College 5 – dinsdag 11 november 2025
Onderwerpen: bestuurdersaansprakelijkheid
Van de BV en NV – nr. 47-49
Interne aansprakelijkheid
Voor het gevoerde beleid is het bestuur verantwoording schuldig.
Deze verantwoordingsplicht heeft zij tegenover de AVA, RvC en
de or
Verantwoordingsplicht naar de AVA blijkt uit:
1. De in art. 2:217 (107) lid 2 vastgelegde verplichting tot het geven van
verlangde inlichtingen
2. De concept-jaarrekening
Verantwoordingsplicht naar de RvC blijkt uit:
1. De taakomschrijving van de RvC (art. 2:250 (140)
2. De plicht tot het aan het RvC verschaffen van de noodzakelijke
gegevens ex art. 2:251 (141)
Verantwoordingsplicht naar de RvC blijkt uit:
1. De wet op ondernemingsraden (art. 23, 24, 31 e.v. WOR)
De algemene verantwoordingsplicht rust op het bestuur als zodanig.
Art. 2:9 BW
Iedere bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden zijn taak naar
behoren te vervullen.
De formulering van 2:9 wijst op een inspanningsverbintenis; de
bestuurders moeten zich inzetten voor een behoorlijke uitoefening
van hun taak, tot een bepaald resultaat is zij niet gehouden.
Staleman/Van de Ven
De norm ‘behoorlijk’ in art. 2:9 lid 1 BW wordt echter geobjectiveerd. Dat
wil zeggen: het criterium voor wat als ‘behoorlijk’ bestuur geldt, wordt
niet uitsluitend bepaald door de persoonlijke kwaliteiten of intenties van
de betreffende bestuurder, maar door wat in het algemeen van een
redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht. De Hoge
Raad heeft in het arrest Staleman/Van de Ven (HR 10 januari 1997)
geoordeeld dat van een bestuurder mag worden verwacht dat hij beschikt
over het inzicht en de zorgvuldigheid die van een bestuurder die voor zijn
taak berekend is en deze nauwgezet vervult, mogen worden verwacht
Art. 2:9 lid 2 BW
Aansprakelijkheid voor schade welke de vennootschap geleden heeft
treedt pas in wanneer aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden
gemaakt.
,Of aan dit verwijtbaarheidscriterium is voldaan moet worden beoordeeld
aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Volgens de
Hoge Raad (Staleman/Van de Ven) behoren daartoe onder meer:
De aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten,
De in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s
De taakverdeling binnen het bestuur
De eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen
De gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te
beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of
gedragingen
En ook de bovengenoemde behoorlijkheidsnorm.
Berghuizer Papierfabriek
Handelen in strijd met een statutaire bepaling die de rechtspersoon
beoogt te beschermen vormt een zwaarwegende omstandigheid die in
beginsel aansprakelijkheid vestigt.
In dit arrest ging het om het negeren van een statutair
goedkeuringsrecht van de RvC
Statutaire doelomschrijving zou ook hiertoe gerekend kunnen
worden (volgens het boek)
Nutsbedrijf Westland (samenloop van de artikelen 2:9 en 6:162)
Casus: de bestuurder stelt in zijn verweer dat de vordering van Holding
Nutsbedrijf Westland N.V. uitsluitend kan worden gebaseerd op
onbehoorlijk bestuur (zoals bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek) en
niet op onrechtmatigde daad (zoals bedoeld in artikel 6:162 Burgerlijk
Wetboek). In het Staleman/Van de Ven-arrest zagen we al dat voor
aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur de strenge maatstaf van
ernstige verwijtbaarheid geldt. Holding Nutsbedrijf Westland N.V. zou deze
maatstaf volgens de voormalig bestuurder niet via een beroep op
onrechtmatige daad mogen ontlopen.
De Hoge Raad:
Holding Nutsbedrijf Westland N.V. haar vordering kan baseren op
onrechtmatige daad.
Hij voegt daaraan toe dat, indien sprake is van een onrechtmatige
daad van een bestuurder die is begaan bij zijn taakvervulling als
bestuurder, de strengere maatstaf van ernstige
verwijtbaarheid onverkort blijft gelden.
o Voor de onrechtmatige daadaansprakelijkheid volstaat in zo’n geval niet ‘gewone’
schuld maar zal de bestuurder een ernstig verwijt moeten treffen.
De regel van art. 2:9 kleurt aldus de toerekeningsmaatstaf van art. 6:162
BW. De aansprakelijkheid van de bestuurder kan, op basis van hetzelfde
feitencomplex, mogelijk zowel op art. 2:9 als op art. 6:162 BW worden
gebaseerd.
Allen hoofdelijk aansprakelijk
,Het uitgangspunt van art. 2:9 lid 2 bij ernstig verwijtbaar onbehoorlijk
bestuur van één of meer bestuurders is dat allen hoofdelijk (voor het
geheel) aansprakelijk zijn.
Disculpatie is mogelijk
Tweeledig disculpatiebewijs:
1. De tekortkoming niet aan hem te wijten is en;
2. Dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de
gevolgen daarvan af te wenden. Voldoende is dat hij aantoont dat
aan hem te dier zake geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
‘Mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken’
Een bestuurder mag aantonen dat hem geen ernstig verwijt kan worden
gemaakt, ‘mede gelet’ op de aan anderen toebedeelde taken. Die
taakverdeling moet direct of indirect op de wet of op de statuten zijn
gebaseerd.
Twijfelgeval: door de AVA of RvC goedgekeurd directiereglement
zonder statutaire grondslag, waarin een taakverdeling is
opgenomen.
Over de hoofdlijnen van het beleid en andere ingrijpende besluiten zullen
de bestuurders steeds tezamen moeten beslissen. Ook andere ingrijpende
besluiten zullen steeds door het bestuur als zodanig moeten worden
genomen. In de eerste zin van art. 2:9 lid 2 komt dit tot uitdrukking: Elke
bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van
zaken’.
Een bestuurder kan niet zeggen: dat was zijn afdeling, ik wist van
niets. Zeker niet bij grote of risicovolle beslissingen.
Iedere bestuurder moet verder verplicht worden geacht het zijne ertoe bij
te dragen dat de nadelige gevolgen van onbehoorlijk bestuur worden
afgewend, ook al werd dat onbehoorlijk bestuur niet door hem gepleegd
en viel de aangelegenheid buiten zijn taakgebied.
Het niet tot zijn taak behoren van een bepaalde aangelegenheid kan dus
bijdragen tot het steeds door iedere bestuurder te leveren
disculpatiebewijs.
Sidenote:
RvC
Onbehoorlijk bestuur betekent niet zonder meer dat ook de RvC zijn taak
onbehoorlijk heeft vervuld.
One-tier vennootschappen
Een andere systematiek geldt echter voor one-tier vennootschappen. De
niet-uitvoerende bestuurders vallen dan rechtstreeks onder art. 2:9.
Onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder leidt dan tot
aansprakelijkheid van alle uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders.
Ligt het onbehoorlijk bestuur op het terrein van een uitvoerende
, bestuurder dan zal de niet-uitvoerende bestuurder in het licht van deze
taakverdeling niet snel een ernstig verwijt treffen.
Door wie in te stellen?
De procedure tegen de bestuurder moet gevoerd worden door de
vennootschap.
Dit kan moeilijkheden opleveren omdat juist aan het bestuur de
vertegenwoordiging van de vennootschap is opgedragen, art. 2:240 (130).
De statuten kunnen ook voor zo’n geval vertegenwoordigingsbevoegdheid
aan anderen (bijvoorbeeld de RvC) toekennen.
Decharge
Het staat de vennootschap vrij een aansprakelijke bestuurder achteraf
kwijting (decharge) te verlenen, zelfs indien de schade opzettelijk of door
fraude is veroorzaakt (De Rouw/Dingemans qq; niet verplicht).
De vennootschap kan bestuurders echter niet tevoren vrijwaren tegen
aansprakelijkheid ten gevolge van onbehoorlijke taakvervulling waarvan
hun een ernstig verwijt valt te maken. Evenmin kan de omvang van die
aansprakelijkheid bij voorbaat door de vennootschap worden gelimiteerd.
Een dergelijke vrijwaring in de statuten of in een overeenkomst met de
bestuurders is in strijd met dwingend recht (art. 2:25) en mogelijk nietig
op grond van art. 3:40 BW.
Interne aansprakelijkheid kan voor bestuurders nog voortvloeien uit enkele
verspreide bepalingen van NV- en BV-recht. Te noemen zijn art. 2:95 lid 2,
art. 2:98a lid 2-5, art. 2:98d lid 2 en art. 2:207a lid 2 en 3, alle betrekking
hebbend op het verkrijgen van eigen aandelen door de vennootschap.
Externe aansprakelijkheid
Externe aansprakelijkheid artikel 2:138/249
Het gaat hier om de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de boedel in
geval van faillissement van de vennootschap. De vordering wordt
ingesteld door de curator, die daarbij optreedt in het belang van de
gezamenlijke crediteuren
Hoofdregel: iedere bestuurder is jegens de bedoel hoofdelijk aansprakelijk voor het
tekort indien ‘het bestuur’ zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en
aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Je kan hier het
bestuur of een bestuurder lezen. Kennelijk onbehoorlijk bestuur van één van de
bestuurders mag dus worden aangenomen zodra ten minste één van de bestuurders
zich daaraan schuldig heeft gemaakt. De curator kan dan alle bestuurders of naar
keuze één of meer van hen aansprakelijk stellen op grond van art. 2:248 (138).
Dit geldt ook voor RvC artikel 2:149/259
Lid 1 Kennelijk onbehoorlijk bestuur
Onderwerpen: bestuurdersaansprakelijkheid
Van de BV en NV – nr. 47-49
Interne aansprakelijkheid
Voor het gevoerde beleid is het bestuur verantwoording schuldig.
Deze verantwoordingsplicht heeft zij tegenover de AVA, RvC en
de or
Verantwoordingsplicht naar de AVA blijkt uit:
1. De in art. 2:217 (107) lid 2 vastgelegde verplichting tot het geven van
verlangde inlichtingen
2. De concept-jaarrekening
Verantwoordingsplicht naar de RvC blijkt uit:
1. De taakomschrijving van de RvC (art. 2:250 (140)
2. De plicht tot het aan het RvC verschaffen van de noodzakelijke
gegevens ex art. 2:251 (141)
Verantwoordingsplicht naar de RvC blijkt uit:
1. De wet op ondernemingsraden (art. 23, 24, 31 e.v. WOR)
De algemene verantwoordingsplicht rust op het bestuur als zodanig.
Art. 2:9 BW
Iedere bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden zijn taak naar
behoren te vervullen.
De formulering van 2:9 wijst op een inspanningsverbintenis; de
bestuurders moeten zich inzetten voor een behoorlijke uitoefening
van hun taak, tot een bepaald resultaat is zij niet gehouden.
Staleman/Van de Ven
De norm ‘behoorlijk’ in art. 2:9 lid 1 BW wordt echter geobjectiveerd. Dat
wil zeggen: het criterium voor wat als ‘behoorlijk’ bestuur geldt, wordt
niet uitsluitend bepaald door de persoonlijke kwaliteiten of intenties van
de betreffende bestuurder, maar door wat in het algemeen van een
redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht. De Hoge
Raad heeft in het arrest Staleman/Van de Ven (HR 10 januari 1997)
geoordeeld dat van een bestuurder mag worden verwacht dat hij beschikt
over het inzicht en de zorgvuldigheid die van een bestuurder die voor zijn
taak berekend is en deze nauwgezet vervult, mogen worden verwacht
Art. 2:9 lid 2 BW
Aansprakelijkheid voor schade welke de vennootschap geleden heeft
treedt pas in wanneer aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden
gemaakt.
,Of aan dit verwijtbaarheidscriterium is voldaan moet worden beoordeeld
aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Volgens de
Hoge Raad (Staleman/Van de Ven) behoren daartoe onder meer:
De aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten,
De in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s
De taakverdeling binnen het bestuur
De eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen
De gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te
beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of
gedragingen
En ook de bovengenoemde behoorlijkheidsnorm.
Berghuizer Papierfabriek
Handelen in strijd met een statutaire bepaling die de rechtspersoon
beoogt te beschermen vormt een zwaarwegende omstandigheid die in
beginsel aansprakelijkheid vestigt.
In dit arrest ging het om het negeren van een statutair
goedkeuringsrecht van de RvC
Statutaire doelomschrijving zou ook hiertoe gerekend kunnen
worden (volgens het boek)
Nutsbedrijf Westland (samenloop van de artikelen 2:9 en 6:162)
Casus: de bestuurder stelt in zijn verweer dat de vordering van Holding
Nutsbedrijf Westland N.V. uitsluitend kan worden gebaseerd op
onbehoorlijk bestuur (zoals bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek) en
niet op onrechtmatigde daad (zoals bedoeld in artikel 6:162 Burgerlijk
Wetboek). In het Staleman/Van de Ven-arrest zagen we al dat voor
aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur de strenge maatstaf van
ernstige verwijtbaarheid geldt. Holding Nutsbedrijf Westland N.V. zou deze
maatstaf volgens de voormalig bestuurder niet via een beroep op
onrechtmatige daad mogen ontlopen.
De Hoge Raad:
Holding Nutsbedrijf Westland N.V. haar vordering kan baseren op
onrechtmatige daad.
Hij voegt daaraan toe dat, indien sprake is van een onrechtmatige
daad van een bestuurder die is begaan bij zijn taakvervulling als
bestuurder, de strengere maatstaf van ernstige
verwijtbaarheid onverkort blijft gelden.
o Voor de onrechtmatige daadaansprakelijkheid volstaat in zo’n geval niet ‘gewone’
schuld maar zal de bestuurder een ernstig verwijt moeten treffen.
De regel van art. 2:9 kleurt aldus de toerekeningsmaatstaf van art. 6:162
BW. De aansprakelijkheid van de bestuurder kan, op basis van hetzelfde
feitencomplex, mogelijk zowel op art. 2:9 als op art. 6:162 BW worden
gebaseerd.
Allen hoofdelijk aansprakelijk
,Het uitgangspunt van art. 2:9 lid 2 bij ernstig verwijtbaar onbehoorlijk
bestuur van één of meer bestuurders is dat allen hoofdelijk (voor het
geheel) aansprakelijk zijn.
Disculpatie is mogelijk
Tweeledig disculpatiebewijs:
1. De tekortkoming niet aan hem te wijten is en;
2. Dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de
gevolgen daarvan af te wenden. Voldoende is dat hij aantoont dat
aan hem te dier zake geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
‘Mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken’
Een bestuurder mag aantonen dat hem geen ernstig verwijt kan worden
gemaakt, ‘mede gelet’ op de aan anderen toebedeelde taken. Die
taakverdeling moet direct of indirect op de wet of op de statuten zijn
gebaseerd.
Twijfelgeval: door de AVA of RvC goedgekeurd directiereglement
zonder statutaire grondslag, waarin een taakverdeling is
opgenomen.
Over de hoofdlijnen van het beleid en andere ingrijpende besluiten zullen
de bestuurders steeds tezamen moeten beslissen. Ook andere ingrijpende
besluiten zullen steeds door het bestuur als zodanig moeten worden
genomen. In de eerste zin van art. 2:9 lid 2 komt dit tot uitdrukking: Elke
bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van
zaken’.
Een bestuurder kan niet zeggen: dat was zijn afdeling, ik wist van
niets. Zeker niet bij grote of risicovolle beslissingen.
Iedere bestuurder moet verder verplicht worden geacht het zijne ertoe bij
te dragen dat de nadelige gevolgen van onbehoorlijk bestuur worden
afgewend, ook al werd dat onbehoorlijk bestuur niet door hem gepleegd
en viel de aangelegenheid buiten zijn taakgebied.
Het niet tot zijn taak behoren van een bepaalde aangelegenheid kan dus
bijdragen tot het steeds door iedere bestuurder te leveren
disculpatiebewijs.
Sidenote:
RvC
Onbehoorlijk bestuur betekent niet zonder meer dat ook de RvC zijn taak
onbehoorlijk heeft vervuld.
One-tier vennootschappen
Een andere systematiek geldt echter voor one-tier vennootschappen. De
niet-uitvoerende bestuurders vallen dan rechtstreeks onder art. 2:9.
Onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder leidt dan tot
aansprakelijkheid van alle uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders.
Ligt het onbehoorlijk bestuur op het terrein van een uitvoerende
, bestuurder dan zal de niet-uitvoerende bestuurder in het licht van deze
taakverdeling niet snel een ernstig verwijt treffen.
Door wie in te stellen?
De procedure tegen de bestuurder moet gevoerd worden door de
vennootschap.
Dit kan moeilijkheden opleveren omdat juist aan het bestuur de
vertegenwoordiging van de vennootschap is opgedragen, art. 2:240 (130).
De statuten kunnen ook voor zo’n geval vertegenwoordigingsbevoegdheid
aan anderen (bijvoorbeeld de RvC) toekennen.
Decharge
Het staat de vennootschap vrij een aansprakelijke bestuurder achteraf
kwijting (decharge) te verlenen, zelfs indien de schade opzettelijk of door
fraude is veroorzaakt (De Rouw/Dingemans qq; niet verplicht).
De vennootschap kan bestuurders echter niet tevoren vrijwaren tegen
aansprakelijkheid ten gevolge van onbehoorlijke taakvervulling waarvan
hun een ernstig verwijt valt te maken. Evenmin kan de omvang van die
aansprakelijkheid bij voorbaat door de vennootschap worden gelimiteerd.
Een dergelijke vrijwaring in de statuten of in een overeenkomst met de
bestuurders is in strijd met dwingend recht (art. 2:25) en mogelijk nietig
op grond van art. 3:40 BW.
Interne aansprakelijkheid kan voor bestuurders nog voortvloeien uit enkele
verspreide bepalingen van NV- en BV-recht. Te noemen zijn art. 2:95 lid 2,
art. 2:98a lid 2-5, art. 2:98d lid 2 en art. 2:207a lid 2 en 3, alle betrekking
hebbend op het verkrijgen van eigen aandelen door de vennootschap.
Externe aansprakelijkheid
Externe aansprakelijkheid artikel 2:138/249
Het gaat hier om de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de boedel in
geval van faillissement van de vennootschap. De vordering wordt
ingesteld door de curator, die daarbij optreedt in het belang van de
gezamenlijke crediteuren
Hoofdregel: iedere bestuurder is jegens de bedoel hoofdelijk aansprakelijk voor het
tekort indien ‘het bestuur’ zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en
aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Je kan hier het
bestuur of een bestuurder lezen. Kennelijk onbehoorlijk bestuur van één van de
bestuurders mag dus worden aangenomen zodra ten minste één van de bestuurders
zich daaraan schuldig heeft gemaakt. De curator kan dan alle bestuurders of naar
keuze één of meer van hen aansprakelijk stellen op grond van art. 2:248 (138).
Dit geldt ook voor RvC artikel 2:149/259
Lid 1 Kennelijk onbehoorlijk bestuur