkaat van Verlatinge (1581), onafhankelijkheid van de
Noordelijke Nederlandse provincies
• Nog steeds: collectieve, historisch verworven privileges
Ontwikkeling in de tijd van de verlichting
Natuurrechtelijke contractsleer; naar de klassiek-liberale rechtsstaat:
• Locke
• Mensen als individuen met burgerlijke vrijheden
• Mensen geven deel van natuurlijk vrijheid op aan staat in
maatschappelijk contract
• Machtenscheiding
• Montesquieu
• ‘De l’esprit des lois’
• Trias politica
• Rousseau
• Contrat social