,
,1. Algemene farmacologie
1.1 Inleiding farmacologie
Farmacologie bestudeert de werking en toepassing van geneesmiddelen. Klinische farmacologie verbindt deze
kennis met de behandeling van patiënten.
Een belangrijk basisonderscheid:
Begrip Betekenis
Farmacokinetiek (FK) Wat het lichaam met het geneesmiddel doet
Farmacodynamiek (FD) Wat het geneesmiddel met het lichaam doet
Geneesmiddelen kunnen oraal, parenteraal, lokaal of via inhalatie worden toegediend. De toedieningsroute
beïnvloedt de snelheid, biologische beschikbaarheid en blootstelling.
Therapeutisch effect ≠ bijwerking ≠ intoxicatie
Een bijwerking is een ongewenst effect bij normaal gebruik. Bij intoxicatie is de blootstelling te hoog,
bijvoorbeeld door overdosering of verminderde eliminatie.
Belangrijke patiëntfactoren zijn:
leeftijd en lichaamsgewicht;
nier- en leverfunctie;
comorbiditeit;
polyfarmacie en interacties.
Kernconcept:
Geneesmiddel → aangrijpingspunt → biologisch effect → klinisch effect
1.2 Farmacokinetiek
Farmacokinetiek beschrijft het verloop van een geneesmiddel in het lichaam. Het klassieke ADME-model
bestaat uit:
Absorptie → Distributie → Metabolisme → Excretie
Absorptie
Absorptie is de opname van een geneesmiddel in de systemische circulatie. Bij intraveneuze (i.v.) toediening is
absorptie niet nodig en is de biologische beschikbaarheid (F) 100%.
Bij orale toediening kan een deel verloren gaan door onvolledige opname of het first-pass-effect in de lever.
Oraal → darm → poortader → lever → systemische circulatie
Distributie
Na opname wordt het geneesmiddel via het bloed verdeeld over weefsels. De verdeling wordt beïnvloed door
onder andere lipofiliteit, doorbloeding en plasma-eiwitbinding.
De vrije fractie is farmacologisch doorgaans het meest beschikbaar.
Sterke eiwitbinding → minder vrije fractie → veranderde distributie/eliminatie
, Metabolisme
Metabolisme vindt voornamelijk in de lever plaats. Enzymen, waaronder CYP450-enzymen, zetten
geneesmiddelen om in metabolieten.
Een metaboliet kan inactief, actief of toxisch zijn.
Enzymremming → tragere afbraak → hogere geneesmiddelconcentratie
Enzyminductie → snellere afbraak → lagere concentratie
Excretie
De nieren zijn een belangrijke uitscheidingsroute. Een verminderde nierfunctie kan daarom leiden tot
accumulatie.
Verminderde nierfunctie → lagere klaring → hogere blootstelling → toxiciteitsrisico ↑
Halfwaardetijd
De halfwaardetijd (t½) is de tijd waarin de plasmaconcentratie ongeveer halveert.
Bij herhaalde dosering ontstaat geleidelijk een steady state.
Herhaalde dosering → accumulatie → steady state
Als vuistregel wordt na ongeveer 4–5 halfwaardetijden een nagenoeg stabiele concentratie bereikt.
1.3 Farmacodynamiek
Farmacodynamiek beschrijft het effect van een geneesmiddel op biologische systemen. Geneesmiddelen
kunnen onder andere aangrijpen op receptoren, enzymen, ionkanalen of transporteiwitten.
Begrip Kern
Agonist Activeert receptor
Antagonist Blokkeert of remt receptorwerking
Dosis-respons Relatie tussen dosis/blootstelling en effect
Therapeutische breedte Verschil tussen effectieve en toxische blootstelling
Een stijgende dosis leidt niet onbeperkt tot meer effect. Bij een maximale respons kan verdere dosisverhoging
vooral bijwerkingen veroorzaken.
Dosis ↑ → effect ↑ → maximaal effect → bijwerkingen ↑
Farmacodynamische interacties ontstaan wanneer geneesmiddelen hetzelfde fysiologische systeem
beïnvloeden.
1.4 Studieactiviteiten
Bij een farmacologische casus kan een vaste redeneerstap worden gebruikt:
1. Welke aandoening wordt behandeld?
2. Welk pathologisch proces moet worden beïnvloed?
3. Waar grijpt het geneesmiddel aan?
4. Welk therapeutisch effect wordt verwacht?
,1. Algemene farmacologie
1.1 Inleiding farmacologie
Farmacologie bestudeert de werking en toepassing van geneesmiddelen. Klinische farmacologie verbindt deze
kennis met de behandeling van patiënten.
Een belangrijk basisonderscheid:
Begrip Betekenis
Farmacokinetiek (FK) Wat het lichaam met het geneesmiddel doet
Farmacodynamiek (FD) Wat het geneesmiddel met het lichaam doet
Geneesmiddelen kunnen oraal, parenteraal, lokaal of via inhalatie worden toegediend. De toedieningsroute
beïnvloedt de snelheid, biologische beschikbaarheid en blootstelling.
Therapeutisch effect ≠ bijwerking ≠ intoxicatie
Een bijwerking is een ongewenst effect bij normaal gebruik. Bij intoxicatie is de blootstelling te hoog,
bijvoorbeeld door overdosering of verminderde eliminatie.
Belangrijke patiëntfactoren zijn:
leeftijd en lichaamsgewicht;
nier- en leverfunctie;
comorbiditeit;
polyfarmacie en interacties.
Kernconcept:
Geneesmiddel → aangrijpingspunt → biologisch effect → klinisch effect
1.2 Farmacokinetiek
Farmacokinetiek beschrijft het verloop van een geneesmiddel in het lichaam. Het klassieke ADME-model
bestaat uit:
Absorptie → Distributie → Metabolisme → Excretie
Absorptie
Absorptie is de opname van een geneesmiddel in de systemische circulatie. Bij intraveneuze (i.v.) toediening is
absorptie niet nodig en is de biologische beschikbaarheid (F) 100%.
Bij orale toediening kan een deel verloren gaan door onvolledige opname of het first-pass-effect in de lever.
Oraal → darm → poortader → lever → systemische circulatie
Distributie
Na opname wordt het geneesmiddel via het bloed verdeeld over weefsels. De verdeling wordt beïnvloed door
onder andere lipofiliteit, doorbloeding en plasma-eiwitbinding.
De vrije fractie is farmacologisch doorgaans het meest beschikbaar.
Sterke eiwitbinding → minder vrije fractie → veranderde distributie/eliminatie
, Metabolisme
Metabolisme vindt voornamelijk in de lever plaats. Enzymen, waaronder CYP450-enzymen, zetten
geneesmiddelen om in metabolieten.
Een metaboliet kan inactief, actief of toxisch zijn.
Enzymremming → tragere afbraak → hogere geneesmiddelconcentratie
Enzyminductie → snellere afbraak → lagere concentratie
Excretie
De nieren zijn een belangrijke uitscheidingsroute. Een verminderde nierfunctie kan daarom leiden tot
accumulatie.
Verminderde nierfunctie → lagere klaring → hogere blootstelling → toxiciteitsrisico ↑
Halfwaardetijd
De halfwaardetijd (t½) is de tijd waarin de plasmaconcentratie ongeveer halveert.
Bij herhaalde dosering ontstaat geleidelijk een steady state.
Herhaalde dosering → accumulatie → steady state
Als vuistregel wordt na ongeveer 4–5 halfwaardetijden een nagenoeg stabiele concentratie bereikt.
1.3 Farmacodynamiek
Farmacodynamiek beschrijft het effect van een geneesmiddel op biologische systemen. Geneesmiddelen
kunnen onder andere aangrijpen op receptoren, enzymen, ionkanalen of transporteiwitten.
Begrip Kern
Agonist Activeert receptor
Antagonist Blokkeert of remt receptorwerking
Dosis-respons Relatie tussen dosis/blootstelling en effect
Therapeutische breedte Verschil tussen effectieve en toxische blootstelling
Een stijgende dosis leidt niet onbeperkt tot meer effect. Bij een maximale respons kan verdere dosisverhoging
vooral bijwerkingen veroorzaken.
Dosis ↑ → effect ↑ → maximaal effect → bijwerkingen ↑
Farmacodynamische interacties ontstaan wanneer geneesmiddelen hetzelfde fysiologische systeem
beïnvloeden.
1.4 Studieactiviteiten
Bij een farmacologische casus kan een vaste redeneerstap worden gebruikt:
1. Welke aandoening wordt behandeld?
2. Welk pathologisch proces moet worden beïnvloed?
3. Waar grijpt het geneesmiddel aan?
4. Welk therapeutisch effect wordt verwacht?