Westen zwakste erfgenaam van Rome. In de zevende en achtste eeuw kreeg het te maken met
heel veel invasies, politieke onrust en economische problemen. Land owners vochten tegen zichzelf,
tegen barbaren en tegen de islamieten. Steden werden onderbevolkt en de countryside kreeg
regelmatig te maken met hongersnood en plagen.
Christendom verspreidde. Veel mensen waren analfabeet, maar nonnen en monniken behielden de
Romeinse literatuur door het vertalen, behouden en bestuderen van Latijnse manuscripten. Paus
claimde volledige autoriteit en één kerk. Dit weerspiegelde met het idee van één empire van een
keizer in de Romeinse tijd. Romeinse macht in Europa was sterk maar niet verstikkend. Bekrachtigd
door leger, administratie van Romeinse steden en de local elites. Middeleeuwse mensen zouden altijd
betoverd zijn door het idee van Rome.
Tijdens 3e eeuw Barbaren aan de grens van Rome. Empire gered door hervormingen in de vierde
eeuw. Diocletian en Constantijn verbouwde het verzwakt rijk tot een krachtige empire met sterke
legers, veel bureaucratie en machtige keizers. Het zorgde ervoor dat het Romeinse rijk nog twee
eeuwen kon overleven in het westen, en voor nog een millennium in het oosten. Hier begint de
scheiding tussen “oost” en “west”. De scheiding begon puur administratief, met een grens lopend door
de Balkan en door het hart van Noord-Afrika.
In het Westen Rome, minder welvarend, meer gevoelig voor invasies. In het Oosten
Constantinopel, meer stedelijk, veilig en welvarend.
Early Christianity and the Early Church.
St. Paulus zei dat Christendom niet beperkt was tot alleen joden. Dit zorgde ervoor dat het
Christendom voor iedereen beschikbaar werd. Christendom overwon andere mysteriereligies.
1) De ‘founders’ waren werkelijke, historische personen. Hierdoor minder afstandelijk en echter.
2) Christelijke god was niet ‘één van de velen’, maar de enige god.
Veel lagen uit de Romeinse samenleving vonden het Christendom: stedelijke armen, handelaren,
kunstenaars.
Doop, toetreden tot Christendom
Avondmaal (eucharist)
Matteüs, Marcus, Lucas en Judas. Apostelen.
Hagiografie verhalen over heilige mensen.
Terwijl Christendom teksten schreef en en rituelen ontwikkelde, werd het ook meer georganiseerd.
Onderop zaten de normale priesters.
Hierboven bisschoppen, die toezicht hielden op de priesters.
Deze bisschoppen werden weer in de gaten gehouden door aartsbisschoppen, zaten in de
belangrijkste steden.
, Hierboven de patriarchen en bisschoppen van de vijf grootste steden in het Rijk: Rome,
Alexandria, Antioch, Jeruzalem en Constantinopel alleen Rome zat in het Westen.
Petrus eerste paus. Pauzen na hem zagen zichzelf als opvolger van Petrus.
Christianity and the Empire.
Groot verschil tussen Christendom en andere religies: Christendom weigerde naast het Christendom
ook nog andere religies te volgen. Dit zorgde voor vervolging (imperial persecution). Maar dit had
averechts effecten martelaren waren zaad van de kerk.
Het falen van Diocletianus zijn poging om het Christendom te vervolgen, vereiste aanpassing in het
Rijk. Constantijn gaf Christenen volledige tolerantie en bekeerde zich uiteindelijk, ‘to hold his empire
together’. Christenen werden niet meer vervolgd en gekruisigd, ook niet onder de keizers die volgden.
Echter: slavernij bleef bestaan, want noodzakelijk in Romeinse economie. Heidendom bleef lang
bestaan in de countryside, maar vervaagde uiteindelijk ook. De oude Romeinse goden verdwenen en
in 400 was het Christendom de officiële staatsreligie van het Romeinse rijk.
Christianity and Judaism.
Houding t.o.v. Jodendom veranderde. Joden mochten niet meer in Jeruzalem komen. In de 4 e eeuw,
toen Theodosius heidendom verbied, werden de Joden wel beschermd. Maar Joden en Christenen
zagen elkaar als vijanden. Voordeel van Christenen ze hadden de staat aan hun kant, Joden niet.
Christianity and the Classical Culture.
Neoplatonisten zagen God als één god die eeuwig was, en alleen te bereiken was via mystiek. God
is de bron van alles, en meerwaardig dan de fysieke wereld van mensen en aarde. Het menselijke ziel,
gevangen in een lichaam, moest een weg terug vinden via deze mystieke handelingen, naar de
perfectie van God. Deze gedachte werd langzamerhand gehanteerd door Christenen. Christenen
konden hun handelen met de ideeën van het neoplatonisme uitleggen via een intellectuele weg. Naast
de Bijbel erkende óók Plato het bestaan van een eenheid van God. Andere Christenen vonden het
heidens om het bestaan van God uit te leggen met verouderde, intellectuele termen.
Christian Theology and Orthodoxy.
De vroege Christenen discussieerden heel veel over hun geloof. Veel van deze debatten werden
gevoerd door bisschoppen en andere leiders. Beslissing bij Nicaea Jezus was menselijk én heilig, en
een gelijkwaardig lid van de Drie-Eenheid. Jezus heeft altijd bestaan en zou altijd bestaan, en heeft in
menselijke vorm op aarde gewandeld. Hieruit ontstond een orthodoxe leer. Maar zorgde ook voor
ketters Christenen die deze leer niet aannamen. Arian Christians geloofden dat Jezus niet heilig was
en een mindere lid van de Drie-Eenheid. Arian Christians en Catholic (orthodox) Christians stonden
tegenover elkaar.
,Drie Christelijke geleerden:
1) St. Ambrose
2) St. Jerome
3) St. Augustine
Barbarians and the Western Empire.
Terwijl het Romeinse Rijk christelijk werd, paste het zich ook aan aan de komst van barbaren. Vanaf
de vierde eeuw werd het Romeinse Rijk toleranter tegenover de barbaren die aan de rivieren het Rijk
wilden betreden. Deze barbaren waren Slaven, Germanen, Kelten en mensen uit het Midden-Oosten.
Deze barbaren waren goed voor de handel en goed voor soldatenwerving. Terwijl barbaren aan de
rivieren handelden met de Romeinen raakten ze goed in contact met elkaar. Veel barbaren bekeerden
zich tot de Arian Christianity en namen Romeinse cultuur over. Barbaren leefden in kleine steden en
hadden vakmanliederen die veel goeie zaken produceerden.
Migration and Settlement.
In 370 kwamen de Barbaren heftig aan de grens. Ze werden gelokt door het warme weer en het
klimaat. Hunnen gingen ook westwaarts en namen met veroveringen de barbaren met zich mee.
Elementen:
1) Een barbaarse groep onder druk door oosten en noorden
2) Romeinse autoriteit keurt immigratie goed
3) Conflicten tussen barbaren en Romeinen
4) Aanpassing aan de Romeinen en settlement
Hoofdstuk 2 Early Western Christendom
Barbaren kwamen in de 5e en 6e eeuw Europa binnen werden geconfronteerd met Gallo-
Romeinse cultuur.
Romeins: welvarend, vaak in oude Romeinse steden.
Gallo: Keltische mensen, zeer getalenteerd in muziek, kunst en handel creëerden vaak hun
eigen handelssteden.
Na de inname van het Gallische gebied in Rome waren veel Gallische steden onderdeel van het
Romeinse rijk er ontstond, door huwelijken, een Gallo-Romeinse aristocratie. Gallische boeren
kregen het zwaarder en werden onvrije boeren. Hun kinderen werden serfs, en kwamen in
horigheid terecht.
Luchtfotografie laat zien dat verlaten, Romeinse plattelandsindelingen later zijn gereorganiseerd
met middeleeuwse patronen. Dit is ook te zien in steden, die leegstroomden in de 7e en 8e
eeuw.
, Vragen over etniciteit: Is etniciteit iets dat we zelf kiezen? Of wordt het opgelegd door de
overheid? Nieuwe groepen Europeanen kwamen voort uit de verschillende Keltische, Romeinse
en barbaarse culturen. Deze nieuwe groepen werden gekarakteriseerd door hun oorlogsideologie.
Ze vervingen de luie, Romeinse villacultuur. De aristocratie van de middeleeuwen was rijk,
hooghartig en klaar om te doden. Ze verzonnen veel verhalen over oorlog en overwinnen
(voorbeeld: Beowulf).
Polygamie was normaal in deze middeleeuwse aristocratie.
Formal marriage autoriteit gaat van vader naar nieuwe man, en daarbij ook de bezittingen.
Informal marriage geen wisseling van autoriteit of bezittingen.
Concubinage sterk informeel, kinderen waren onwettig (illegimitate).
Barbaarse koningen werden geholpen door Gallo-Romeinse administrators. Maar op den duur
ging dit verkeerd. Local power werd krachtig.
Bisschoppen werden gesteund door het bezit van relikwieën, het regelen van pelgrimstochten
en de afwezigheid van competitie. Hierdoor werden ze heersers van steden en regio’s.
Door deze localism koningen eisten vaak meer macht dan ze werkelijk hadden. Hun band
(personal loyalty) met bisschoppen was daarom erg belangrijk.
Italiaanse schiereiland:
Ostrogotische koning Theorodic kreeg de macht in Italië in 493. Hij hechtte veel waarde aan
Romeinse gebruiken, en moedigde Arian Ostrogoths en Catholic Romans aan om samen te
werken met het herbouwen van bijv. viaducten.
Boethius legde grondslag voor een nieuwe, middeleeuwse intellectuele beweging:
Maakte Latijnse vertalingen van het werk van Plato en Aristoteles.
Legde de basis voor het trivium en quadrivium.
Schreef The Consolation of Philosophy, waarin hij beargumenteerde dat spirituele
welvaart waardevoller is dan materiële welvaart.
Cassiodorus nam het stokje van Boethius over:
Schreef On Divine and Human Readings, een boek dat mensen leidt door de grote
Christelijke en Heidense werken.
Hij moedigde de monniken in zijn klooster aan om als heilige taak teksten te gaan
kopiëren.
Na Cassiodorus’s dood werd Italië in het noorden en in het zuiden (Lombarden) binnengevallen
en het gebied versplinterde.