in the Netherlands, Hengeveld & Balkom.
Chapter 14; Substance-related and addictive disorders
Introductie
Momenteel wordt er voor deze groep aandoeningen gebruik gemaakt van het biopsychosociale
model. Echter wordt er gesuggereerd dat dit te weinig nadruk legt op de belangrijke
omgevingsfactoren.
Substance Use Disorders
Gambling Disorder
Substance/medication-induced Disorders;
- Substance/medication intoxication
- Substance/medication withdrawal syndrome
- Other substance/medication-induced mental disorder
Syndromen
● Substance use disorder
Hierin wordt er vaak onderscheid gemaakt aan de hand van de mate; recreatief gebruik,
moderate use en social use. Het probleem is dat deze definitief in bepaalde regio’s kunnen
verschillen. Ook maakt de manier van toediening uit. Des te sneller de substantie de hersenen
bereikt, des te groter het risico op controleverlies (roken en injecteren). De diagnose bestaat
vaak uit een combinatie van fysiologische afhankelijkheid en controleverlies. De DSM-5 criteria
zijn hiervoor als volgt;
A. Een problematisch patroon van substantie gebruik dat leidt tot klinisch, significante
beperking, met minimaal 2 van onderstaande, in een 12-maands periode;
1. Persistent verlangen en falen in controle van gebruik
2. Veel tijd wordt gespendeerd omtrent het middel
3. Craving of sterk verlangen naar het substraat
Etc
● Gambling disorder
A. Een persisterende en terugkerend gokgedrag, met minimaal 4 van onderstaande in 12
maanden;
1. Rusteloos wanneer men stopt met gokken
2. Onsuccesvolle pogingen tot stoppen/controle
3. Preoccupied met gokken
4. Gokt vaak wanneer er stress wordt ervaren
5. Liegt hierover
6. Het relaties, werk of educatie gemist.
7. Berust op anderen voor financiële steun
● Substance/medication-induced disorders
Deze symptomen zijn veel voorkomend. De duimregel hier is dat de symptomen van een
intoxicatie vaak overeenkomen met die van een onttrekking. Veel voorkomende middelen hierbij
zijn vaak de volgende;
, - Tabak, alcohol, benzodiazepine, GHB, Cannabis, Ecstacy, Cocaïne en heroïne
Development, Course and Impact
De meeste mensen met verslaving ervaren de eerste symptomen tijdens de adolescentie.
Alleen over tabak, alcohol, cannabis en heroïne is informatie bekend over het verloop van de
aandoening. Bij roken is dit negatief en is de kans op spontaan herstel nihil. Ook met hulp is
herstel laag en zal men vaak tot laat blijven roken. Bij alcohol en cannabis is dit positiever.
Mensen met een AUD voldoen vaak in 33% van de gevallen aan de criteria voor diagnose na
een jaar, waarbij risico op relaps ook laag is met 6% na 5 jaar.
Diagnose
Het ontwikkelt zich vaak gradueel waarbij het lastig is wanneer de grens tussen normaal en
disorder gekruist is. Er heerst wel een fors stigma waardoor de meeste mensen hun problemen
ontkennen. Dit samen leidt er toe dat er vaak veel tijd overheen gaat voordat men realiseert dat
hun problemen gerelateerd zijn aan hun gebruik, om hierna hulp te gaan zoeken. Het duurt
gemiddeld 8 tot 10 jaar voordat men hulp zoekt. Dit heeft als gevolg dat de verslaving vaak al
veel schade heeft aangericht. Vragenlijsten zijn o.a. De CAGE en de AUDIT(-C), DAST en
FTND. Fysieke examinaties en labtesten kunnen hiernaast een uitkomst bieden.
DD
Vaak zijn er bij deze mensen ook onderliggende psychiatrische klachten of aandoeningen die
overlopen in de intoxicatie en onttrekkingssymptomen, wat diagnose kan vermoeilijken. Er kan
zo onderscheid gemaakt worden tussen primaire psychiatrische aandoeningen en een
verslaving.
Epidemiologie
In de westerse wereld zorgen AUD’s voor nummer 5 van verlies van kwalitatieve levensjaren.
De life-time prevalentie is hier dan ook 5-13%. Roken heeft hierin een prevalentie van 22% en
zorgt voor premature dood, met zo 14% van alle doden in 2001. Hierin zien we wel een
duidelijk, groot verschil tussen mannen en vrouwen. Bij verslaving aan illegale middelen is de
life-time prevalentie 6%, met gokverslaving bij 0,6%. Middelengebruik wordt slechts in 30% van
de gevallen ontdekt door de medisch specialist, bij heroïne is dit 70%.
Etiopathogenese
Neurobiologische correlatie
Verslaving wordt gezien als een progressieve aandoening, waarbij het normaal functioneren
van verschillende hersensystemen is beperkt tijdens de ontwikkeling. Deze abnormaliteiten zien
we ten minste in 2 van de belangrijke structurele en functionele domeinen.
1. Reward-driven behaviour:
● Geheugen en conditionering (hippocampus en amygdala)
● Drang (Orbitofrontale cortex)
● Beloningssystemen;
- Nucleus Accumbens (NAc)
- Ventral Pallidum (VP)
- Ventral Tegmental area (VTA)
2. Beperking in het cognitieve zelfregulatie systeem dat zo leidt tot onvoldoende controle
van overactieve beloningssystemen.
Beide kunnen zowel premorbide zijn of na long-term use ontstaan.