Les 1
Homeostase = het stabiliseren van het lichaam en zijn functies → dynamische
evenwicht. Hiervoor moet het dier reageren op interne (PH, temperatuur,
zuurstofgehalte) en externe (vochtigheid, voedsel, roofdieren) reageren. De handhaving
wordt gedaan door negatieve (stimulus geeft reactie in het lichaam wat de respons
verlaagt) en positieve (stimulus geeft reactie in het lichaam die de respons versterkt)
feedback door het zenuwstelsel, endocriene hormonen, het immuunsysteem en het
gedrag. Als homeostase niet bereikt wordt is de kans op ziekten en aandoedingen groter.
Controle systeem homeostase: stimulus → sensor → controle centrum (brein) →
reactie. Bijvoorbeeld regulering van bloeddruk: lage bloeddruk wordt gemeten door de
baroreceptoren in de halsslagader en de aorta → deze meten een lage bloeddruk en
geven een signaal naar de hersenen → hersenen zetten vasoconstrictie in (vernauwing
van bloedvaten) waardoor bloeddruk weer hoger wordt.
Anatomische richtingen:
- Anterior en posterior (voor en achter) → rostraal en caudaal
- Links en rechts
- Dorsaal en ventraal (rug en buik)
- Geen duidelijke symmetrie? Oraal en aboraal
Histologische coupes maken: Fixatie = weefsel stabiliseren en structuur behouden,
dehydratatie, klaren = alcohol vervangen voor oplosmiddel (xyleen), infiltratie en
inbedden: verharden van weefsel met parrafinewax/epoxy, trimmen en snijden.
4 weefsels in lichaam van dieren:
- Zenuwweefsel
- Epitheelweefsel
- Spierweefsel
- Bindweefsel
Weefsels bestaan uit cellen die allemaal dezelfde functie, oorsprong en basale lamina
hebben. De weefsels ontwikkelen uit de kiemlagen van het embryo → diploblast,
triploblast (deutrostoom en protostoom).
Epiblast wordt ectoderm en beweegt zich naar binnen toe tot het endoderm en
mesoderm. Hierdoor krijg je een soort spleet in het embryo. Ectoderm: epitheelweefsel,
zenuwweefsel. Mesoderm: epitheelweefsel, spierweefsel en steunweefsel. Endoderm:
epitheelweefsel.
,Kenmerken epitheelweefsel:
- Cellen die strak met elkaar verbonden zijn door tight junctions, gap junctions en
desmosomen en door deze verbindingen een sterk membraan vormen en een
bepaalde functie kan uiten.
- Ze bevatten geen bloedvaten en nemen voeding op door diffusie.
- Bedekt buitenkant lichaam (huid: gekeratiniseerd epitheel) en organen en holtes
in het lichaam.
- Maken barrière tussen delen in het lichaam → basale/binnenkant en
apicale/buitenkant.
- Vormen: plat (gasuitwisseling, geen barrière functie, bij nieren en longen), kubus
(secretie, actieve processen, bij speekselklieren), cillinder (absorptie, microvilli,
bij darmen). Lagen: enkel of samengesteld (overgangsepitheel).
- Functies: transport, bescherming, uitwisseling, filtering
- Cardio vasculaire systemen hebben een plat en enkellaags epitheel.
Klieren:
- Endocrien en exocrien
- Ontwikkeling: cellen van epitheel vormen naar de kant van de klier toe → bij
exocrien blijft klier aan epitheel, bij exocrien komt het gevormde klier los van het
epitheel.
Steunweefsel:
- Verbindt lichaamsdelen
- Goed doorbloed → bloedvaten lopen erdoor heen
- ECM vezels voor verbinding, ondersteuning, bescherming, isolatie en transport
(collageen en elastine)
- Bindweefsel: houdt weefsels en organen bij elkaar en op hun plaats, Matrix bevat
vloeibare of vaste vezels, bevat dunne opeengepakte cellen verspreidt over de
ECM.
- Gevormd door mesenchymale stamcellen uit het mesoderm → fibroblasten
(bindweefsel matrix: los of vast), chondroblasten (kraakbeen/chondro- matrix:
hyaline, elastisch en fibreus, stevig maar flexibel), osteoblasten (bot/os- matrix:
compact of spongieus → evolutionair voordeel spongiues bot: lichter dan
compact bot en botmassa kan verloren gaan en is gevoelig voor krachten die erop
staan, osteoblast (meerdere kernen, zit in botmatrix) produceert en osteoclast
breekt het af), hemocytoblasten (bloed: lymfocyten, leukocyten en erthryocyten).
, Les 2 → namen nefron onderdelen leren. (kijk ppt)
Osmoregulatie: osmotische druk die gelijkmatig wordt verspreidt over de vloeistoffen
aanwezig. Water stroomt van lage osmotische druk naar hoge osmotische druk. 3
situaties osmotische druk:
- De cel is hyperosmotisch (meer deeltjes concentratie) vergeleken met zijn
omgeving. Dit zal leiden tot waterstroming binnen de cel in waardoor deze kan
lyseren.
- De cel is isoosmotisch vergelekn met zijn omgeving. De osmotische druk is aan
beide kanten van het membraan gelijk waardoor er een osmotische balans zal
zijn.
- De cel is hypoosmotisch (minder deeljtes concentratie) vergeleken met zijn
omgeving. Het water zal hierdoor naar buiten stromen waardoor de cel
verschrompeld.
Zoutwater dieren leven in een hyperosmotische omgeving (ze zijn dus zelf
hypoosmotisch). Hierdoor verliezen ze water aan hun omgeving door osmose. Om dit te
compenseren drinken ze veel water en de te hoge concentratie zout zou verloren gaan
via urine of de kieuwen (ionkanalen/zoutklieren). Zoetwater dieren leven in een
hypoosmotische omgeving (ze zijn zelf hyperosmotisch) waardoor het water van haar
omgeving in het lichaam zou stromen. Om de water in stroom door osmose te
compenseren moet de vis veel water uitplassen wat laag geconcentreerd is in stoffen.
Landdieren verliezen water aan hun omgeving waardoor wij specifieke organen/gedrag
aanpassingen hebben geëvolueerd om waterverlies tegen te gaan. → beerdiertjes
kunnen volledig uitdrogen en als er weer water aanwezig is tot leven komen. De
uitwisseling van zout van het bloed naar de zoutklieren die dit weer uitscheiden gaat
door middel van een tegenstroomprincipe.
Stikstofafval komt vrij vanuit afgebroken eiwitten of DNA. Dit stikstofafval kan worden
omgezet tot ammoniak wat erg giftig is voor ons lichaam, het is ook erg wateroplosbaar.
Als ammoniak niet kan worden uitgescheiden omdat je niet genoeg beschikbaar water
hebt, kan je er ureum van maken (prima wateroplosbaar). Dit is minder toxisch maar
kost wel energie om te maken. Ook kan er urinezuur van worden gemaakt, dit is niet
toxisch en onoplosbaar waardoor dit als een soort pasta kan worden uitgescheiden. Het
kost wel heel veel energie om te maken.
Excretie acoelomaten en simpele coelomaten: protonephiridia → tubes met vlamcellen
waar cilia in zitten waardoor er vloeistof naar binnen komt en weer uit kan gaan. Er moet
wel een osmotisch drukverschil zijn. Metanephridia → interne opneningen met cilia
nemen vloeistoffen op, dit wordt gefilterd door de bloedvaten om de metanephridia
heen en het filtraat kan worden uitgeplast via de opening en worden opgeslagen in de
blaas.