Hoofdstuk 2 – Rollen van AFM, DNB en Kifid.........................................................................4
Hoofdstuk 3 – Vergunningen, toezicht en klantbelang..........................................................5
Hoofdstuk 4 – Praktijksituaties en toepassing van toezicht...................................................6
Hoofdstuk 5 – Financiële ondernemingen.............................................................................8
Hoofdstuk 6 – Financiële producten en markten...................................................................9
Hoofdstuk 7 – Vergunningen en markttoegang...................................................................10
Hoofdstuk 8 – Klantbelang centraal.....................................................................................12
Hoofdstuk 9 – Zorgplicht en integriteit................................................................................13
Hoofdstuk 10 – Deskundigheid en professioneel handelen.................................................14
Hoofdstuk 11 – Betrouwbaarheid........................................................................................16
Hoofdstuk 12 – Professioneel gedrag...................................................................................16
Hoofdstuk 13 – Belangenconflicten.....................................................................................17
Hoofdstuk 14 – Inkomsten en uitgaven................................................................................19
Hoofdstuk 15 – Bezittingen, schulden en eigen vermogen..................................................20
Hoofdstuk 16 – Liquiditeit en financiële positie...................................................................20
Hoofdstuk 17 – Budgetteren en financiële positie...............................................................21
Hoofdstuk 18 – Financiële doelstellingen............................................................................22
Hoofdstuk 19 – Risico's in de financiële huishouding..........................................................23
Hoofdstuk 20 – Sparen en betalingsverkeer........................................................................25
Hoofdstuk 21 – Consumptief krediet...................................................................................25
Hoofdstuk 22 – Hypothecair krediet en eigen woning.........................................................27
Hoofdstuk 23 – Beleggen en vermogensopbouw................................................................28
,Hoofdstuk 1 – Financiële dienstverlening en financiële markten
1. Wft en financieel toezicht
1. Lisa werkt als financieel adviseur. Een klant vraagt waarom zij zich tijdens haar werkzaamheden
aan allerlei wettelijke regels moet houden. Lisa legt uit dat de Wet op het financieel toezicht (Wft)
belangrijke regels bevat voor de financiële sector en het toezicht daarop.
Vraag: Wat is het belangrijkste doel van de Wft in deze situatie?
A. Alleen het vaststellen van belastingtarieven voor financiële producten
B. Het reguleren van financiële markten en beschermen van klanten door toezicht en wettelijke regels
C. Alleen het bepalen van de rente die banken mogen rekenen
D. Het volledig voorkomen van faillissementen van financiële ondernemingen
2. Een nieuwe financiële onderneming wil consumenten adviseren over financiële producten. De
eigenaar zegt: “Als onze medewerkers een Wft-diploma hebben, mogen we automatisch beginnen.”
Vraag: Welke reactie is het meest juist?
A. Ja, een Wft-diploma is voldoende om financiële diensten te mogen aanbieden
B. Ja, zolang de onderneming minder dan 100 klanten heeft
C. Nee, voor veel financiële diensten is daarnaast een vergunning nodig
D. Nee, financiële ondernemingen mogen alleen met toestemming van DNB werken
3. Een financieel adviseur merkt dat een onderneming structureel onduidelijke informatie verstrekt
aan klanten. De klanten kunnen daardoor moeilijk beoordelen welk product bij hun situatie past.
Vraag: Welke toezichthouder houdt zich primair bezig met dit soort gedragstoezicht?
A. DNB
B. ECB
C. Kifid
D. AFM
4. Een bank heeft voldoende klanten, maar krijgt te maken met grote financiële verliezen. De
toezichthouder onderzoekt of de bank voldoende financiële buffers heeft en haar risico’s beheerst.
Vraag: Welke toezichthouder heeft hierbij de primaire verantwoordelijkheid?
A. DNB
B. AFM
C. Kifid
D. Consumentenbond
5. Een consument heeft een geschil met zijn financiële dienstverlener. Hij heeft eerst een klacht
ingediend bij de onderneming, maar komt er samen niet uit. Hij wil vervolgens een
buitengerechtelijke oplossing zoeken.
Vraag: Welke instantie is hiervoor in beginsel bedoeld?
A. DNB
B. AFM
C. Kifid
D. ECB
, Hoofdstuk 2 – Rollen van AFM, DNB en Kifid
6. Gedragstoezicht
6. Een verzekeraar verkoopt een product aan een grote groep klanten. Uit onderzoek blijkt dat klanten
onvoldoende worden geïnformeerd over belangrijke kenmerken en risico’s van het product.
Vraag: Welke toezichthouder is vooral gericht op dit probleem?
A. DNB
B. AFM
C. Kifid
D. BKR
7. Een financieel adviseur geeft een klant advies over een complex financieel product. De klant heeft
weinig kennis van het product. De adviseur moet ervoor zorgen dat de dienstverlening zorgvuldig
verloopt en aansluit bij de klant.
Vraag: Welk toezichtsperspectief staat hierbij centraal?
A. Prudentieel toezicht
B. Monetair toezicht
C. Gedragstoezicht
D. Fiscaal toezicht
8. Een verzekeraar staat onder toezicht van zowel AFM als DNB. De directie vraagt waarom twee
toezichthouders betrokken kunnen zijn bij dezelfde onderneming.
Vraag: Welke uitleg is het meest juist?
A. AFM en DNB hebben exact dezelfde toezichtstaak
B. AFM richt zich vooral op gedrag en klantbelang, terwijl DNB zich vooral richt op financiële
soliditeit en stabiliteit
C. DNB behandelt uitsluitend klantklachten en AFM uitsluitend faillissementen
D. AFM houdt alleen toezicht op banken en DNB alleen op verzekeraars
9. Een klant is ontevreden over de manier waarop een financieel dienstverlener zijn klacht heeft
behandeld. Hij wil dat een onafhankelijke instantie naar het geschil kijkt.
Vraag: Welke route past het best?
A. Eerst naar Kifid nadat de interne klachtenprocedure is doorlopen
B. Direct naar DNB voor een bindende uitspraak over de schade
C. Direct naar AFM voor een persoonlijke schadevergoeding
D. Naar de ECB voor bemiddeling
10. Een consument denkt dat een financiële onderneming een wettelijke gedragsnorm heeft
overtreden. Hij meldt dit bij de AFM.
Vraag: Wat is een belangrijke eigenschap van het optreden van de AFM?
A. De AFM stelt automatisch een schadevergoeding voor de consument vast
B. De AFM onderzoekt zelfstandig of sprake is van een overtreding
C. De AFM behandelt ieder individueel geschil als een rechter
D. De AFM neemt de financiële onderneming over wanneer regels zijn overtreden