RS0132-252644S
In deze kortere samenvatting wordt besproken:
- Alle leereenheden (1 t/m 10) per deel
- De leerdoelen
- De virtuele klassen en kennisclips
- Informatie vanuit Brightspace
- Het boek Goederen- en zekerhedenrecht W.H. van Boom (druk 2)
- Verplichte jurisprudentie
Geschreven in september ’26.
1
,Inhoudsopgave
Deel 1 – Rechten op goederen........................................................................................3
Leereenheid 1 – Goederenrecht en goederen..............................................................3
Leereenheid 2 – Bezit, registers en eigendom.............................................................8
Leereenheid 3 – Verkrijging van goederen.................................................................14
Aantekeningen virtuele klas deel 1...............................................................................23
Deel 2 – Overdracht...................................................................................................... 24
Leereenheid 4 - Overdracht.......................................................................................24
Leereenheid 5 – Bijzonderheden bij overdracht.........................................................33
Leereenheid 6 – Beperkte rechten.............................................................................39
Aantekeningen virtuele klas deel 2...............................................................................47
Deel 3 – Zekerheid en verhaal op goederen.................................................................48
Leereenheid 7 – Zekerheid voor krediet, hypotheek..................................................48
Leereenheid 8 – Pandrecht........................................................................................56
Leereenheid 9 – Eigendomsvoorbehoud....................................................................64
Leereenheid 10 – Eigendomsvoorbehoud..................................................................70
Aantekeningen virtuele klas deel 3...............................................................................77
2
,Deel 1 – Rechten op goederen
Leereenheid 1 – Goederenrecht en goederen
Boek: W.H. van Boom, Goederen- en zekerheden hoofdstuk 2 (p. 7-26) en 3 (p.
27-83). Overige facultieve bronnen vanuit Brightspace.
Kennisclip natrekking.
Leerdoelen:
- de kernbegrippen van het goederenrecht, zoals goed (registergoed en niet-
registergoed), zaak (roerend en onroerend), vermogensrecht, absoluut
recht en relatief recht, in de wet te vinden, uit te leggen en in een casus te
herkennen;
- uit te leggen wanneer sprake is van bestanddeelvorming en daardoor van
natrekking en vast te stellen wie eigenaar van de zaak is;
- op grond van art. 3:3 BW te beoordelen of een zaak roerend of onroerend
is en of deze nagetrokken wordt en vast te stellen wie de eigenaar van de
zaak is.
Jurisprudentie:
- HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1785 (Zalco II)
- HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412 (Dépex/curatoren)
- HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin)
- HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136 (Woonark)
- HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3644 (Havenkranen)
Het goederenrecht is onderdeel van het vermogensrecht. Het
vermogensrecht gaat over alles wat tot iemands vermogen behoort: goederen en
schulden.
Het vermogensrecht bestaat grofweg uit:
Goederenrecht: de verhouding tussen personen en goederen. De
centrale vraag is: van wie is iets?
Verbintenissenrecht: de rechtsverhouding tussen personen. De centrale
vraag is: wie moet iets doen of betalen aan wie?
Volgens art. 3:1 BW zijn goederen: alle zaken en alle vermogensrechten.
Een goed is dus de verzamelnaam voor zaken en vermogensrechten.
Volgens art. 3:2 BW is een zaak een voor menselijke beheersing vatbaar
stoffelijk object. Een zaak is dus iets tastbaars dat mensen kunnen beheersen,
bijvoorbeeld:
een fiets;
een auto;
een telefoon;
een huis;
grond.
Een vermogensrecht is een recht met economische waarde (art. 3:6 BW).
Voorbeelden zijn:
een vordering;
auteursrecht;
een aandeel;
pandrecht;
hypotheekrecht;
erfpacht;
3
, opstal.
Een vermogensrecht is dus wel een goed, maar geen zaak. Bij een zaak
spreek je van een eigenaar. Bij een vermogensrecht spreek je van een
rechthebbende of gerechtigde.
Eigendom: Volgens art. 5:1 BW is eigendom het meest omvattende recht dat
iemand op een zaak kan hebben. De eigenaar mag in beginsel de zaak
gebruiken, verkopen, weggeven of anderen van het gebruik uitsluiten. De wet of
rechten van anderen kunnen deze bevoegdheden beperken.
Belangrijk: eigendom bestaat alleen ten aanzien van zaken.
Je bent dus eigenaar van een fiets of huis, maar rechthebbende van bijvoorbeeld
een vordering.
Absolute en relatieve rechten:
Een absoluut recht werkt tegenover iedereen.
Het belangrijkste voorbeeld is eigendom. Iedereen moet het eigendomsrecht
van de eigenaar respecteren.
Een relatief recht werkt alleen tegenover één of meer bepaalde personen.
Een vorderingsrecht is bijvoorbeeld relatief: als A geld van B tegoed heeft, kan
A in beginsel alleen van B betaling verlangen.
absoluut recht → tegenover iedereen
relatief recht → tegenover een bepaalde persoon
Registergoederen: volgens art. 3:10 BW is een registergoed een goed
waarvoor overdracht of vestiging alleen mogelijk is door inschrijving in openbare
registers.
Voorbeelden:
grond en huizen;
teboekgestelde schepen;
teboekgestelde vliegtuigen;
beperkte rechten op registergoederen, zoals hypotheek, erfpacht en
opstal.
Bij de overdracht van een woning zijn bijvoorbeeld een notariële akte en
inschrijving in de openbare registers van het Kadaster nodig.
Niet-registergoederen zijn bijvoorbeeld fietsen, telefoons, auto's en gewone
vorderingen.
Belangrijk: Alle onroerende zaken zijn registergoederen, maar niet alle
registergoederen zijn onroerende zaken.
Een teboekgesteld schip kan bijvoorbeeld een registergoed zijn, terwijl het een
roerende zaak blijft.
Roerende en onroerende zaken: Het onderscheid staat in art. 3:3 BW.
Het onderscheid roerend/onroerend geldt alleen voor zaken. Juridisch is daarom
de term onroerende zaak zuiverder dan 'onroerend goed'.
Onroerende zaken:
Volgens art. 3:3 lid 1 BW zijn onder andere onroerend:
de grond;
nog niet gewonnen delfstoffen;
met de grond verenigde beplantingen;
gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.
4