1.1 Wat is internationaal recht
Staten zijn de belangrijkste spelers in het internationaal recht/
internationaal publiekrecht, net als internationale organisaties en
individuen. Elementen van het internationaal publiekrecht:
- Internationaal Vs. Nationaal. Regelgeving is noodzakelijk door de
handel en de internationale contacten die hieruit voortvloeien.
o Nationale recht creëert de soevereine overheid wetten en
regels voor burgers op het eigen grondgebied.
o Internationaal recht gelden er andere regels, namelijk
regelgeving die staten waardevol vinden om na te komen, zoals
verdragen en internationaal gewoonterecht.
- Publiek Vs privaat
o Publiek/ openbaar gezag bedekt regelgeving om
internationale problemen zoals terrorisme te hoofd te bieden.
o Internationaal privaatrecht richt zich op de geschillen
tussen natuurlijke personen/ en of rechtspersonen onderling. Met
internationaal privaatrecht hebben we te maken als in een
privaatrechtelijke situatie sprake is van verbinding tussen 2 of
meer landen. In het internationaal privaatrecht wordt onderscheid
gemaakt tussen formeel en materieel recht. Formeelrecht: gaat
om (internationaal) procesrecht. Dus dat gaat over de
rechtsmacht (welke rechter is bevoegd), de erkenning van
buitenlandse uitspraken en authentieke akten (verklaring van
ongehuwd zijn) en over internationale samenwerkingen tussen
staten. Materiele internationaal privaatrecht: welke
(nationaal) recht is van toepassing.
Staten maken zelf internationaal privaatrecht om problemen op te
lossen. We hebben dan te maken met nationaal recht. Staten kunnen
namelijk zelf bepalen welke regels van internationaal privaatrecht ze
maken. Nederland kan dus regels maken waarin staat welke rechter
bevoegd is om een zaak van internationaal privaatrecht te
behandelen en welk nationale recht in dat geval van toepassing is.
- Recht Vs relaties. Internationaal recht werkt anders dan nationaal
recht omdat er geen wereldregering bestaat die alles kan afdwingen.
Staten maken samen regels en houden zich daar meestal aan omdat
samenwerking en goede relaties belangrijk zijn. Daarom spelen
politiek en internationale betrekkingen een grote rol in internationaal
recht.
Conflictenrecht wordt onder andere aangeknoopt bij de nationaliteit
van de betrokken partijen, het land waar partijen hun gewonnen
verblijfsplaats hebben, de plaats waar een huwelijk is gesloten en het land
waar een onroerend goed ligt. Als we naar deze aanknopingspunten kijken,
kan het zijn dat meerdere aanknopingspunten op een situatie van
toepassing kunnen zijn. Meestal geldt dan een volgorde waarin die
aanknopingspunten moeten worden behandeld. Door globalisering sluiten
landen verdragen met elkaar over afspraken tussen relaties en
overeenkomsten tussen mensen en bedrijven uit verschillende landen. De
,verdragen regulieren welke recht en welke rechter van toepassing en
bevoegd zijn in situaties waar mensen een overeenkomst aangaan,
waarover bijvoorbeeld een conflict is ontstaan. Op de onderwerpen die in
de EU-verordeningen zijn vastgelegd, maken de EU-lidstaten dus zelf geen
regels meer als in de situatie minimaal 2 EU- lidstaten zijn betrokken.
De EU heeft veel verordening gemaakt om het internationaal
privaatrecht van de EU-lidstaten hetzelfde te maken. Belangrijke
verordeningen gaan over de erkenning en tenuitvoerlegging van
rechterlijke en bestuurlijke beslissingen en over bijvoorbeeld alimentatie.
Die regels gaan over privaatrechtelijke onderwerpen zoals echtscheiding
en alimentatie. Maar omdat die regels internationaal samen zijn gemaakt
door staten en de EU, vallen ze juridisch onder internationaal publiekrecht.
De handhaving van internationale regels (van een verdrag) ligt bij de
staten zelf of soms door een internationale organisatie (Verenigde
Naties VN). Een van de hoofdorganen van de VN is de veiligheidsraad.
Hiervan zijn 15 landen lid, 5 permanent en 10 tijdelijk. De VN-
veiligheidsraad kan besluiten nemen die de VN-lidstaten binden en dit
orgaan kan ook de naleving van zijn besluiten afdwingen. Dit is een
uitzondering op de regel dat er geen internationaal systeem van
handhaving van internationaal recht bestaat. De EU is een andere
internationale organisatie die via haar instellingen sancties kan opleggen
aan haar lidstaten als die hun verplichtingen niet nakomen. Dit kan op
eigen initiatief of op initiatief van lidstaten zijn.
Dus hoewel een centraal mondiaal systeem van uitvoerende, wetgevende
en handhavende macht in de internationale rechtsorde ontbreekt, hebben
staten toch regels vastgelegd in bijvoorbeeld verdragen. Die behoren tot
(de bronnen van) het (internationaal) recht. En zoals we hiervoor hebben
gezien, hebben staten aan sommige internationale organisaties de
bevoegdheid gegeven om besluiten te nemen waarover de staten hebben
vastgelegd dat zij zich aan die besluiten gebonden achten. Ook dat zijn
bronnen van recht.
1.2.1 decentraal
Verdragen: staten leggen hun afspraken vast in schriftelijke
overeenkomsten. Ook internationale organisaties kunnen verdragen
sluiten. Door het over en weer sluiten van verdragen ontstaat een kader
waarbinnen het internationaal recht wordt ontwikkeld en zijn bestaan
vindt. Verdragen zijn een van de rechtsbronnen van het internationaal
recht.
Soevereiniteit art. 2.1 VN-Handvest: staten zijn zelfstandig bevoegd
om rechtsbetrekkingen met elkaar aan te gaan. Soeverein betekent
hoogste macht/ gezag. In art. 2 lid VN-handvest wordt dit benadrukt
door te stellen dat de organisatie gegrond is op het beginsel van
soevereine gelijkheid van al haar leden. Als een staat zelfstandig bevoegd
is om zijn eigen beslissingen te nemen, toont hij hiermee soevereiniteit.
De soevereiniteit van een staat om wetten voor het eigen grondgebied te
,maken, betreft de rechtsmacht of jurisdictie van een staat. Hierdoor kan
een staat regels stellen of handhaven op eigen grondgebied ten aanzien
van zijn burgers. Dus Nederland kan geen regels handhaven in het
buitenland.
Horizontale werking in het internationaal recht landen staan naast
elkaar. Decentrale rechtsorde → er is geen centrale baas zoals een
nationale overheid. Als staten (vrijwillig) kiezen om lid te worden van de
VN en de sancties van de EU, kiezen ze om een (beperkte) soevereiniteit
af te staan aan deze organisaties. Staten kunnen hier ook nog op
terugkomen BREXIT. Vreedzame co-existentie: landen moet
vreedzaam naast elkaar bestaan art. 2 lid 3 VN-Handvest.
1.2.2 Afhankelijkheid
Hoewel staten soeverein zijn ten opzichte van elkaar is er in de praktijk
ook sprake van onderlinge afhankelijkheid. Staten hebben elkaar nodig
om af- spraken met elkaar te maken. Staten zijn in toenemende mate
afhankelijk van elkaar. Grensoverschrijdende kwesties zoals milieu of
terrorisme kan een staat niet alleen oplossen. Om deze kwesties aan te
pakken, moeten staten met elkaar samenwerken. Dit kan op regionale of
mondiale basis plaatsvinden, door alleen verdragen met elkaar te sluiten
of door veel verregaander samen te werken. Ook de samenwerking in het
kader van collectieve (zelf)verdediging in de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie (NAVO) waarin de ministers van Buitenlandse
Zaken en van Defensie van de deelnemende landen regelmatig bij elkaar
komen, is een vorm van regionale samenwerking.
1.2.3 Invloed van politieke factoren en machtsverhoudingen
Wisselingen van de politieke macht in staten kunnen leiden tot andere
internationale verhoudingen. Een groepering die door een staatsgreep de
macht grijpt in een land, zal mogelijk andere betrekkingen met andere
staten willen onderhouden dan de voorgaande regering. Maar ook
wanneer de machtsopvolging op democratische wijze verloopt, kan dit
grote gevolgen hebben voor de internationale verhoudingen.
In de praktijk kunnen machtige staten soms wegkomen met
internationaalrechtelijk onrechtmatig gedrag waar kleinere staten niet
lukt. De machtige landen kunnen dit niet met alles doen, omdat anders
niemand zaken met ze wilt doen. De afspraken of regels die ze niet
naleven, hebben vaak betrekking op aangelegenheden die de
internationale vrede en veiligheid of mensenrechten betreffen. Dat kan de
indruk wekken dat internationaal recht geen zin heeft, omdat die kwesties
niet of zeer traag worden opgelost. Maar dat doet geen recht aan de vele
andere terreinen waarop staten met elkaar wel goede afspraken maken
die ze naleven.
1.3 Doorwerking van internationaal recht in de
Nederlandse rechtsorde
, De Universele verklaring van de rechten van de mens UVRM is
geen bindend document, maar vormde als eerst de inspiratiebron voor
vele mensenrechtenverdragen:
- EVRM
- Het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
BUPO
- Het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie
van vrouwen (VN-Vrouwenverdrag)
- Het internationaal verdrag inzake de rechten van het Kind IVRK
Internationale organisaties als de VN, EU en de raad van Europa
stimuleren de implementatie van mensenrechten en benadrukken het
recht op zelfbeschikking van individuen. Mensen in Nederland kunnen zich
rechtstreeks beroepen op deze internationale rechten.
Door de doorwerking van het internationale recht in de nationale
rechtsorde kunnen wij ons in Nederland voor de nationale rechter
beroepen op bepalingen uit internationale verdragen. Dit hangt af van het
soort systeem waarvoor een lidstaat heeft gekozen.
- Monistische stelsel: dat is als het internationaal recht automatisch
deel van de nationale rechtsorde. Omzetting via een speciale wet is
niet nodig. Nederland heeft dit art. 93 Gw.
- Dualistische stelsel: het internationaal recht moet worden
omgezet naar nationaal recht via een aparte wet.
In Nederland moeten mensen zich aan bepaalde regels van verdragen en
besluiten van internationale organisaties houden of er rechten aan kunnen
ontlenen, namelijk aan eenieder voorbindende bepalingen, maar pas
nadat de Nederlandse regering die heeft bekendgemaakt door publicatie
in het Tracatenblad. Nederland hoeft voor deze regels geen wet te
maken. Dit geldt alleen voor geschreven regels en niet voor ongeschreven
internationaal gewoonterecht. Het internationale gewoonterecht bindt
staten wel tegenover elkaar, maar natuurlijke of rechtspersonen kunnen er
geen beroep op doen. Om dit wel mogelijk te maken zal de Nederlandse
wetgeving die bepalingen eerst moeten omzetten naar Nederlands recht
door een Nederlandse wet te maken.
De Hoge Raad oordeelde in 1959 in het Nyugat-arrest (HR 6 maart 1959,
NJ 1962/2) dat mensen of rechtspersonen zich niet op (eenieder
verbindende bepalingen van) internationaal gewoonterecht kunnen
beroepen. Natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen geen beroep
doen op rechtstreeks werkende regels van ongeschreven recht, zoals
internationaal gewoonterecht. Op grond van art. 94 Grondwet mag de
Nederlandse rechter Nederlandse wettelijke voorschriften alleen toetsen
aan geschreven bronnen van internationaal recht: aan verdragen en
aan besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
In Nederland werken dus niet alle verdragsregels rechtstreeks door: alleen
als ze eenieder verbindend zijn en als de Nederlandse overheid ze bekend
heeft gemaakt. Hetzelfde geldt voor volkenrechtelijke besluiten. Dat
zijn besluiten van organisaties die op grond van de regels van het