Wat zijn de biologische oorzaken van depressie? (serotonine,
genetische aanleg)
Monoamines
De precieze neurobiologische achtergrond van depressie is tot op heden
onbekend.
Aandacht voor de rol van monoaminen (groep neurotransmitters) ontstond
door toediening van reserpine, een bloeddrukverlagend medicament,
leidde tot afname van de hoeveelheid momaminen in het centrale
zenuwstelsel. Dit veroorzaakte een depressief syndroom. Er bestaan 3
typen monoaminen: noradrenaline (NA), serotonine (5HT) en dopamine
(DA).
Serotonine betrokken bij stemming en slapen; moduleert stemming en
onderdrukt eetlust.
Dopamine (DA) betrokken bij stemming, slapen en leren; verhoogd
plezier gevoel en
onderdrukt eetlust.
Norepinefrine (noradrenaline) (NA) betrokken bij werking van het hart,
darmen en
alertheid, slaap-waakcyclus; verhoogt opwinding en onderdrukt eetlust.
Catecholaminetheorie:
De rol van noradrenaline als biologisch correlaat van depressie staat
centraal. Volgens deze theorie is depressie geassocieerd met een
functioneel tekort aan NA. Om de exacte concentratie van noradrenaline
vast te stellen is men aangewezen op de bepaling van de hoeveelheid
afbraakproducten van noradrenaline.
Permissive hypothese:
Onderzoekers stapten af van het idee dat slechts één neurotransmitter
verantwoordelijk zou zijn voor depressie. Men raakte ervan overtuigd dat
verschillende neurotransmittersystemen onderling interacteren. Volgens
de ‘permissive’ hypothese worden de aard en de intensiteit van een
stoornis bepaald door veranderingen in de catecholaminetransmissie (DA
en NA, maar met name NA) samen met een 5HT-tekort. Met andere
woorden zou een afgenomen catecholamineactiviteit tot depressie leiden.
Een verlaagde 5HIAA-concentratie (afbraakproduct serotonine) lijkt echter
slechts voor te komen bij een subgroep van depressieve mensen, namelijk
die met impulsief gedrag (bijv. suïcidaal gedrag). Hiermee is de theorie
niet houdbaar gebleken.
deze theorieën bieden geen verklaring voor de uitgestelde werking van
antidepressiva: na toediening van antidepressiva neemt de monoaminerge
, activiteit vrijwel direct toe terwijl de symptomen van de depressie pas na
enkele weken verdwijnen.
Receptortheorie:
De receptortheorie stelt dat niet zozeer het niveau van de mono-amines in
de synaps bepalend is, maar dat deficiënties in aantal en/of gevoeligheid
van postsynaptische mono-amineneurotransmitterreceptoren een cruciale
rol spelen bij depressie. Depressie zou gekenmerkt worden door een
verhoogd aantal postsynaptische receptoren (up-regulatie) die bovendien
overgevoelig zijn (sensitisatie) door tekort aan serotonine?
Toediening van antidepressiva leidt tot een toename van de hoeveelheid
mono-amines in de synaptische spleet, onder andere door verhoogde
afgifte van mono-amines uit te presynaptische synaps. Als gevolg van de
toename in monoaminerge activiteit, vindt aan de postsynaptische zijde
een afname plaats van het aantal receptoren (downregulatie) en de
gevoeligheid van deze receptoren (desensitisatie).
De receptortheorie kan beschouwd worden als een aanvulling op de
monoaminehypothese en biedt een verklaring voor de uitgestelde werking
van antidepressiva doordat de tijd nodig is voordat de gevoeligheid en het
aantal postsynaptische receptoren zijn aangepast, overeenkomt met het
(observeerbare) therapeutische effect van het antidepressivum
Hyperactiviteit van HPA-as
HPA betekent hypothalamus-pituitary-adrenal (hypothalamus-
hypofysebijnierschors). Wanneer lichamelijke of psychische stress wordt
waargenomen, reageert de hypothalamus met de afgifte van het
corticotropinevrijmakend hormoon (RH). Deze stimuleert de hypofyse tot
afgifte van het adrenocorticotroop hormoon (ACTH). ACTH geeft een
signaal aan de bijnierschors om cortisol af te scheiden. De afgifte van deze
hormonen maken een vecht-, vlucht- of vreesreactie mogelijk. Onderzoek
laat zien dat zowel de bijnieren als de hypofyse vergroot zijn bij
depressieve patiënten en dat de bijnieren overmatig veel cortisol
produceren. Deze afgifte wordt normaal gereguleerd door een negatief
feedbacksysteem. Cortisol werkt remmend op de afgifte van CRH en ACTH
door zich te binden aan specifieke cortisolreceptoren.
Een meerderheid van de depressieve mensen vertoont een disfunctie van
dit negatieve feedbacksysteem van de HPA-as. Uit onderzoek blijkt dat
ACTH en cortisol bij 95% van alle patiënten met een depressie verhoogd
is. Klinisch kan men dit vertalen in de onmogelijkheid om het
stresshormoonsysteem te reduceren tot een normaal niveau na een acute
stressor.
Door antidepressiva toe te dienen of ECT (elektroconvulsieve therapie) toe
te passen, wordt de binding van cortisol aan de cortisolreceptoren herstelt
met de negatieve feedbackfunctie. Dit effect treedt op na ongeveer 2
weken. Door een teveel aan cortisol kan de omvang van de hippocampus
afnemen. Hierbij kunnen vroegkinderlijke traumaervaringen een rol spelen,