Examengerichte samenvatting - Economie HAVO 5
Gebaseerd op de bijgevoegde lesbrief. Begrippen zijn bij de eerste inhoudelijke uitleg geel
gemarkeerd.
Hoe leer je hiermee?
Leer eerst de geel gemarkeerde begrippen. Oefen daarna de rekenstappen en oorzaak-
gevolgrelaties. Gebruik de leerdoelencheck per hoofdstuk als laatste controle.
Hoofdstuk 1 - Welvaart
1.1 Toegevoegde waarde, productie en inkomen
toegevoegde waarde: de waarde die een bedrijf tijdens het productieproces zelf aan ingekochte
goederen en diensten toevoegt.
Formule toegevoegde waarde = productiewaarde - waarde ingekochte goederen en diensten
productiewaarde: de geldwaarde van alles wat een bedrijf in een periode produceert. Je kunt deze
via de opbrengstenkant of via de kostenkant bepalen.
bedrijfskolom: de opeenvolgende bedrijven die samen een product van grondstof tot eindproduct
voortbrengen. De som van de toegevoegde waarden in alle schakels geeft de waarde van het
eindproduct.
microniveau: kijken naar individuele consumenten, bedrijven of markten.
macroniveau: kijken naar de economie als geheel, bijvoorbeeld het bbp of nationaal inkomen.
1.2 Bruto binnenlands product en nationaal inkomen
bruto binnenlands product (bbp): de totale toegevoegde waarde die in een land in een periode
wordt geproduceerd.
nationaal inkomen: de som van de primaire inkomens die met productie worden verdiend. In de
lesbrief wordt uitgelegd dat nationaal inkomen en bbp twee manieren zijn om dezelfde productie te
meten.
primair inkomen: inkomen dat ontstaat door het beschikbaar stellen van een productiefactor, zoals
loon, rente, huur/pacht en winst.
overdrachtsinkomen: inkomen waar geen directe tegenprestatie in productie tegenover staat, zoals
veel uitkeringen.
toegerekend loon zelfstandigen: het arbeidsinkomen dat bij zelfstandigen aan hun eigen arbeid
wordt toegerekend, zodat hun inkomen vergelijkbaar wordt met loon van werknemers.
, Drie manieren om het bbp te berekenen 1) som toegevoegde waarden; 2) som primaire
inkomens; 3) via bestedingen in hoofdstuk 2
1.3 Nominaal, reëel en koopkracht
nominaal inkomen: inkomen gemeten in euro’s van het betreffende jaar.
reëel inkomen: inkomen gecorrigeerd voor prijsveranderingen; dit zegt meer over koopkracht.
nominaal bbp: bbp gemeten tegen lopende prijzen.
reëel bbp: bbp gecorrigeerd voor prijsveranderingen, zodat volumegroei zichtbaar wordt.
Vuistregel koopkrachtverandering ongeveer: procentuele inkomensverandering - procentuele
prijsstijging - bij kleine percentages.
economische groei: toename van het reële bbp.
1.4 Welvaart meten
welvaart: de mate waarin behoeften met schaarse middelen kunnen worden bevredigd; inkomen en
productie zijn belangrijke, maar niet de enige indicatoren.
bbp per inwoner: bbp gedeeld door het aantal inwoners; bruikbaar voor vergelijking van
gemiddelde productie/inkomen per persoon.
zwart werk: productie/arbeid die niet officieel wordt geregistreerd en doorgaans niet in de officiële
bbp-cijfers terechtkomt.
informele economie: economische activiteiten buiten de officiële registratie, waaronder een deel
van onbetaalde of niet-geregistreerde activiteiten.
formele economie: geregistreerde economische activiteiten die in officiële statistieken worden
meegenomen.
externe effecten: gevolgen van productie of consumptie voor anderen die niet volledig in de
marktprijs zijn verwerkt, bijvoorbeeld vervuiling.
groen bbp: een aangepaste welvaartsmaat waarbij milieuschade en/of uitputting van natuurlijke
hulpbronnen wordt meegewogen.
Human Development Index: samengestelde indicator waarin naast inkomen ook aspecten zoals
gezondheid en onderwijs worden meegenomen.
World Happiness Index: indicator die landen vergelijkt op ervaren geluk en factoren die daarmee
samenhangen.
Controle leerdoelen
Kennen
Begrippen beheersen: toegevoegde waarde, micro-/macroniveau, productiewaarde, bbp, nationaal
inkomen, primair inkomen, overdrachtsinkomen, toegerekend loon zelfstandigen, nominaal/reëel
bbp en inkomen, welvaart, bbp per inwoner, economische groei, zwart werk, informele/formele
economie, externe effecten, groen bbp, HDI en World Happiness Index.
Kunnen