Meiosis: Campbell Chapter 13
- Geef een onderscheid aan tussen de rol van de somatische cellen en de gameten
in de levenscyclus van een typisch meercellig organisme. Leg uit waarom
geslachtscellen bij zoogdieren haploïd zijn en somatische cellen diploïd.
Somatische cellen zijn de normale lichaamscellen van een individu en dienen
dan ook voor groei, herstel en bescherming van het lichaam. De cellen worden
gerepliceerd met mitose en zijn allemaal diploïd (2n) omdat alle cellen de
volledige genetische samenstelling van het individu nodig heeft om goed te
werken en goed passend te zijn voor het individu. Gameten zijn geslachtscellen
en dienen voor reproductie. Ze worden gemaakt met meiose en zijn allemaal
haploïd (n) omdat ze met elkaar moeten fuseren tot een diploïde zygote. Als de
cellen niet haploïd zullen zijn zouden de nakomelingen teveel genen bezitten.
Eenmaal na de fertilisatie van 2 gameten ontstaat er een diploïde zygote die zich
met mitose verder ontwikkeld tot foetus.
- Beschrijf het verschil tussen zusterchromatiden en homologe chromosomen.
Homologe chromosomen hebben ongeveer dezelfde lengte, dezelfde
centromeerplaatsen en coderen voor varianten van dezelfde eigenschappen. Ze
zien er hierdoor ook hetzelfde uit. Een homoloog chromosoom bindt aan zijn
zusterchromatide om een geheel chromosoom te vormen. Zusterchromatiden
zijn dus niet homoloog en binden aan elkaar om een chromosoom te vormen.
- Schets het proces van homologe recombinatie tijdens de meiose en leg uit hoe
dit kan leiden tot nieuwe combinaties van gekoppelde allelen. Een vorm van
homologe recombinatie tijdens meiose is crossing-over. Tijdens crossing over
gaan 2 homologe chromosomen naast elkaar liggen en worden hiervan bij de 2
niet-zusterchromatiden een knip gemaakt in het DNA op exact dezelfde plek.
Hierna vormt het synaptomenale complex (bindt de homologe chromosomen
aan elkaar) en conderseren de chromosomen waardoor de plaatsen van de knip
dicht bij elkaar komen te liggen. Hierna vindt de crossing-over plaats waarbij de
niet-zusterchromatiden aan elkaar binden (bij chiasmata) en DNA met elkaar
uitwisselen. Hierna laten ze los van elkaar en is het DNA uitgewisseld tussen de
chromosomen waardoor er nieuwe gencombinaties zijn ontstaan wat leidt tot
meer genetische diversiteit.
- Beschrijf de verschijnselen van koppeling en onafhankelijke assortiment van
allelen tijdens de meiose. Bij onafhankelijke plaatsing worden de matenale en
patenale chromosomen onafhankelijk en random op de metafase plaat geplaatst
en worden deze onafhankelijk van elkaar gescheiden en in de gameten geplaatst.
- Leg uit hoe het proces van de meiose de genetische diversiteit binnen het
nageslacht vergroot en waarom dit essentieel is voor evolutie. Door de
onafhankelijke plaatsing, crossing-over en random fertilisatie binnen meiose
, ontstaan er heel veel verschillende genetische varianten waardoor er super veel
verschillende genotypes ontstaan. hierdoor kan er evolutie ontstaan in voordelige
genotypes door de verschillende varianten hierin.
- Noem overeenkomsten en verschillen tussen mitose en meiose. Verschillen:
mitose zowel in haploïde als diploïde cellen en meiose alleen in diploïde cellen,
meiose bestaat uit 2 delen en mitose uit 1, meiose maakt 4 haploïde cellen en
mitose 2 diploïde cellen, meiose produceert gameten en mitose lichaamscellen
en tijdens meiose vindt crossing-over plaats. Overeenkomsten: beide vormen van
celdeling, er gaat DNA-replicatie aan vooraf, beide hebben vergelijkbare fasen en
beide eindigen met cytokinese.
- leg de mogelijke gevolgen uit van disjunctiefouten voor een gamete, een embryo
en een individu. Disjunctiefouten ontstaan als chromosomen/chromatiden niet
goed van elkaar scheiden. Hierdoor ontstaan er cellen die meerdere
chromosomen/chromatiden hebben of juist cellen die deze niet hebben.
Hierdoor kan er aneuploïdie ontstaan → monosomisch, trisomisch. Er kan ook
polyploïdie ontstaan → tetraploïdie, triploïdie. Door disjunctiefouten ontstaan er
afwijkingen in de gameten die worden doorgegeven aan de embryo’s en effect
hebben op het geboren nakomeling.
Campbell Chapter 14: Mendelian Genetics and beyond
- Definieer genetische termen, waaronder eigenschap, homozygoot, heterozygoot,
gen, allel, locus, genotype en fenotype. Eigenschap: een gen codeert voor een
(vaak geërfde) eigenschap die tot uiting kan komen in het fenotype maar ook
binnen het lichaam belangrijk rollen kan uitvoeren. Homozygoot: een individu
heeft twee dezelfde allelen voor een eigenschap. Heterozygoot: een individu
heeft twee verschillende allelen voor een eigenschap. Gen: een coderend stukje
DNA dat codeert voor een eigenschap. Allel: een variant van een gen (gen =
oogkleur, allel = blauw, groen, bruin), locus: locatie van een gen op een
chromosoom, genotype: alle het genetisch materiaal van een individu. Fenotype:
de uiterlijke eigenschappen van een individu.
- Beschrijf hoe een dominant of recessief fenotype ontstaat aan de hand van
genproducten en mutaties.
- Voorspel de genotypische en fenotypische resultaten van kruisingen met één
eigenschap met behulp van Punnett-vierkanten. Genotype: 1 (AA), 2 (aa), 1 (aa)
→ 1:2:1. Fenotype: 3:1.
- Leg uit wat er wordt bedoeld met de wet van segregatie aan de hand van een
monohybride kruising. Wet van segregatie: de 2 allelen voor 1 gen scheiden zich
onafhankelijk tijdens het maken van gameten en komen hierdoor, als enkelvoudig
allel, ook random en onafhankelijk in verschillende gameten terecht. Hierdoor
kan je niet bepalen welk gameet welke eigenschappen ontvangt.