Aarde - Endogene en exogene processen
Paragraaf 2.1 t/m 2.6 | HAVO 5
Doel van deze samenvatting
Leren voor het schoolexamen. Alle begrippen uit de begrippenlijst van 2.1 t/m 2.6 zijn verwerkt en
geel gemarkeerd bij de eerste behandeling. De inhoud volgt uitsluitend de bijgevoegde lesstof.
Hoofdlijn van het hoofdstuk
Endogene processen bouwen het relief op vanuit het binnenste van de aarde, vooral door
plaattektoniek, vulkanisme en gebergtevorming.
Exogene processen breken relief af en verplaatsen materiaal aan het aardoppervlak, vooral door
verwering, massabewegingen, erosie, transport en sedimentatie.
De gesteentekringloop verbindt beide: gesteenten worden voortdurend gevormd, omgevormd,
afgebroken en opnieuw opgebouwd.
2.1 Opbouw van de aarde en platentektoniek
Opbouw van de aarde
De aardkern is het binnenste deel van de aarde waar warmte ontstaat. De binnenkern is vast en
bestaat vooral uit nikkel en ijzer; de buitenkern is vloeibaar.
Om de kern ligt de (aard)mantel. Het gesteente in de mantel wordt naar binnen toe steeds warmer en
is voor een groot deel taai-vloeibaar.
De buitenste vaste laag is de aardkorst. Oceanische korst is dunner en zwaarder en bestaat vooral uit
basalt; continentale korst is dikker en lichter en bevat veel graniet.
De aardkorst en het buitenste deel van de aardmantel zijn verdeeld in aardplaten: stukken korst die
als geheel bewegen ten opzichte van andere platen.
Het idee dat processen uit het geologische verleden op dezelfde manier werken als nu heet
actualiteitsprincipe. Daardoor kunnen geologen huidige processen gebruiken om het verleden te
begrijpen.
basalt is een donker stollingsgesteente dat veel in de oceanische korst voorkomt.
graniet is een dieptegesteente dat veel in de continentale korst voorkomt.
HAVO 5 - Hoofdstuk 2: Aarde - Endogene en exogene processen
, Waarom bewegen platen?
Het bewegen van aardplaten heet platentektoniek. De lesstof legt uit dat vooral processen bij
plaatgrenzen belangrijk zijn.
Bij een mid-oceanische rug ontstaat nieuwe oceaanbodem. Magma stijgt op, stolt tot basalt en duwt de
platen uit elkaar.
Dat zijwaarts wegduwen vanaf de rug heet ridge push.
Verder van de rug wordt oceanische korst ouder, koeler en zwaarder. Bij een convergente grens kan
deze wegduiken in de mantel: subductie.
De zinkende oceanische plaat trekt de rest van de plaat mee. Dit heet slab pull en wordt in de lesstof
genoemd als de voornaamste motor achter plaattektoniek.
Drie soorten plaatgrenzen
Bij divergente plaatgrenzen bewegen platen uit elkaar. Voorbeeld: midden in de Atlantische Oceaan,
waar nieuwe oceaanbodem ontstaat.
Bij convergente plaatgrenzen bewegen platen naar elkaar toe. Een oceanische plaat kan onder een
andere plaat wegduiken. Daarbij ontstaat vaak een trog: een zeer diepe sleuf in de oceaan.
Een trog is een zeer diepe sleuf in de oceaan die ontstaat waar oceanische korst in de mantel
wegduikt.
Bij transforme plaatgrenzen bewegen platen langs elkaar heen. Hier ontstaat geen nieuwe korst en
verdwijnt ook geen korst, maar aardbevingen komen vaak voor.
Belangrijk verband
Nieuwe oceaanbodem bij een mid-oceanische rug + ouder en zwaarder worden van de
oceaanbodem + subductie elders = voortdurende vernieuwing van de oceanische korst.
2.2 Vulkanisme en aardbevingen
Vulkanisme en eruptietypen
vulkanisme omvat processen die samenhangen met het omhoogkomen van vloeibaar gesteente naar
het aardoppervlak.
Onder het aardoppervlak heet vloeibaar gesteente magma.
Wanneer magma bij een vulkaanuitbarsting naar buiten komt heet het lava.
De viscositeit geeft aan hoe stroperig een vloeistof is. Lage viscositeit = dun vloeibare lava; hoge
viscositeit = stroperig magma.
HAVO 5 - Hoofdstuk 2: Aarde - Endogene en exogene processen