HC1 – Waarom wetenschapsfilosofie voor MAW? & Aristoteles ......................................................................................................... 2
HC2 – De wetenschappelijke revolutie, epistemologie & manieren van redeneren............................................................................ 4
HC3 – Verificationisme & confirmationisme ...................................................................................................................................... 10
HC4 – Falsificationisme....................................................................................................................................................................... 14
HC5 – Relativisme & genuanceerd falsificationisme .......................................................................................................................... 18
HC6 – Naturalisme & Biases ............................................................................................................................................................... 23
Grote lijnen......................................................................................................................................................................................... 27
1
,HC1 – WAAROM WETENSCHAPSFILOSOFIE VOOR MAW? & ARISTOTELES
Wat is filosofie?
Filosofie: niet simpelweg nadenken over grote levensvragen, zoals “Wat is de zin van het leven?”. Filosofen proberen juist precies
en logisch na te denken over zaken die mensen belangrijk vinden en vaak als vanzelfsprekend beschouwen, maar waarover ze
slechts vage ideeën hebben.
Een andere omschrijving, van filosoof Wilfrid Sellars, is dat filosofie probeert te begrijpen hoe dingen in de breedst mogelijk zin
met elkaar samenhangen.
Voorbeelden van filosofische vragen
§ Wat is kennis? → kennisleer (epistemologie)
§ Wat betekent het dat iets ‘waar’ is? → kennisleer en metafysica
§ Bestaat vrije wil? → filosofie van de geest
§ Wat is de beste manier om in het leven te staan? → ethiek
§ Is schoonheid een kwestie van smaak? → esthetiek en filosofie van de geest
Het zijn filosofische problemen omdat ze gaan over begrippen die we belangrijk vinden en veel gebruiken, terwijl het moeilijk kan
zijn om precies te definiëren wat die begrippen beteken en hoe ze met elkaar samenhangen.
Wetenschapsfilosofie
Wetenschapsfilosofie: het kritisch nadenken over wetenschap. Voorbeelden van wetenschapsfilosofische vragen zijn:
§ Wat is de beste wetenschappelijke methode?
§ Wat is het verschil tussen wetenschap en pseudowetenschap?
§ Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat iets 'wetenschappelijk bewezen' is?
§ En kan iets überhaupt definitief wetenschappelijk bewezen worden?
§ Is astrologie wetenschap?
§ Werken homeopathische middelen echt?
§ Wat is wetenschap?
Deze vragen vormen belangrijke thema's die later in het vak terugkomen.
Waarom is wetenschapsfilosofie belangrijk?
Wetenschap speelt een belangrijke rol in onze samenleving omdat we kennis nodig hebben om de wereld te begrijpen en er
vervolgens naar te kunnen handelen. Het uiteindelijke idee is dat kennis ons in staat stelt de samenleving te verbeteren:
advancing society.
De gedachtegang uit het college is dus:
wetenschap → betrouwbare kennis → begrijpen van de wereld → handelen o.b.v. kennis → samenleving verbeteren.
Voorbeeld Personeelsverloop – Stel dat bij een bedrijf veel werknemers snel ontslag nemen. Als HR-medewerker wil je dit
verminderen. Daarvoor moet je eerst weten waarom werknemers vertrekken en waardoor werknemers juist zouden willen
blijven. Je hebt dus kennis nodig voordat je effectief kunt handelen.
Volgens het college is de wetenschap de methode die tot de meest betrouwbare kennis leidt. Daaruit ontstaat een
fundamentele vraag → Wat is wetenschap eigenlijk, en wat maakt wetenschap wetenschappelijk?
Dat is precies waar wetenschapsfilosofie zich mee bezighoudt.
Voor maatschappijwetenschappers is dit extra relevant, omdat je een wetenschappelijke opleiding volgt en kritisch moet kunnen
nadenken over de grondslagen van je eigen discipline. Daarnaast leven we volgens het college in een periode waarin
wetenschappelijke waarden onder druk staan, waardoor kritisch nadenken over wat wetenschap is extra belangrijk is.
2
,Is er één wetenschappelijke methode?
Een belangrijke vraag binnen de wetenschapsfilosofie is of er één beste wetenschappelijke methode bestaat die voor alle
wetenschappen geldt.
Michael Lind: motion vs. Motives
Michael Lind stelt dat sociale wetenschappen eigenlijk afgeschaft zouden kunnen worden als aparte categorie. Volgens hem
zouden universiteiten kunnen bestaan uit:
§ Natuurwetenschappen → motion: beweging en het verklaren daarvan.
§ Geesteswetenschappen → motives: begrijpen waarom mensen bepaalde dingend doen.
Volgens Lind zouden de sociale wetenschappen feitelijk onder de geesteswetenschappen vallen en uiteindelijk vooral psychologie
zijn. Zijn opvatting roept daarmee een belangrijke wetenschapsfilosofische vraag op → Kunnen natuurwetenschappen en sociale
wetenschappen dezelfde wetenschappelijke methode gebruiken, of zijn verschillende methoden nodig?
Deze kwestie wordt later in de cursus verder behandeld.
Wetenschappelijke wereldbeelden
Wetenschap beïnvloedt hoe we naar de wereld kijken. We hebben allerlei overtuigingen en kennis over bijvoorbeeld:
§ hoe de hersenen werken;
§ hoe gedrag van individuen en groepen kan worden beïnvloed;
§ hoe atoomenergie kan worden opgewekt;
§ hoe het universum in elkaar zit.
Samen vormen dergelijke overtuigingen een wereldbeeld: een algemene voorstelling van hoe de werkelijkheid in elkaar zit.
Ons huidige wetenschappelijke wereldbeeld is echter niet vanzelfsprekend. In andere perioden hadden mensen een heel ander
beeld van de werkelijkheid. Om dit zichtbaar te maken begint de cursus bij het wereldbeeld van Aristoteles (384–322 v.Chr.). Hij
hield zich met zeer uiteenlopende onderwerpen bezig en zou tegenwoordig als een soort allround wetenschapper worden
beschouwd.
Aristotelische wereldbeeld
Het wereldbeeld van Aristoteles verschilt sterkt van ons huidige wetenschappelijke wereldbeeld. Drie ideeën handen hierin nauw
met elkaar samen: vorm en materie → potentialiteit en actualiteit → teleologie. Daarnaast gebruikt Aristoteles zijn vier oorzaken
om veranderingen te verklaren.
Vorm en materie
Volgens Aristoteles bestaat alles uit een eenheid van:
§ materie: datgene waar iets uit bestaat.
§ vorm: niet alleen de uiterlijke gedaante, maar ook de manier waarop iets zich gedraagt en zich door de tijd heen
ontwikkelt. Het is dus het geheel van soortelijke eigenschappen waardoor iets is wat het is en niet iets anders.
! Vorm en materie volgens Aristoteles niet los van elkaar kunnen bestaan.
Teleologisch wereldbeeld
Aristoteles heeft een teleologisch wereldbeeld: de gedachte dat dingen gericht zijn op een bepaald doel (telos = doel).
Volgens Aristoteles streeft alles naar een bepaald doel, namelijk zelfverwerkelijking. Ontwikkelingen in de wereld zijn daarmee
niet zomaar veranderingen → ze zijn gericht op het realiseren van wat iets in aanleg kan worden.
3
,Potentialiteit en actualiteit
Hiermee hangt het onderscheid tussen potentialiteit en actualiteit samen.
§ Potentialiteit: wat iets in potentie/in aanleg kan worden.
§ Actualiteit: de daadwerkelijke verwezenlijking van die mogelijkheid.
Voorbeeld Het beeld van Zeus – Een stuk marmer is in potentie een beeld van Zeus. Wanneer uit het marmer daadwerkelijk een beeld
van Zeus ontstaat, wordt die mogelijkheid gerealiseerd.
Aristoteles gebruikt dit idee vanuit zijn teleologische wereldbeeld om te verklaren waarom dingen veranderen zoals ze
veranderen.
De vier oorzaken van Aristoteles
Om veranderingen volledig te verklaren, onderscheidt Aristoteles vier soorten oorzaken. Op de slides wordt dit uitgelegd aan de
hand van het beeld van Zeus.
Oorzaak Betekenis Beeld van Zeus
Materiële oorzaak Datgene waaruit iets bestaat Het marmer
Formele zaak / vormoorzaak De vorm die iets heeft De vorm van het beeld
Bewerkende oorzaak / werkoorzaak Datgene wat de verandering teweegbrengt De beeldhouwer
Doeloorzaak Het doel waarvoor iets bestaat of wordt gemaakt Zeus eren
Aristoteles past deze vier oorzaken niet alleen toe op menselijke artefacten, zoals een standbeeld, maar ook op veranderingen in
de natuur.
Verschil met ons huidige denken
Tegenwoordig bedoelen we met een ‘oorzaak’ volgens het college doorgaans alleen wat Aristoteles de werkoorzaak noemde.
Dit zie je bijvoorbeeld in de bekende uitspraak: “Correlation is not causation.”. Wanneer in statistiek wordt gevraagd of X
daadwerkelijk Y veroorzaakt, gaat het om de werkoorzaak: veroorzaakt X daadwerkelijk een verandering in Y?
Waarom deze verandering heeft plaatsgevonden, komt in het volgende hoorcollege aan bod.
HC2 – DE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE, EPISTEMOLOGIE & MANIEREN VAN REDENEREN
Wetenschappelijke revolutie (±1500–1700)
Voor de wetenschappelijke revolutie werden vragen over de wereld voornamelijk beantwoord vanuit:
§ de Bijbel / het religieuze wereldbeeld;
§ werk van Aristoteles, dat door Thomas van Aquino (ca. 1225–1274) in overeenstemming was gebracht met de Bijbel.
Er bestond dus lange tijd het idee dat men min of meer al wist hoe de wereld in elkaar zat. De wetenschappelijke revolutie begon
rond 1500. Vaak wordt 1543 als symbolisch beginpunt genomen. In dat jaar verschenen twee belangrijke werken:
§ Nicolaus Copernicus publiceerde De Revolutionibus Orbium Coelestium over de bewegingen van hemellichamen.
§ Andreas Vesalius publiceerde De Humani Corporis Fabrica Libri Septem over de bouw van het menselijk lichaam.
Van geocentrisch naar heliocentrisch
Het oude wereldbeeld was geocentrisch: de aarde stond centraal in de kosmos. De kosmos zou bestaan uit concentrische sferen
waarop sterren en planeten zich bewogen. In die hemelse sferen was alles perfect, in tegenstelling tot het ondermaanse, waar
voortdurend dingen ontstaan en vergaan. Deze kosmologie was verder uitgewerkt door Claudius Ptolemaeus.
! Probleem → voorspellingen vanuit dit model kwamen niet goed uit.
4
, Copernicus introduceerde een heliocentrisch wereldbeeld: niet de aarde, maar de zon staat centraal. Daarmee verloor ook de
mens zijn bijzondere centrale positie in het universum.
! Probleem → ook vanuit dit model kwamen voorspellingen niet goed uit.
Kepler en Galileo
§ Johannes Kepler gebruikte waarnemingen van Tycho Brahe en stelde vast dat hemellichamen geen perfecte cirkelbanen
volgen, maar ellipsen.
§ Galileo Galilei observeerde met zijn telescoop de maan en ontdekte dat deze geen perfecte bol is, maar bijvoorbeeld
kraters heeft.
Hierdoor werd het oude wereldbeeld van perfecte hemelse cirkels steeds minder houdbaar. Tegelijkertijd veranderde de manier
waarop kennis werd verkregen:
§ Oude situatie → verwijzen naar Bijbel en Aristoteles
§ Nieuwe situatie → zelf de werkelijkheid onderzoeken.
Mechanisering van het wereldbeeld
Tijdens de wetenschappelijke revolutie ontstaat een mechanistisch wereldbeeld: de wereld wordt gezien als een groot
mechanisme dat volgens vaste regels functioneert, vergelijkbaar met een klok. Dit idee is onder andere terug te vinden bij
René Descartes en Robert Boyle.
Newton
De wetenschappelijke revolutie bereikt volgens de slides een hoogtepunt bij Isaac Newton. In zijn Philosophiae Naturalis
Principia Mathematica formuleert hij:
§ drie bewegingswetten;
§ de wet van de zwaartekracht.
Daarmee kunnen zowel aardse als hemelse verschijnselen met dezelfde natuurwetten worden verklaard. Dezelfde kracht
waardoor bijvoorbeeld een appel naar de grond valt, houdt ook een planeet in zijn baan rond de zon. Dit vormt een groot verschil
met het aristotelische wereldbeeld.
Van vier oorzaken naar één
Aristoteles onderscheidde vier oorzaken: materiële oorzaak + formele oorzaak + werkoorzaak + doeloorzaak.
In het nieuwe mechanistische wereldbeeld blijft daarvan alleen de werkoorzaak over.
Een wetenschappelijke verklaring gaat dus niet meer uit van bijvoorbeeld het doel waarvoor iets gebeurt, maar van wat een
gebeurtenis veroorzaakt.
Het epistemologische probleem: kunnen we kennis hebben?
Door de wetenschappelijke revolutie worden oude zekerheden losgelaten. Filosofen gaan daardoor nadenken over een
fundamentele vraag → Is kennisverwerving überhaupt mogelijk en, zo ja, hoe?
Dit is een vraag uit de epistemologie (kennisleer).
Maar voordat we kunnen vragen óf we kennis kunnen hebben, moeten we eerst definiëren wat kennis is.
Definities: noodzakelijke en voldoende voorwaarden
Een begrip kan worden gedefinieerd aan de hand van:
§ Noodzakelijke voorwaarde: een eigenschap waaraan iets móét voldoen om een bepaald soort ding te zijn.
Als de eigenschap ontbreekt, is het geen X.
§ Voldoende voorwaarde(n): wanneer aan deze voorwaarde(n) wordt voldaan, is iets sowieso een X.
5