Samenvatting
Hoofdstuk 1: een psychologische bril
1.1 Wat is psychologie?
De mate van psychologisch inzicht kan tussen mensen aanzienlijk
verschillen.
De wetenschap toetst of iets ook echt zo is – tot het tegendeel blijkt.
Wetenschap werkt methodisch, dat wil zeggen dat wetenschappers op
een goed doordachte manier te werk gaan.
Ze nemen dingen waar, beschrijven die, bedenken een mogelijke
verklaring (hypothese) en kijken of die juist is door een voorspelling te
doen die je kunt controleren. Wetenschappers proberen zo wetmatigheden
te ontdekken.
1.2 Stromingen met hun eigen perspectief
Eerst vond men dat ons gedrag in het onbewuste zit en later vond men dat
het leerprocessen zijn die ons gedrag bepalen en weer later zou het
eigenlijk gaan om informatieverwerking.
Tijdens zo’n verandering kunnen discussies oplaaien.
Stromingen: een tijdlang domineert een bepaalde opvatting over het
vakgebied.
Perspectief/Paradigma: andere woorden voor stromingen.
De wetenschap psychologie begon in Duitsland in 1879 door
filosoof en arts Wilheim Wundt.
Het perspectief van de psychologie was in deze tijd technisch: de
psychische verschijnselen moesten worden geobserveerd en gemeten en
als het kon zelfs in formules worden uitgedrukt.
Later kwam het biologisch perspectief: ‘lichamelijke’ en psychische
verschijnselen zijn met elkaar verbonden. Dat perspectief is gebleven.
Sigmund Freud, kwam met de psychoanalyse. Tegenwoordig spreekt
men van de psychodynamische theorie: dit waren psychologische
krachten die interactie hebben binnen het individu, zoals innerlijke
conflicten, om gedrag en persoonlijkheid te verklaren.
Door te praten, dus psychoanalyse, kun je hen helpen.
De kern van de psychodynamica is dat de mensen worden geboren met
driften (psychische krachten).
Id (Es), de driften willen bevredigd worden maar dat kan niet zomaar in
de samenleving. Je moet dus rekening houden met de realiteit, wat het
Ego (Ich) werd genoemd. Bovendien worden je driften in dwang
gehouden door je geweten, het Superego (Uber-Ich). Dit is de
psychodynamische theorie over persoonlijkheid.
Om er bij volwassenen achter te komen wat de problemen waren
gebruikte Freud een theorie genaamd vrije associatie: hierbij vertelde
de patiënt hardop alles wat er spontaan bij hen opkwam als er een woord
,werd genoemd.
Freuds theorieën werden door andere overgenomen en ontwikkeld. Door
Carl Jung (1875-1961) en Alfred Adler (1870-1937) Ze kregen uiteindelijk
wel eigen ideeën, maar hielden wel vast dat in het onbewuste de bronnen
van ons gedrag te vinden zijn.
De psychoanalyse werd beroemd en had invloed op verschillende bieden:
de opvoeding, de zorg voor mensen met psychische klachten, de
beeldende kunst, de literatuur, het begrijpen van massa’s.
Kritiek was en is er dan ook. Het belangrijkste is dat de
wetenschappelijkheid van de psychoanalyse betwist wordt, bepaalde
theorieën kun je gewoon onmogelijk toetsen.
Freud bedacht later een nieuwe drift, de doodsdrift, de drift die alle
spanning opheft door de terugkeer naar de anorganische toestanden.
Samenvattend: het perspectief van de psychodynamica is dat de bron
van ons gedrag ligt in het onbewuste. We worden met drijfveren geboren,
in ons leven proberen we die driften te bevredigen en toch met elkaar
samen te leven.
Het Gestaltperspectief
Omstreeks 1930 waren er enkele psychologen die vooral belangstelling
hadden voor waarnemen. Gedrag heeft uiteraard zeer te maken met wat
je waarneemt. Het ging dan vooral om zien, visuele waarneming.
De grondlegger was Max Wertheinmer die samenwerkte met Kurt Kofka,
Wolfgang Kohler en Kurt Lewin. Het idee in de psychologie was tot dan toe
dat je de psyche van een mens het beste kon bestuderen en begrijpen
door de elementen, de bouwstenen ervan zoeken en te onderzoeken. De
Gestaltpsychologen zagen in en toonde aan dat bij het waarnemen je
gehelen ziet en niet losse stukjes. Gestalt betekend dan ook geheel in het
Duits.
De Gestaltpsychologen ontdekten waarnemingswetten die je makkelijk
kunt herkennen. Dingen die op elkaar lijken zie je als een groep die bij
elkaar hoort.
Het bleef niet alleen bij waarnemen, de gedachte kwam op dat ons hele
gedrag ook weleens te maken kon hebben met Gestalten. Wat we doen,
denken, voelen, ervaren en hoe we communiceren moet een geheel zijn.
Ook wel consistent zoals men zegt.
Het Gestaltperspectief is dat het gedrag van mensen beïnvloed wordt
door de neiging Gestalten te zien en ze zelf te scheppen en ze zelfs te
willen voelen. Je leven als een geheel willen voelen.
Het behavioristische perspectief
Het behaviorisme (gedrag) is in Amerika ontstaan. Het was een reactie
op de psychoanalyse en met name op het (on)wetenschappelijke karakter
ervan.
Psychologie moest daarom alleen gaan over waarneembaar gedrag. Wat
er in iemands hoofd en har gebeurde, dat zat als ware in een zwarte
doos (black box)
Ondanks die zwarte doos kon je wel heel ver komen in de kennis en inzicht
van gedrag. Gedrag het gevolg was van leerprocessen. Gedrag begrijpen
was het begrijpen van leerprocessen die dat gedrag hadden gevormd.
,Het behaviorisme als wetenschappelijke beoefening van de psychologie
sloeg niettemin enorm aan. Het was wetenschappelijk veel bevredigender
dan de psychoanalyse en het werkte.
Skinner geloofde later dat gedrag het gevolg was van de interactie tussen
een organisme en de omgeving.
Het behaviorisme heeft veel opgeleverd, onder andere gedragstherapie.
Leer mensen stapsgewijze nieuw gedrag aan en leer ze het neurotische
gedrag af.
Gedrag is een gevolg van de interactie tussen organisme en de omgeving.
Als A gebeurt dan volgt B. Dat kan door klassieke conditionering
(gelijktijdigheid) en door operante conditionering (bekrachtiging).
Het humanistische perspectief
De focus van psychologen ging meer uit naar de hele mens, niet alleen
maar de objectief waarneembare dingen. Een derde weg in de
psychologie. Naast het psychodynamica en behaviorisme.
De nieuwe psychologie werd met name gevoed door twee mensen: Carl
Rogers en Abraham Maslow.
Carl Rogers was aanvankelijk een therapeut die op behavioristische
manier werkte – cliënten door conditionering ander gedrag leren. Maar hij
geloofde dat mensen van nature goed zijn en een eigen vermogen hebben
om te groeien. Die behoefte aan groei, worden wie je kunt zijn, dat leek
hem de bron voor typisch menselijk gedrag.
Abraham Maslow was de andere psycholoog. Ook hij vond dat het
behaviorisme een beperkte kijk had op menselijk gedrag. Natuurlijk waren
leerprocessen van belang, maar fundamenteler is wat mensen van nature
willen, wat hun natuurlijke behoeftes zijn. Maslow ontwikkelde een theorie
over fundamentele behoeftes namelijk: lichamelijke behoeften, veiligheid,
liefde, waardering en zelfverwerkelijking. Later aangevuld met behoeftes
aan kennis en schoonheid.
Maslow zag de belangstelling van psychologen voor probleemgedrag als
een risico. Je kreeg daardoor een vertekende indruk van mensen, er is
altijd iets niet goed. Hij begon een onderzoek naar psychische gezondheid.
De behoefte-theorie had alles te maken met dat onderzoek naar
gezondheid. Alleen als de fundamentele mentale behoefte redelijk vervuld
zijn, dan kom je pas toe aan echte ontplooiing (zelfverwerkelijking). Hij
schatte in dat 1% van de mensen echt psychisch gezond is.
Verwant aan de humanistische psychologie is de zogenoemde positieve
psychologie. Die is te beschouwen als een perspectiefwisseling. Het gaat
om de verschuiving van het (vooral) gericht zijn op problemen bij mensen,
naar het onderzoeken van de voorwaarden voor gelukkig en gezond zijn.
Wees je meer bewust van positieve dagelijkse ervaringen.
Het perspectief van de humanistische psychologie was; bestudeer de hele
mens en met name het typisch menselijke. Mensen hebben interen
behoefte om te groeien, ze hebben fundamentele behoeften, dat is de
onderliggende bron van ons gedrag.
Het cognitief perspectief
Ontstond al tijdens de humanistische psychologie. Er kwam focus te
ontstaan voor: informatieverwerking, gedrag als een vorm van
, informatieverwerking. De black box van behavioristen ging wijd open. Wat
mensen doen, hun gedrag, wordt sterk bepaald door wat ze weten, wat ze
geloven, hoe ze denken, wat ze zich (niet) realiseren, wat ze ontkennen of
verdraaien – allemaal vormen van omgaan met informatie. Verschillende
psychologen hadden belang naar het inzien van cognitieve factoren bij het
gedrag en onderzoek ernaar deden.
Aaron Beck en Albert Ellis waren belangrijk. Ellis had zelf ervaring met een
psychoanalytische therapie, maar vond die niet erg effectief. Doordat hij
ontdekte dat het vaak bepaalde opvattingen (thoughts, beliefs) van
patiënten waren die de problemen veroorzaakte of ze mede in stand
hielden, richtte hij zich daarop. Het leidde tot de cognitieve therapie die
samen met gedragstherapie succesvol werd toegepast, de cognitieve
gedragstherapie. Door cognities te veranderen kun je gevoelens en
gedrag veranderen.
Het perspectief van de cognitieve psychologie is: gedrag wordt (vooral)
bepaald door hoe we met informatie omgaan. Dat zijn cognitieve
processen (waarnemen, denken, onthouden etc.). Die moeten
bestudeerd worden en door cognities kun je zelfs psychologische
problemen helpen oplossen.
Het neurofysiologisch perspectief
Het neurofysiologisch perspectief is een relatief nieuwe en best
veelbelovende stroming. Het is een biologisch georiënteerde stroming.
Door moderne technische uitvindingen (scans) is het mogelijk waar te
nemen wat er in de hersenen gebeurt. Hersendelen die actief zijn,
trekken meer bloed aan.
Figuur 1.2 boek